Home ‘Goede woningen voor billijken prijzen’

‘Goede woningen voor billijken prijzen’

  • Gepubliceerd op: 2 juli 2012
  • Laatste update 06 mrt 2023
  • Auteur:
    Frank Kools
  • 11 minuten leestijd
‘Goede woningen voor billijken prijzen’

In november 1851 circuleerde een handgeschreven ‘Oproep tot Intekening’ onder protestants-christelijke Amsterdamse notabelen. De opstellers, onder wie koopman Christiaan Pieter van Eeghen en bestuurder Jan Messchert van Vollenhoven, zochten leden voor een nieuwe vereniging. Doel: ‘goedkope en goede woningen te bouwen voor de arbeidersklasse’.

Aanleiding was ‘de opeenpakking van vele personen in enge lokalen’, oftewel de overbevolking in de oude stad. Doordat de bevolking groeide en steeds meer mensen naar de steden trokken, ontstond daar een groot tekort aan goedkope woonruimte. Binnentuinen werden volgebouwd met krotten, die per kamer verhuurd werden. Hele gezinnen betrokken kelders of zolders. ‘En ieder die een enigszins nauwkeurig onderzoek deed, heeft [het probleem] moeten erkennen’ en maakt zich zorgen over ‘den toestand van de arbeidende klasse’, wist de Oproep.

Arbeiders hielden door ‘de opgedreven huren’ weinig geld over voor eten. Minstens even gevaarlijk waren ‘de vochtigheid, het gebrek van lucht verversching en licht’ in de krotten. De Oproep legde, zoals vaak in die tijd gebeurde, een direct verband tussen de slechte woonsituatie der armen en de cholera-epidemieën die Nederland tussen 1830 en 1870 teisterden. Burgers vreesden dat ‘de ziektekiemen uit de woningen der proletariërs door de lucht’ naar hun salons zouden reizen, schreef een tijdgenoot.

Krotten besmetten eveneens de ziel. Van Eeghen en de zijnen wisten dat ‘bij eene vaak geringe ruimte de onzedelijke zamenwoning een broeibed wordt van zoo menige schrikkelijke zonde’. Privacy bestond niet in eenkamerwoningen. Kinderen zagen de echtelijke handelingen’ van de ouders gebeuren. De overheid deed bitter weinig. En dat hoorde ook zo, vond de elite. Volgens de heersende liberale ideeën moest de staat zich zo min mogelijk bemoeien met de woningmarkt en de economie in het algemeen.

Sommige gemeenten probeerden af en toe bouwvallen aan te pakken, maar als de eigenaars niet meewerkten, stonden zij machteloos. Het eigendomsrecht was te sterk. De rijksoverheid zag geen rol voor zichzelf in de bouw, buiten (spoor)wegen aanleggen en kanalen graven. Armenzorg was ook een plicht die ‘niet op den weg van den staat ligt’, aldus de armenwet uit 1854. Die lag bij de kerken.

Salerno

Juist omdat de overheid zich afzijdig hield, voelden de notabelen achter de Oproep zich geroepen in te grijpen. Als rijke burgers hadden zij een morele plicht om het lot van armen wat te verlichten. Maar ze handelden ook uit eigenbelang. Ze wilden voorkomen dat de armen gingen plunderen. De achterbuurten lagen vlak bij de herenhuizen.

De Oproep werd een succes. In korte tijd tekenden 39 heren in voor elk tweeduizend gulden, een voor die tijd forse som. Pure liefdadigheid was het niet. Zij zouden per jaar drie procent dividend krijgen. Met het kapitaal ging begin 1852 de Vereeniging ten Behoeve der Arbeidersklasse (vak) van start, de allereerste woningbouwvereniging van Nederland. Dat najaar besteedde ze al nieuwbouw aan.

Nog voordat dat project voltooid was, gaf de arts Samuel Sarphati de aanzet tot een tweede Amsterdamse  woningbouwvereniging, Salerno geheten. De vak maakte ‘onderscheid van geloofsbelijdenis’ en was te elitair en daarom was een open en vrijzinnige vereniging nodig, aldus het Salernobestuur. Via een gedrukte folder riep dat in 1853 burgers
‘zonder onderscheid van stand of belijdenis’ op om ‘vijfhonderd gulden of minder’ in te leggen.

Opzichters haalden de huur aan huis op en controleerden op goed gedrag en netheid

Beide verenigingen gingen voortvarend aan de slag en bouwden binnen enkele jaren een paar woonblokken met veelal kleine, goedkope tweekamerwoningen in stapelbouw.

