De gevestigde orde vond punkmuziek niet om aan te horen, maar voor veel jongeren was dat juist de aantrekkingskracht ervan. ‘Deze muziek ging over echte vrijheid. Zijn wie je écht bent. Liefst aanstootgevend.’
Het succes van punk kent vele vaders, maar dat de conceptie in New York plaatsvond, lijdt geen twijfel. Het begon met de New York Dolls, een band die begin jaren zeventig de stad al onveilig maakte. Als een reactie op de toenmalige rockmuziek, die hun te ernstig en te saai was geworden (denk aan Led Zeppelin en Yes), keerden zij terug naar de rauwe eenvoud van de rock-‘n-roll.
De band viel kort daarna uit elkaar, maar kreeg navolging in de scene rond de muziekclub CBGB in New York. De groezelige club, gevestigd in achterstandswijk de Bowery, werd de pleisterplaats van bands die ook back-to-basics wilden, zoals Television, Blondie, Patti Smith en de Ramones.
Toen de Ramones er op 16 augustus 1974 hun live-debuut maakten, vielen de monden open. ‘Die gasten droegen allemaal zwarte leren jekkers. Ze telden af en toen kwam er een muur van lawaai op ons af. Ze zagen er heel merkwaardig uit. Dat waren duidelijk geen hippies, dit was iets totaal nieuws,’ herinnerde Legs McNeil zich, een fan die een jaar later het magazine Punk oprichtte.
Op hun titelloze debuutplaat ramden de Ramones er in 28 minuten veertien songs door. Zo snel, compact en luid had niemand eerder gespeeld. Jongeren waren er dol op, maar de gevestigde media huiverden. Een recensent omschreef de sound als ‘10.000 toiletten die simultaan werden doorgespoeld’ en een radiodeejay liet live horen hoe hij de schijf aan gruzelementen gooide tegen de studiomuur. Voor hun fans was die aversie een reden temeer om de band te koesteren.

Dit artikel is exclusief voor abonnees
Punk trekt jonge misfits aan
De punkers gingen zich ook op een geheel eigen manier kleden. Hun stijl was te danken aan het koppel Malcolm McLaren en Vivienne Westwood dat in Londen aan King’s Road de boetiek Let It Rock uitbaatte. Eerst richtten ze zich op de dandyeske kledingstijl van de Teddy boys, een subcultuur uit de jaren vijftig die met de rockabilly flirtte. Tot in 1972 leden van de New York Dolls de winkel bezochten. McLaren werd verliefd op de androgyne mix van veel leder en jarretels waarmee zij zich uitdosten.
Daarom gooide hij het roer om. Hij herdoopte de naam van zijn shop in SEX en hing die in grote roze letters op. Voortaan zetten McLaren en Westwood bdsm-kleren als alternatieve streetwear in de etalage. Onder het label ‘Clothes for Heroes’ ontwierp Westwood een reeks kleren die het punkuniform vormgaven: leren jekkers uiteraard, maar ook T-shirts met pornobeelden en politieke slogans. Anti-hippie McLaren nam de leuze ‘destructie is creatie’ over van de negentiende-eeuwse anarchist Michail Bakoenin. ‘Omdat iedereen doorkreeg dat peace and love gefaald hadden, koos de volgende generatie voor woede,’ aldus Caroline Coon, een journalist die over punk begon te schrijven voor Melody Maker.

Het aparte karakter van de shop trok jonge misfits aan. De boetiek gaf hun het gevoel uniek en belangrijk te zijn. McLaren bedacht een band waarmee zij zich konden identificeren: de Sex Pistols. Hij plukte de bandleden letterlijk van de straat. Het was geen vereiste dat ze muziek konden maken. Wel gaf McLaren aan gitarist Steve Jones de eerste platen van de New York Dolls mee als richtsnoer.
McLaren ging er altijd prat op dat hij de punk had uitgevonden, terwijl hij deze muziek alleen een look had gegeven en verkoopbaar had gemaakt. Degenen die écht aan de basis stonden waren zich niet bewust van wat ze in gang hadden gezet. Sylvain Sylvain, gitarist van de New York Dolls, zei in 2006 in het muziekblad MOJO: ‘We hadden zeker geen masterplan, we deden maar wat. Vrouwenkleren aantrekken was niet eens een bewuste keuze. We wilden gewoon opvallen. Anderen haakten erop in en cashten, maar wij liepen zo snel dat we onze benen braken.’
Johnny Rotten (echte naam: John Lydon), die door McLaren was aangezocht om frontman te worden van de Sex Pistols, zei in interviews dat hij niet onder de indruk was van de scene in New York. De Ramones waren volgens hem een gimmick, gasten die zich bewust dommer voordeden dan ze waren. En het intellectuele imago van een Patti Smith, die met poëzie van Arthur Rimbaud koketteerde, stond hem evenmin aan.

