Home Dossiers Tweede Wereldoorlog De tragische misrekening van de Joodse Raad

De tragische misrekening van de Joodse Raad

  • Gepubliceerd op: 29 maart 2022
  • Laatste update 21 mrt 2023
  • Auteur:
    Teun Willemse
  • 17 minuten leestijd
Bart van der Boom
Hitler in de Tweede Wereldoorlog
Dossier Tweede Wereldoorlog Bekijk dossier

Collaborateurs die hun eigen hachje wilden redden – dat is hoe veel Nederlanders na de Tweede Wereldoorlog over de Joodse Raad dachten. De voorzitters zouden hun eigen volk hebben verraden door de bezetter te helpen bij de deportaties naar vernietigingskampen. Maar volgens historicus Bart van der Boom is de werkelijkheid veel minder zwart-wit.

Toen de Duitsers in februari 1941 de Joodse Raad in het leven riepen, kregen voorzitters Abraham Asscher en David Cohen te horen dat hun organisatie er verantwoordelijk voor werdin de Amsterdamse Jodenbuurt de rust en orde te bewaren. In de daaropvolgende tweeënhalf jaar groeide de Raad uit tot landelijk doorgeefluik van anti-Joodse maatregelen. Zelfs toen leden van de Raad in 1943 de opdracht kregen om vrijstellingen in te trekken en daarmee mede-Joden indirect aanwezen voor transport, predikten zij gehoorzaamheid.

Meer interviews met historici lezen? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

In De politiek van het kleinste kwaad beschrijft Bart van der Boom waarom de Joodse Raad voor die strategie koos. De tragische uitkomst van de samenwerking met de Duitsers vertroebelt volgens hem het historische beeld van de Joodse Raad.

In het boek Het verraad van Anne Frank, dat in januari is verschenen, wordt onterecht een lid van de Joodse Raad als dader aangewezen. U schreef in De Groene Amsterdammer dat de blunder te wijten is aan een verkeerd beeld van de Joodse Raad.
Bart van der Boom: ‘Volgens de onderzoekers kochten leden van de Joodse Raad hun veiligheid met lijsten van onderduikadressen, maar er is geen enkele aanwijzing dat de Raad dat soort lijsten bijhield. De onderzoekers snappen niet wat de Joodse Raad voor organisatie was. Het is een absurd idee dat de Raad lijsten van honderden onderduikers aan de bezetter doorgaf, terwijl de Duitsers zeiden dat gepakte onderduikers in concentratiekamp Mauthausen zouden belanden. De Raad reageerde tijdens de bezetting geschokt op overlijdensberichten uit dat kamp. Zijn politiek was erop gericht te voorkomen dat mensen in Mauthausen zouden belanden. Het boek geeft een cynische interpretatie die voorbijgaat aan wie de mensen in de Joodse Raad waren.’

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Wat voor mensen waren het dan?
‘Het waren allemaal hoogopgeleide mensen, die al voor de oorlog een grote rol speelden in het Joodse gemeenschapsleven. Bijna iedereen die iets voorstelde in Joods Nederland, zowel in Amsterdam als in de provincies, was op een of andere manier betrokken bij de Raad. De voorzitters Asscher en Cohen hoefden dan ook geen medewerkers te sprokkelen toen de bezetter de Joodse Raad in het leven riep. Dat de Raad uit de Joodse elite bestond, maakt duidelijk dat het niet om een vreemd project van buitenstaanders ging. Het was een mainstream organisatie. Tijdens de oorlog stapte er ook bijna niemand uit.’

De Joodse Raad is verguisd vanwege zijn rol bij de deportaties, maar u besteedt ook veel aandacht aan zijn maatschappelijke dienstverlening. Wat deed de Raad allemaal?
‘De Raad moest eigenlijk alle taken overnemen die de Nederlandse overheid normaal uitvoerde. De voorzitters vonden dat zij voor de Joden moesten zorgen, nu de rest van de wereld dat niet deed. Toen Joodse kinderen vanaf september 1941 alleen nog naar Joodse scholen mochten, hielp de Raad die scholen op te zetten. Het leven in de Joodse gemeenschap moest doorgaan, vonden Asscher en Cohen. Ieder kind dat nog een diploma haalde, was mooi meegenomen.

De Joodse Raad hield ook de gezondheidszorg draaiende. De organisatie financierde en runde ziekenhuizen die exclusief Joods waren, nadat Joodse artsen alleen nog voor Joodse patiënten mochten zorgen. Armenzorg bleef deels een gemeentetaak, maar ook daar leverde de Joodse Raad extra psychologische hulp. Medewerkers deden hun best om gezinnen bij elkaar te houden en daklozen onder te brengen. Ze zorgden voor mannen die de kluts kwijtraakten, vrouwen die met zelfmoordplannen rondliepen en ouders die niet meer voor hun kinderen konden zorgen. Zo probeerden ze toch een Joodse gemeenschap in stand te houden.’