Die eerste woningen van woningbouwverenigingen hadden voldoende daglicht en ventilatie, om ziektes minder kans te geven. Ze waren opgezet volgens ‘moderne’ ideeën over de armenzorg. Ze hadden zo veel mogelijk hun eigen gemakken zoals privaat, gootsteen en turfkist. Dat werkte uithuizigheid, kroeglopen en  alcoholisme tegen, was het idee. Om de zelfdiscipline van haar huurders te bevorderen nam de vak zich voor ‘strengelijk te waken voor eene gereegelde en rigtige betaling der huur’. Opzichters haalden die aan huis op en controleerden op goed gedrag en netheid.

Vak en Salerno kregen snel erkenning en navolging. Koning Willem III bezocht in 1854 een blok met vakwoningen en werd beschermheer van de vereniging. Ook steden als Arnhem, Delft, Harlingen, Den Haag, Schiedam en Utrecht kregen hun woningbouwvereniging.

‘Knappe gezinnen’

Maar binnen enkele jaren liepen veel woningbouwverenigingen aan tegen grote problemen. Het lukte lang niet altijd om genoeg aandelen te slijten. Ook hadden bijna alle verenigingen moeite om goede én goedkope woningen te bouwen. In de praktijk lagen hun huren ver boven die van een kamertje in een krotwoning. Alleen ‘knappe gezinnen’ konden  verenigingshuren betalen.

Het werd tijd dat arbeiders zelf met ‘onderlinge bijdragen gezonde en doelmatige arbeiderswoningen’ bouwden, riepen houtzaagmolenaarsknecht Klaas Ris en enkele medestanders in 1868 in de Jordaan. Hun boodschap sloeg aan: zevenhonderd arbeiders betaalden een stuiver entreegeld om Ris in verkooplokaal De Zwaan de reglementen voor de Bouwvereniging tot Verkrijging van Eigen Woningen geld voor te horen lezen. Ook Leeuwarden kreeg zo’n coöperatieve bouwvereniging, Help U Zelven geheten.

In 1872 sloot de gemeente Amsterdam voor de Bouwvereniging een grote lening af om nieuwe woningen te bouwen, maar om dat niet op een capitulatie voor  het socialisme te laten lijken, bepaalde burgemeester Den Tex dat bouw en beheer moesten lopen via een nieuwe particuliere bouwvereniging. Daarmee schiep hij een belangrijk precedent.

Toen woninghervormers 25 jaar later de balans opmaakten van de ‘filantropenbouw’ van de verenigingen, waren zij weinig enthousiast. Amsterdam bijvoorbeeld telde rond 1900 veertien verenigingen. Die hadden samen sinds 1852 vierduizend woningen gebouwd, slechts zeven procent van de totale huizenproductie. Terwijl de krotwoningen in de Jordaan nog altijd vol zaten. Het was een feit dat ‘zij geen overwicht op hun omgeving hebben weten uit te oefenen, geen toonaangevers op hun gebied zijn geworden’, stelde schrijfster en activiste Helena Mercier.

Omdat de bestaande verenigingen de Jordaan waren gaan mijden, hielp Mercier vanaf 1894 mee om een nieuwe op te richten. ‘Zij zal eindelijk, eindelijk eens dwingen tot het maken van een slotsom in deze aangelegenheid, tot het (in wijder kring) antwoord geven op de vraag: staatshulp of wetsverandering of niet.’

Woningwet

Mercier vermoedde terecht dat een ommezwaai in het woonbeleid in de lucht hing. In de Tweede Kamer was een nieuwe progressief-liberale stroming doorgebroken. Die stelde dat de overheid zich niet afzijdig mocht houden van woningmarkt en economie. Ze moest ongerechtigheden in de vrije markt bestrijden, zodat iedereen een kans had om vooruit te komen.

De Woningwet die het liberale kabinet Pierson-Goeman Borgesius in 1901 door wist te voeren, stelde de  gemeenten in staat om een actief woonbeleid te voeren. Ze mochten krotten onbewoonbaar verklaren, ontruimen en slopen. Ze konden bestemmingsplannen maken voor stadsuitbreidingen. Ook moest elke gemeente bouwvoorschriften opstellen.

Er kwamen particuliere woningbouwverenigingen, die de Kroon als ‘toegelaten instelling’ kon erkennen,  waarna zij overheidshulp konden aanvragen of leningen aangaan. De bijdrages waren tijdelijk. Op termijn moesten verenigingen zichzelf kunnen redden. Met die financiële regels legde de Woningwet de basis voor het huidige corporatiebestel.