De Queen kreeg een veiligheidsspeld door haar mond
Die sneren pasten bij de confronterende stijl die Rotten moest uitstralen. Toen de Sex Pistols op 12 februari 1976 het voorprogramma verzorgden voor Eddie and the Hot Rods in The Marquee in Londen, begon de zanger stoelen in het rond te gooien. Hij daagde op een heel agressieve manier het publiek uit. Bovendien sloopte hij de geluidsinstallatie van de Hot Rods. In de bespreking van het optreden in muziekblad NME (New Musical Express) dook voor het eerst het woord ‘punk’ op.
Enkele maanden eerder was er in New York al wel een magazine verschenen met die naam: Punk. In zijn boek Please Kill Me legde oprichter Legs McNeil uit wat het woord voor hem betekende: ‘Punk ging over echte vrijheid, persoonlijke vrijheid. Zijn wie je écht bent. Liefst aanstootgevend. Dat gaf een verrukkelijk gevoel, heel euforisch.’ In het Engels is ‘punk’ van oorsprong een belediging. Het kan ‘bandiet’ betekenen, ‘tuig’, ‘nietsnut’ of ‘hoer’. Het werd ook tegen homoseksuelen geroepen om te kwetsen.
Het blad Punk combineerde muziek met strips. Die sloten aan bij de visuele taal van de punk. Jamie Reid, een oud studiegenoot van Malcolm McLaren aan de kunstacademie, ontwierp de hoezen voor de Sex Pistols door gebruik te maken van collage- en stenciltechnieken. Hij kopieerde, verknipte, beplakte en kleurde foto’s. Zo ook de staatsiefoto’s van de Britse koningin Elizabeth, die in 1976 vierde dat ze 25 jaar op de troon zat. In een van de ontwerpen voor de hoes van de single God Save the Queen wordt de Queen de mond gesnoerd door een veiligheidsspeld.

Reid was beïnvloed door het situationisme, een artistieke verzetsbeweging uit de jaren zestig die streefde naar een permanente revolutie. De beweging verspreidde radicale pamfletten die gebaseerd waren op kranten- en magazineknipsels en flarden uit boeken. Jamie Reid en McNeil inspireerden punkliefhebbers om in dezelfde esthetiek eigenhandig tijdschriften te maken, de zogeheten fanzines. Ze schreven – soms met de hand, soms op de typemachine – artikelen over muziek, anti-kapitalisme, het milieu en de queer-gemeenschap. Die goten ze in een chaotisch design met knip-en-plaktypografie, fotocollages en andere in elkaar geknutselde illustraties. Punkzines als Sniffin’ Glue waren bedoeld als antigif tegen de glossy magazines van dat moment. Erachter school hetzelfde empowerment-principe als in de muziek, die zwoer bij de eenvoud van drie akkoorden: iedereen kan creatief zijn!
De do-it-yourself-filosofie van de punk uitte zich ook op andere domeinen. Zo ontstonden er heel wat kleine, onafhankelijke platenlabels. Muziekstudio’s schakelden in de tweede helft van de jaren zeventig over op nieuwe, digitale technologie, waardoor de oude apparatuur betaalbaar werd voor kleine spelers. De Britse punkband Buzzcocks leende 500 pond bij familie en vrienden om in 1977 hun eerste EP Spiral Scratch op te nemen en in eigen beheer uit te brengen. Promotie voor de plaat maakten ze in de fanzines. Dat opende de ogen van andere bands. Buzzcocks toonden dat je muziek kon uitbrengen zonder grote platenmaatschappijen.