‘Ieder kind dat nog een diploma haalde, was mooi meegenomen’

Dat leverde soms hartverscheurende situaties op.
‘De verhalen over gezinnen die uit elkaar vielen, grijpen je bij de keel. Zo was er een Joodse jongen die niet meer naar school kwam nadat zijn vader was gedeporteerd. Een sociaal werkster informeerde naar zijn afwezigheid en kreeg te horen dat de jongen niet naar school ging omdat hij geen sokken meer had. Hij bezat maar één paar, en dat moest worden bewaard voor de reis naar Polen. Dat is gruwelijk.

Het idee dat de Joodse Raad de maatschappelijke zorg voor deze gezinnen en kinderen op zich nam en hen tegelijkertijd zonder problemen liet vergassen, is krankjorum. Zo zitten mensen niet in elkaar.’

Waarom werkte de Joodse Raad dan toch mee aan opdrachten van de bezetter?
‘De Joodse Raad maakte een verkeerde inschatting van de voor- en nadelen van verzet. In 1941 stuurden de Duitsers honderden gezonde, onschuldige Joodse mannen als strafmaatregel voor verzet naar concentratiekamp Mauthausen in Oostenrijk. De overlijdensberichten uit dat kamp zorgden voor een enorme schok in Nederland. “Alles is beter dan dit,” schreef Cohen in een van zijn brieven. Vanaf dat moment ging de Joodse Raad ervan uit dat straf erger zou zijn dan gehoorzaamheid. De Raadsleden wilden de kans op represailles als razzia’s zo klein mogelijk maken. Probeer mee te werken, was het advies aan de Joodse gemeenschap, want de Duitsers hebben laten zien dat ze bereid zijn om over lijken te gaan. Duik niet onder, kom niet in opstand, saboteer niet.’

Maar de Joodse Raad in Twente zette wel in op onderduiken. Hoe is dat met elkaar te rijmen?
‘De Joodse Raad had een gecentraliseerd beleid waarin de provincies weinig te vertellen hadden. Amsterdam gaf instructies, de provincies voerden die uit. Soms volgde een provincie toch zijn eigen koers. In tegenstelling tot de rest van Nederland hamerde de Joodse Raad in Enschede inderdaad op onderduiken. De deportatie van Joodse mannen uit Hengelo en Enschede in de zomer van 1941 kan daarvoor een reden zijn geweest, maar die deportaties vonden ook elders in Nederland plaats.

Ik denk dat de leiders in Enschede avontuurlijker of wantrouwiger aangelegd waren dan Asscher en Cohen. De Joodse Raad in Enschede had bovendien de gelegenheid om mensen onderduik te bieden, dankzij goede contacten met de organisatie van verzetsman Leendert Overduin. De situatie in Enschede was een uitzondering, want de regel was gehoorzaamheid – ook in de provincies.

Individuele medewerkers van de Amsterdamse Joodse Raad raadden mensen soms ook heimelijk aan om onder te duiken. Zelfs Asscher zou dat geregeld hebben gedaan. De Joodse Raad beschouwde onderduiken uiteindelijk als een persoonlijke keuze.’

Kleding voor Joden die naar de kampen vertrekken wordt gerepareerd, eind 1942.

Kreeg de Joodse Raad tijdens de bezetting al kritiek?
‘De organisatie zou volgens sommigen tijdens de oorlog al zijn aangeduid als “Het Joods Verraad”, maar in de bronnen vond ik die term nauwelijks terug. Commentaar op de Joodse Raad is moeilijk in kaart te brengen, want er zijn weinig bronnen waarin mensen zich vrij konden uiten. In de illegale pers klonk wel kritiek. Het Parool schreef bijvoorbeeld dat de Raad moest worden opgeheven.

Begin 1942, ruim voordat de deportaties begonnen, belegde Cohen een bijeenkomst. Allerlei mensen die niet bij de Joodse Raad betrokken waren, nodigde hij uit om hun mening te geven. Er waren twee aanwezigen die vonden dat de Raad zijn medewerking moest stoppen, maar de overige genodigden steunden Cohen en zijn beleid. Het draagvlak binnen Joodse kring was dus groot, maar dat werd ingewikkelder toen in de zomer van 1942 de deportaties begonnen.’