Verenigingen mochten ‘uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam zijn’. Ook dienden alle eventuele winsten weer in sociale bouw gestoken te worden. Alleen als de woningbouwverenigingen het erbij lieten zitten, mochten gemeenten zelf bouwen, stelde de Woningwet.

Met de Woningwet in de hand werden tot 1914 meer krotten gesloopt dan woningwetwoningen gebouwd

De woningbouwverenigingen gingen traag van start. Het duurde tot 1904 voor de eerste een erkenning als ‘toegelaten instelling’ op zak hadden. De verlening van steun verliep stroef doordat de wet zeer vaag was. Hoeveel gemeenten konden bijdragen en wanneer, was niet geregeld. Pas na tien jaar gaf de overheid heldere richtlijnen welk type woning in aanmerking kwam voor steun.

Door die aanloopproblemen speelden de woningbouwverenigingen tot 1914 een beperkte rol. Zij namen maar enkele procenten van de totale woningproductie voor hun rekening. Met de Woningwet in de hand werden in die periode meer krotten gesloopt dan woningwetwoningen gebouwd.

Stroomversnelling

Een crisis brak uit tijdens de Eerste Wereldoorlog. Door de hoge prijzen van bouwmaterialen en gebrek aan kapitaal viel de privébouw bijna helemaal stil. Om de nood wat te lenigen en het revolutiegevaar te bezweren, intervenieerde de overheid fors in de woningbouw. Ze bevroor de huren en draaide de subsidiekraan voor woningwetwoningen ver open. Alleen in 1919 al werden meer voorschotten verstrekt dan in alle jaren sinds de Woningwet bij elkaar. Het jaar daarna was 87 procent van alle nieuwe huizen een woningwetwoning.

Overal in Nederland werden woningbouwverenigingen opgericht en vlot erkend. Tussen 1913 en 1922 nam hun aantal toe van driehonderd tot 1341. Arbeiders, militairen, ambtenaren en middenstanders; allemaal wilden ze voor zichzelf bouwen.

De bouw kon van vereniging tot vereniging verschillen. In Haaften verrezen acht goedkope huisjes met een éénsteensmuur, die zo vochtig waren dat ze bijna elk jaar weer behangen moesten worden. Andere verenigingen lieten bekende architecten kwaliteitswoningen ontwerpen. Een weversbouwvereniging in Hilversum bouwde boerderijtjes met rieten kap. De tuin was diep genoeg om een koe te  houden.

Veel verenigingen waren verzuild. Vanwege een strenge selectie van leden werden straten tot bolwerken met een eigen karakter, die weinig contact hadden met andersgezinde buren. In het Utrechtse Zuilen hadden katholieke, socialistische en protestantse verenigingen eigen straten. Een katholieke bewoner herinnert zich hoe de protestantse wijkgenoten  soms door de roomse straten kwamen rijden ‘met de bedoeling om door middel van grote fietsbellen een hoop herrie te maken’.

Omdat er veel verenigingen waren toegelaten bleef het gemiddelde woningbezit klein. In 1922 bedroeg dat 56 woningen. De meeste leden kenden daardoor hun bestuurders persoonlijk en wisten waar ze met grieven terecht konden. Andersom probeerden de besturen de leden met huisbezoek en gebruiks- en gedragsregels op te voeden. Ze schreven voor hoe vaak hun huurders in bad mochten, waar en wanneer ze de was buiten mochten hangen en hoe groot een konijnenhok mocht zijn.

Liberalisering woonbeleid

De bloei van de woningbouwverenigingen was snel weer voorbij. Vanaf 1921 zette de  katholieke minister Piet Aalberse van Arbeid een vergaande liberalisering van het woonbeleid in en hij bouwde de bijdragen snel af. De politieke onrust was over en de particuliere bouw vertoonde weer tekenen van leven.

In de rest van de jaren twintig drong de overheid de woningbouwverenigingen terug naar de marge van de markt. Ze mochten zich weer alleen richten op de goedkoopste woningen. In 1925 verbood zij gemeenten om verenigingen nog bijdragen te verstrekken. Tenzij de gemeenten met onbewoonbare krotten zaten, die geen particuliere bouwer wilde slopen en vervangen.

In 1948 verklaarde minister van Wederopbouw Joris in ’t Veld de woningnood tot ‘volksvijand nummer één’

Donkere tijden braken aan na 1930. De overheid sprong niet meer bij in de exploitatie, maar verplichtte verenigingen wel genoten rijksbijdragen terug te betalen en ontnam hun de zeggenschap over de eventuele matige saldi. Een groot deel van de verenigingen dook in de rode cijfers.