Al wisten die wel de grootste bands van de eerste punkgolf te contracteren: de Sex Pistols, de Ramones, The Stranglers, The Jam en The Clash. Soms slokten ze zelfs kleine labels op. Maar onder meer Factory en Rough Trade wisten door te groeien en kwamen stevig op eigen benen te staan.
In zijn autobiografie No Irish, No Blacks, No Dogs vertelde John Lydon dat hij de muziekindustrie van binnenuit wilde vernietigen. In twee jaar had hij met de Sex Pistols bij maatschappij EMI voldoende verdiend om met zijn volgende band Public Image Ltd. eigen baas te worden en de volledige creatieve controle te behouden.
New wave
Na twee jaar Sex Pistols sloeg zanger John Lydon met Public Image Ltd. een bredere muzikale richting in. Ook andere bands zoals The Clash, The Jam en Siouxsie and the Banshees raakten vlug uitgekeken op de rigide eenvoud van de punk. In New York braken onder meer de Talking Heads uit het nauwe jasje van de punkrock. Vanaf dat moment werd er over ‘postpunk’ of ‘new wave’ gesproken. De meeste punkbands die wel vasthielden aan hun muzikale dogma’s zakten snel weg in de anonimiteit.
Nog steeds klinkt overal punkmuziek
Punkers stimuleerden ook het hergebruik van materialen. Bijvoorbeeld van de lipjes van drankblikjes die ze, samen met veiligheidsspelden en nagels, op de achterkant van hun jassen prikten. De fanzines promootten volop het shoppen in tweedehandswinkels. De term consuminderen bestond toen nog niet, maar het principe werd al wel in de praktijk gebracht.
Verder daagden Patti Smith en Poly Styrene (frontvrouw van X-Ray Spex) genderstereotypen uit en braken ze een lans voor vrouwenrechten. ‘Ik waarschuwde mensen: als jullie van mij een sekssymbool willen maken, dan scheer ik mijn haar af,’ zegt Styrene erover.
Punk was overduidelijk anti-establishment en een antwoord op het onrustige politieke klimaat en de economische recessie van eind jaren zeventig. ‘We komen in actie tegen onwetendheid,’ zei Joe Strummer, zanger van The Clash. Die band schrok er niet voor terug om in songs issues als racisme, sociale ongelijkheid en anti-imperialisme aan te snijden. En manifesten als London Calling en Know Your Rights riepen de jeugd op de straat op te gaan en te protesteren.

The Clash noemde hun vierde album onverholen Sandinista!, een hommage aan de toenmalige, marxistisch geïnspireerde beweging onder leiding van Daniel Ortega in Nicaragua. Menige punkband hing het anarcho-communisme aan, dat het niet pikt dat een kleine elite beslist in kwesties die iedereen aangaan.
Er wordt nog altijd, over heel de wereld, punkmuziek gespeeld – tot in Nepal, China, Fiji, Rusland en Tsjechië toe. Ook het bijbehorende ideeëngoed blijft leven. Vivienne Westwood bleef als designer de punkspirit uitdragen, ook in haar haute-couturecreaties. Ook andere modeontwerpers als Walter Van Beirendonck en Raf Simons deden dat met streetwear, die zwaar is beïnvloed door de punk. En Katharine Hamnett kwam met T-shirts met sociaal bewogen slogans.
Op sociale media delen makers met een punkachtergrond tegenwoordig tutorials over hoe je afgedankte kleding een tweede leven geeft. En wie de guerrilla-streetart van Banksy ziet, begrijpt dat die schatplichtig is aan de subversieve stijl van politiek geïnspireerde collega-kunstenaars als Winston Smith en Gee Vaucher. De erfenis van de punkbeweging uit de jaren zeventig is dus aanzienlijk.
Meer weten
- Global Punk (2016) door Kevin Dunn toont hoe punk nog steeds een levenshouding is.
- Please Kill Me (1996) door Legs McNeil en Gillian McCain behandelt de geschiedenis van de punkbeweging.
- Punk: An Aesthetic (2012) door Jon Savage e.a. over de punkrevolutie in de wereld van design en kunst.