Wat veranderde er toen in de positie van de Joodse Raad?
‘Er ontstond een kloof tussen beschermden en niet-beschermden. Medewerkers van de Raad kregen een vrijstelling voor transport. Door die Sperre kwam er een run op baantjes bij de Joodse Raad en ontstond het idee van “de laatste trein”: de hoge heren in de Joodse Raad wisten zichzelf goed te beschermen en zouden pas als allerlaatste op transport gaan. In de zomer van 1943, toen verreweg de meeste Joden al waren weggevoerd, ging er een wrange grap rond over de voorzitters: alleen Asscher en Cohen zijn nog over, de Duitsers eisen een halvering van de Raad, en dan zegt Cohen tegen Asscher: “Bram, ga jij maar, anders komt er een razzia.”’

Dat was ook het oordeel over de Joodse Raad na de oorlog: de leden hadden hun eigen hachje willen redden.
‘Dat is een cynische simplificatie die hun geen recht doet. Zelfbescherming speelde zeker een rol, dat kan niet anders. Toen de deportaties begonnen, vroeg iedere Jood zich immers af hoe hij daaraan kon ontkomen. Maar dat wil niet zeggen dat zelfbescherming de voornaamste reden was om met de bezetter samen te werken.

Bijna alle mensen met een leidende functie in de Joodse Raad zaten al op hun plek voordat de deportaties in 1942 begonnen. Tot die tijd was er nog geen sprake van vrijstellingen en leverde de samenwerking hun persoonlijk niets op. De leden en hoge medewerkers van de Joodse Raad geloofden blijkbaar in meewerken met de bezetter. Achteraf lijken de deportaties daarin een helder omslagpunt, maar de Joodse Raad wist niet waar die deportaties toe leidden. De kern van de zaak was een gebrek aan informatie.’

Kon de Joodse Raad niet méér weten over de deportaties dan de rest van Nederland?
‘De Raad kreeg informatie uit brieven van gedeporteerde Joden. Van de meeste mensen werd nooit meer iets gehoord, maar de brieven die wél binnenkwamen, suggereerden dat er sprake was van werkkampen. In die kampen zou het weliswaar zwaar zijn, maar de Joodse Raad hoopte dat het er vol te houden was. Brieven uit de kampen zetten de voorzitters op het verkeerde been, want het waren tekenen van leven. Een kamp waar je gevangen werd gehouden was bovendien de grens van het voorstellingsvermogen. Het idee dat een kamp een machine was waarin je onmiddellijk bij aankomst werd vermoord, kwam bij de Joodse Raad niet op. Net zoals dit bij de rest van Nederland niet opkwam.

‘Brieven uit de kampen zetten de voorzitters op het verkeerde been’

Het wrange is natuurlijk dat de Joodse Raad belang had bij een positief beeld van deportatie. Als Joden zich voor deportatie meldden, zou dat niet tot straffen leiden. Het is daarom de vraag of de voorzitters niet somberder wílden of niet somberder kónden denken over deportatie. Ik denk dat laatste, want ook buiten de Joodse Raad wisten weinig mensen wat er zich in de kampen afspeelde. Uit de dagboeken van Joden die onderdoken blijkt bijvoorbeeld dat zij geen realistischer beeld hadden van de deportaties dan Joden die niet onderdoken.’

Kunnen de onderduik- en overlevingscijfers van de Joodse Raad ons iets zeggen over het motief van zelfbescherming?
‘Leidende functionarissen van de Joodse Raad doken relatief meer onder dan andere Joden. Dat is deels te verklaren doordat zij later aan de beurt waren voor deportatie en doordat zij meer geld hadden om onder te duiken. Maar van de leiders in Amsterdam doken relatief juist weinig mensen onder: slechts 20 procent. De meesten van hen hadden meer vertrouwen in toezeggingen van de Duitsers dan in onderduiken. Weliswaar overleefden relatief veel leidende functionarissen, maar het is moeilijk om conclusies te verbinden aan deze cijfers, omdat ze alleen te vergelijken zijn met andere Joden die relatief lang buiten schot bleven. De meerderheid kwam nog steeds om. Als het hun bedoeling was alleen zichzelf te redden, is dat dus niet goed gelukt.’

Welke invloed had de Joodse Raad op het selecteren van mensen die onmiddellijk op transport moesten?
‘Asscher en Cohen kregen in mei 1943 opdracht om de helft van de medewerkers van de Joodse Raad aan te wijzen voor transport. Dat was de eerste keer dat de Raad actief selecteerde. Dat moment heeft dan ook een grote rol gespeeld in de naoorlogse beoordeling van de Raad. Eigenlijk was de Joodse Raad indirect al langer bezig met selecteren. De organisatie gaf sommige Joden immers wel een vrijstelling en andere Joden niet. Strikt genomen was het intrekken van een vrijstelling moreel niet anders dan het verstrekken ervan.’