Na de Tweede Wereldoorlog was er enorme woningnood. De nieuwbouw was in de oorlog volkomen stilgevallen. Daarbij waren 90.000 woningen met de grond gelijk gemaakt en zo’n 50.000 zwaar beschadigd. De grote naoorlogse geboortegolf verergerde het probleem nog verder. In 1948 verklaarde minister van Wederopbouw Joris in ’t Veld de woningnood tot ‘volksvijand nummer één’.

De  rijksoverheid greep opnieuw flink in in de woningmarkt. Niet gemeenten en woningbouwverenigingen voerden de regie bij de bouw van woningwetwoningen. Het Rijk hield via een strakke staatsplanning de touwtjes zelf in handen. Woningbouwverenigingen waren slechts uitvoerders, die van hogerhand te horen kregen dat ze een ‘contingent’ huizen volgens duidelijke richtlijnen moesten bouwen.

Ook het toewijzingsbeleid werd de verenigingen ontnomen. Om de weinige woningen eerlijk te verdelen, bepaalde de Woonruimtewet uit 1947 dat zij niet meer alleen voor hun eigen leden mochten bouwen. Katholieken moesten ook bij een neutrale bouwvereniging terecht kunnen en protestanten bij een socialistische. Daardoor verdween het eigen karakter van verenigingen.

Er kwamen zoveel regels en circulaires op de bestuurders af dat die hun taak niet langer in de vrije tijd konden doen. Professionals namen hun plaats in. De relatie met huurders verzakelijkte daardoor. Verenigingen bouwden niet langer een paar rijtjes karakteristieke woningen maar halve wijken in seriebouw, met onder meer galerijflats.

Pas in de jaren zestig brak de grote bloeitijd van het verenigingsbestel aan. De toenmalige regeringen wilden de volkshuisvesting weer voorzichtig liberaliseren en gaven verenigingen voorrang bij sociale bouw. Een gemeente mocht vanaf 1968 alleen nog zelf bouwen als de woningbouwverenigingen weigerden. In korte tijd namen de verenigingen de sociale bouw dankzij die ‘voorrangsregels’ bijna totaal over.

In de jaren negentig begonnen de subsidies en exploitatiebijdragen voor de woningbouwverenigingen zo zwaar op de rijksbegroting te drukken, dat de regering hun verzelfstandiging inzette. De verenigingen werden omgezet in stichtingen en fuseerden op grote schaal. Toen een reeks financiële schandalen bij corporaties naar buiten kwam, kregen die het verwijt dat zij hun oude sociale taken en idealen vergeten waren. Het toezicht moest beter, vond de Kamer, die ook een parlementair onderzoek gaat houden.

Maar volgens directeur Jan Sinke van woningcorporatie De Veste uit Ommen is het ware probleem dat in Nederland ‘het algemeen gevoel overheerst dat privaat en zelfstandig vaak onhandig en vooral een beetje eng is. Dan kun je maar beter terug in de schoot van moeder overheid.’ Hij vecht al jaren om van De Veste een commercieel vastgoedbedrijf te maken.

  • Auke van der Woud beschrijft in Koninkrijk vol Sloppen. Achterbuurten en vuil in de negentiende eeuw (2010) beeldend
    en helder het leven in de ernstig vervuilde en overbevolkte krotten in vooral Amsterdam. Hij schetst ook de sociaal-politieke discussies over hygiëne, huisvesting en armenzorg.
  • Voor de geschiedenis van de filantropische  woningbouwverenigingen van voor de Woningwet is nog altijd Woningbouw voor arbeiders in het 19de-eeuwse Amsterdam (1981) van Carol Schade belangrijk.
  • Bij de viering van honderd jaar Woningwet in 2001 verscheen onder redactie van Noud de Vreeze 65 Miljoen Woningen. Daarin staan zeer leesbare essays over de geschiedenis van de corporaties, maar ook over het succes van rijtjeshuizen, de modernisering van het huishouden, stapel- en villa bouw.
  • Er zijn veel boeken over individuele woningbouwverenigingen. Een aan te raden voorbeeld is Het Rode Geluk. Een geschiedenis van de Algemene Woningbouw Vereniging (2008). Cultuurpsycholoog en publicist Jos van der Lans geeft inzicht in oude sociaal-democratische idealen voor de volkshuisvesting en hoe het die in de hoofdstad is vergaan.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.