• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 6/2000

    Gepeperde cocktail

    Door: Bastiaan Bommeljé

    Op 28 mei jongstleden overleed Heleen Sancisi-Weerdenburg. Zij was slechts 56 jaar oud, en bij leven hoogleraar Oude Geschiedenis te Utrecht.


    Dat zij een enthousiasmerende en gedreven maar ook nietsontziende dame was (die even gemakkelijk etende studenten de collegezaal uitzette als universiteitsbestuurders recht voor hun raap bruuskeerde), doet nu helaas weinig meer ter zake. Dat zij, de dochter van een groenteboer, een internationale grootheid werd in de studie van het Oude Perzië en het Archaïsche Griekenland, klinkt thans als een obligaat in memoriam. Dat zij kort voor haar overlijden nog vreugde kon scheppen in het verschijnen van een bundel studies over de Atheense tiran Peisistratus die onder haar redactie tot stand kwam, behoort plots tot de voetnoten van de verleden tijd. Dat zij hardnekkig streed tegen wat zij zag als het old boys network van mannelijke hoogleraren die in achterkamertjes pokerden om de subsidies, posten en leerstoelen, is slechts een vage herinnering.
            Over dat alles wil ik het derhalve niet hebben. Wel over het feit dat Heleen Sancisi- Weerdenburg hoogleraar Oude Geschiedenis was, en dat zij internationaal kon meetellen wat ze wilde, dat ze kon enthousiasmeren en bruuskeren wat ze wilde, maar dat zelfs zij niet kon veranderen dat Oude Geschiedenis in Nederland eigenlijk niet meetelt als historische discipline. Dan bedoel ik niet alleen dat enkele leerstoelen Oude Geschiedenis al sinds jaren onder druk staan (onlangs nog dreigde de Universiteit van Leiden geen nieuwe hoogleraar meer te benoemen). En dan bedoel ik ook niet alleen dat zelfs het Historisch Nieuwsblad nauwelijks aandacht heeft voor historici Oude Geschiedenis, en ze ook nimmer meetelde in de lijstjes van meer dan wel minder publicerende vaderlandse geschiedkundigen (daarin zouden enkelen bovenaan staan) of ze niet opnam in de pikorde van de meer dan wel minder machtige geschiedschrijvers in Nederland (daarin zouden de meesten niet bovenaan staan). En dan bedoel ik zelfs niet alleen dat het In Memoriam van Sancisi-Weerdenburg in Elsevier een fotobijschrift had waarin stond dat zij ‘saaie dingen leuk bracht’ – u begrijpt het: die saaie dingen, dat is Oude Geschiedenis.
            Neen, ik bedoel dat alles tezamen. Het gaat om de optelsom van misverstanden die uitmondt in een abuis. Wanneer men echter zou nagaan welke tak van de geschiedschrijving de opwindendste intellectuele vorderingen heeft gemaakt sinds de Tweede Wereldoorlog, dan scoort Oudheid hoog. Waar elders in de historische wetenschap bestaat zo’n gepeperde cocktail van uitputtende Quellenforschung, sociologische inzichten, antropologische theorieën, archeologische visies op materiële cultuur, en een scherpe internationale arena van peer reviewing? Sterker nog: wie meent dat Fernand Braudel de ‘beste’ historicus van de vorige eeuw was (zoals Nederlandse geschiedkundigen doen volgens dit tijdschrift), heeft blijkbaar nooit gehoord van Moses Finley, Arnaldo Momigliano of Pierre Vidal-Naquet Alle drie zijn als historicus, als bronnenvorser en als geschiedschrijver (maar niet als organisator) de meerdere van Braudel – alle drie zijn historici Oude Geschiedenis. Alle drie hadden even veel belangstelling voor de oudheid als voor de moderne tijd, hetgeen voor de meeste historici van de moderne tijd niet andersom geldt. En juist dat is een teken aan de wand.