Wees de Joodse Raad willekeurig mensen aan?
‘Nee, de voorzitters deden veel moeite om mensen te beschermen die in hun ogen de Joodse beschaving hoog konden houden. Zelfs toen de Joodse Raad moest halveren, hielden Asscher en Cohen vast aan het beschermen van mensen die in hun ogen het meest noodzakelijk waren om de werkzaamheden van de Joodse Raad voort te zetten. Ze kozen mannen en vrouwen die iets konden betekenen voor de Joodse gemeenschap, en dat waren vaak mensen uit Cohens eigen kring. De beschuldiging van vriendjespolitiek is begrijpelijk, maar het idee dat de Joodse Raad alleen met de bezetter samenwerkte om zichzelf te beschermen is te simpel.’

Was het voor Asscher en Cohen zo belangrijk om een Joodse gemeenschap in stand te houden?
‘Zij zagen de bezetting als hét moment om mensen terug te brengen naar het Jodendom. De Raad paste het idee toe van “een rest keert weer”. Dat is een bekend begrip in de Joodse cultuur: wij Joden hebben altijd slagen geïncasseerd, maar het Jodendom is blijven bestaan. In Het Joodsche Weekblad, het tijdschrift van de Joodse Raad, schreven rabbijnen bijvoorbeeld dat Joden alles wat er tijdens de bezetting gebeurde al eens eerder hadden meegemaakt.

In het idee van “een rest keert weer” zat ook een soort rechtvaardiging van de selectie: het was belangrijk dat het Jodendom zou overleven, dus moesten vooral de mensen die dat Jodendom bewust beleefden en er leiding aan konden geven beschermd worden. Daarmee beschermden Asscher en Cohen natuurlijk ook zichzelf, en dat maakt het ingewikkeld. Achteraf is “een rest keert weer” bovendien een tragische misrekening, omdat de “rest” na de Tweede Wereldoorlog wel erg klein was.’

Vond de Joodse Raad zichzelf succesvol?
‘Tot op zekere hoogte wel. De Raad probeerde mensen voor te bereiden op deportatie en het leven in een werkkamp. Ze maakten lijsten met spullen die je moest inpakken voor het geval je werd opgeroepen voor transport. Daarin vonden ze zichzelf succesvol, want iemand die met een goedgepakte rugzak op de trein stapte had het minder zwaar dan iemand die zonder warme kleding vertrok. Wat ze niet wisten, was dat die rugzakken achterbleven op het perron bij Auschwitz.

De voorzitters hadden bovendien het idee dat ze de deportaties konden rekken. De voorzitters dachten dat de oorlog niet lang zou duren, en dat gaf hun het gevoel dat het rekken van deportaties zinvol was. In dagboeken schreven sommige Nederlanders al in het najaar van 1940 dat de oorlog nog maar een paar maanden zou duren. Dat idee hadden de leden van de Joodse Raad dus gemeen met andere Nederlanders.

‘De voorzitters hadden het idee dat ze de deportaties konden rekken’

Asscher en Cohen schreven vaak dat ze de Duitsers succesvol tot concessies hadden bewogen, terwijl de bezetter zijn beloftes keer op keer brak. De voorzitters stelden hun achterban herhaaldelijk gerust dat de deportaties eindelijk afgelopen waren. Dat leek een soort wishful thinking, een blindheid voor de werkelijkheid. In de zomer van 1943 was duidelijk dat het spel uit was en het beleid van de Joodse Raad mislukt, maar het was misschien te laat om dat nog onder ogen te zien.’

Reflecteerde de Joodse Raad überhaupt op zijn samenwerking met de bezetter?
‘De Raad belandde in een soort cadans van noodhulp. Hij werd een machine die uit zichzelf doorrolde. Toch waren er best wat momenten waarop leden begonnen te twijfelen en zich afvroegen: moeten we hiermee doorgaan? Daar werd over vergaderd binnen de Joodse Raad zelf, maar ook met topambtenaren. In die vergaderingen hing een vrije sfeer: deelnemers konden vrijuit zeggen dat ze de samenwerking een schande vonden.

