• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 4/2003

    De oliecrisis in 1973

    De regering-Den Uyl was volkomen overgeleverd aan de oliemultinationals

    Door: Maurice Blessing

    In oktober 1973, begon het overgrote deel van de Arabische olieproducerende landen een olieboycot tegen Nederland vanwege de pro-Israëlische politiek van het kabinet-Den Uyl. Dat leidde tot autoloze zondagen en benzinedistributie. Oud-Shell-topman Lex Helfrich: ‘Bij Shell zeiden we: ”Als je nou weer een tank aan Israël verkoopt, denk je er dan aan dat dat emoties opwekt in landen waar wij grote belangen hebben?”’

    ‘Kiele-kiele-Koeweit? Dat ken ik nog wel,’ zegt Lex Helfrich (76), voormalig president-directeur van Shell Nederland. De oud-topman van de oliemultinational moet het plaatje van het satirisch televisieprogramma Farce Majeur – dé carnavalskraker van de ‘crisiswinter’ 1973-’74 – zelfs nog ergens hebben. ‘We lachten ons rot! Het was héél leuk.’ Tijdens de oliecrisis – die officieel duurde van oktober 1973 tot juli 1974 – was Helfrich directeur Verkoop van Shell Nederland Verkoopmaatschappij. ‘In die tijd wilde dat zeggen: marketingdirecteur,’ legt de olieman uit in zijn villa te Wassenaar. ‘Ik had dus te maken met distributieaffaires, export en dat soort dingen, en had daarom veel contact met het ministerie van Economische Zaken. De oliecrisis heb ik dus van zeer nabij meegemaakt.’

    De aanleiding tot de oliecrisis was een nieuwe oorlog in het Midden-Oosten. Op 6 oktober 1973 hadden de legers van Egypte en Syrië de Israëlische troepen bij een verrassingsaanval overrompeld. Het Israëlische leger leed in eerste instantie verpletterende nederlagen. Helfrich kreeg het nieuws thuis te horen; hij dacht meteen aan de olie. ‘Het Midden Oosten is een héél groot bevoorradingscentrum van ruwe olie. En de grootste olieraffinaderij ter wereld staat in Pernis, in Rotterdam. Dus als zo’n oorlog begint, dan denk je onmiddellijk aan wat dat gaat betekenen voor onze olietoevoer en voor de raffinaderij.’

    De gedachten van de Nederlandse regering bleken echter naar andere zaken dan de olievoorziening uit te gaan. In mei van 1973 was er een progressieve regering aangetreden, onder leiding van de PvdA-premier Joop Den Uyl. Die had niet alleen een grondige hekel aan multinationals, maar stond tijdens de oorlog in 1973 ook pal achter Israël.

    Zo kwam Nederland, anders dan andere Europese landen, onmiddellijk na het uitbreken van de oorlog met een pro-Israëlische verklaring, waarin het Syrië en Egypte tot agressors bestempelde. Ook besloot Nederland tot geheime wapenleveranties aan Israël, die echter al snel wereldwijd bekend werden. Daarnaast hield het kabinet een pro-Arabische verklaring van de EG tegen, wat leidde tot boze Arabische ambassadeurs op de stoep van PvdA-minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel. Ten slotte verscheen PvdA-minister Vredeling van Defensie op een pro-Israël-manifestatie in Amsterdam.
     

    De gedachten van de Nederlandse regering bleken echter naar andere zaken dan de olievoorziening uit te gaan.

    Op 21 oktober riep de Arabische Liga zijn leden op tot boycotmaatregelen tegen Nederland. Irak nationaliseerde het Shell-aandeel in een Irakese oliemaatschappij. Syrië en Jordanië riepen op tot een boycot van de KLM. In de volgende dagen zou de overgrote meerderheid van de Arabische olieproducerende landen een olieboycot tegen Nederland instellen.

    Op het hoofdkantoor van Shell in Den Haag werd het pro-Israëlische optreden van de Nederlandse bewindslieden met gemengde gevoelens gadegeslagen. Een verontruste president-directeur van Shell, Gerrit Wagner, vroeg op 22 oktober een gesprek aan met minister Van der Stoel van Buitenlandse Zaken, om aan te dringen op meer ‘evenwicht’ in het Nederlandse beleid. ‘Ach ja, je vindt het niet leuk,’ licht Helfrich de ergernis van Shell toe. ‘Maar regeringen zijn nu eenmaal belangrijke partijen. Dus daar moet je gewoon mee leren leven. Wel zeiden we: ”Als je nou weer een tank aan Israël verkoopt, denk je er dan aan dat dat emoties opwekt in landen waar wij grote belangen hebben?”’
     