Ondanks die bezwaren werd het beleid om samen te werken vrij breed gedeeld. Steeds opnieuw dachten leden van de Raad dat ze weinig keus hadden. Ze slikten vernedering op vernedering, omdat ze dachten dat weglopen nog erger zou zijn. In sommige gebeurtenissen zagen de leden van de Joodse Raad dat idee bevestigd. In Groningen weigerden Joodse artsen bijvoorbeeld om Joden te keuren voor transport. Vervolgens moesten ze toezien hoe NSB-artsen iedereen goedkeurden voor deportatie, terwijl de Joodse artsen mensen hadden kunnen afkeuren. Achteraf had de Joodse Raad niet met de Duitsers mee moeten werken, maar destijds was het moeilijk voorstelbaar dat weigeren de beste strategie was.’

Is de Joodse Raad daar te hard op afgerekend?
‘De Joodse Raad is veel te veel beoordeeld op het resultaat. De uitkomst van het beleid van Asscher en Cohen leidde na de oorlog vaak tot de conclusie dat de hoge functionarissen wel uit eigenbelang moesten hebben gehandeld. Het was achteraf zó duidelijk dat de Joodse Raad niet mee had moeten werken, daar kon alleen maar eigenbelang achter zitten. Maar zo simpel was het niet.

De uitkomst van de samenwerking was rampzalig, maar dat is niet de discussie die gevoerd moet worden. Asscher en Cohen vonden dat na de oorlog immers zelf ook. “Als ik wist waar de treinen naartoe gingen,” zei Asscher, “dan had ik toch meteen mijn kinderen en kleinkinderen laten onderduiken?” Dat vind ik een sterk punt.

Een betere vraag is of het tijdens de Tweede Wereldoorlog begrijpelijk was wat de Joodse Raad deed. Konden zij hun keuzes destijds rechtvaardigen? Die vraag hebben historici zich na de oorlog te weinig gesteld.’

Muziekles voor Joodse kinderen, georganiseerd samen met de Joodse Raad, maart 1943.

Gebeurde dat in het buitenland wel?
‘Ook in Frankrijk en België werd de Joodse Raad na de oorlog verguisd, maar de resultaten waren daar minder desastreus. De Franse en Belgische Joodse Raad werden pas later in de oorlog opgericht en hadden minder invloed dan die in Nederland. Bovendien waren de deportatiepercentages daar veel lager dan in Nederland, dat maakte de situatie minder pijnlijk.

Toch is de vergelijkbaarheid van de Joodse Raden gering, want de omstandigheden verschilden per land. De Duitsers richtten Joodse Raden op volgens twee modellen: in Duitsland, Frankrijk en België was er sprake van een landelijke vereniging, in Oost-Europa ging het om lokale Raden. Nederland kreeg een mengvorm: het begon met een lokale Joodse Raad in Amsterdam, die daarna zeggenschap kreeg over het hele land.

Overal in bezet Europa werden Joodse Raden aanvankelijk geleid door gerespecteerde, gezeten leiders. Zij kozen allemaal voor gehoorzaamheid. Daarin was Nederland dus geen uitzondering. Maar in Oost-Europa waren er minder alternatieven voor gehoorzaamheid; vluchten en onderduiken waren daar moeilijker. De Joodse Raad werd er bovendien meer bedreigd; het kwam geregeld voor dat de hele Raad tegen de muur werd gezet.’

Bent u bang dat uw boek als een verdediging of vergoelijking van de Joodse Raad zal worden gezien?
‘Misschien moet ik me daarvoor schrap zetten, want de Joodse Raad heeft een verschrikkelijk imago. Veel mensen dachten na de oorlog dat hun vader of oom nog zou leven als de Joodse Raad hun geen waardeloos advies had gegeven. Ik wil de Joodse Raad niet vergoeilijken, maar uitleggen waarom de Raadsleden deden wat ze deden. Dat begrip laat minder ruimte voor morele verontwaardiging.

Er zijn vast mensen die vinden dat elk begrip voor de Joodse Raad uit den boze is, maar dat doet er niet toe. Als wetenschapper schrijf je niet op wat mensen willen horen, je schrijft hoe je denkt dat het zit. Het boek kan bovendien een geruststelling zijn. Met het wereldbeeld van toen koos de Joodse Raad voor een logische manier van optreden. Het sombere beeld dat Joden verkocht zijn door hun eigen mensen is overtrokken. De Joodse Raad had vooral goede bedoelingen, die slecht uitpakten.’

Bart van der Boom

doceert geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Hij doet onderzoek naar de moderne Nederlandse geschiedenis en de Tweede Wereldoorlog. Zijn boek Wij weten niets van hun lot. Gewone Nederlanders en de Holocaust werd bekroond met de Libris Geschiedenis Prijs 2012. Half april verschijnt De politiek van het kleinste kwaad. Een geschiedenis van de Joodse Raad voor Amsterdam, 1941-1943.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 4 - 2022