    Seven Sisters

    Uit angst voor olieschaarste bepleitte minister Van der Stoel een verdelingssysteem binnen de Europese Gemeenschap, dat inhield dat olietekorten in een EG-land werden aangevuld door de andere EG-landen. Tevergeefs, want de Arabische landen hadden inmiddels een algehele productiebeperking ingesteld, om extra politieke druk op het Westen uit te oefenen en de prijzen verder op te drijven. In reactie hierop ontstond een ware scramble for oil: de EG-leden stelden zich ten doel eerst en vooral hun eigen olievoorziening veilig te stellen. Politieke concessies ten aanzien van de Arabische landen werden hierbij niet geschuwd. Engeland en Frankrijk drongen er bij Nederland op aan de Arabische landen meer tegemoet te komen, om zo de eigen olieproblemen op te lossen.

    De situatie leek voor Nederland nijpend te worden. De helpende hand kwam van de oliemultinationals, en vooral Shell, dat als internationaal bedrijf niet onder het embargo viel. ‘Nou ja, natuurlijk kun je dat zo stellen,’ reageert Helfrich. ‘Het klinkt erg sympathiek, maar het gaat er natuurlijk om dat je je klanten zo goed mogelijk wilt bedienen. Een multinational als Shell moet nu eenmaal aan de lange termijn denken. Dat is goed ondernemerschap, denk ik.’

    Shell, British Petrol en vijf Amerikaanse oliebedrijven, samen de ‘Seven Sisters’ genoemd, hielpen Nederland door de olietoevoer naar Europa te herverdelen. De verminderde olietoevoer werd gelijkelijk verdeeld onder de Europese afnemers. Nederlandse olie kwam uit niet-embargolanden als Nigeria en Venezuela, vertelt Helfrich. De enige protesten kwamen uit Londen en Parijs. Helfrich: ‘Engeland en Frankrijk wilden er absoluut zeker van zijn dat zij genoeg olie kregen. Maar we hebben de schaarste eerlijk verdeeld.’ Zo ontstond een opmerkelijke situatie: de progressieve regering-Den Uyl, met haar uitgesproken weerzin tegen de macht van de multinationals, was nu volkomen overgeleverd aan de oliemultinationals. Helfrich, met lichte spot: ‘Ja, meneer Den Uyl, die wilde het socialisme invoeren. Die had geen tijd voor de multinationals. Maar er was natuurlijk een enorm belang om samen te werken, en dat werd in Den Haag begrepen.’

    Intussen bezon de regering zich op maatregelen om de olievoorraden blijvend veilig te stellen. Helfrich had in die dagen bijna dagelijks contact met Economische Zaken. Ook werd op het ministerie een speciaal bureau opgericht, bemand door voornamelijk mensen van de oliemaatschappijen die deel uitmaakten van de Seven Sisters. Karel Schouten, oud-Shell-topman, werd er voorzitter van. ‘Dat bureau was internationaal, maar omdat Shell zo groot is hadden wij daar natuurlijk een aantal mensen in,’ licht Helfrich toe.

    Het Nederlandse beleid werd in deze dagen geheel gebaseerd op de cijfers van de oliemaatschappijen, zowel van olieproductie, als van voorraden en afname door de klanten. ‘De regering had daardoor een heel goed inzicht in die dingen,’ zegt Helfrich. ‘We maakten afspraken dat we alle klanten 10 tot 15 procent minder leverden. En bij de grote klanten hielden we ook hun voorraden in de gaten. Je wist niet hoe lang de boycot zou duren en was dus eigenlijk bezig een distributiesysteem van de toekomst in elkaar te zetten.’
     

    Fietsen

    Omdat de oliemaatschappijen onafgebroken een somber beeld schetsten, besloot de regering tot het instellen van de fameuze autoloze zondagen. Op 31 oktober trad deze maatregel formeel in werking. Veel zoden zette dat niet aan de dijk, meent Helfrich. ‘Misschien een klein beetje; in het gunstigste geval had je eenzevende minder gebruikt. Maar in de praktijk haalde je dat niet, omdat mensen op zaterdag en maandag meer gingen rijden.’ Helfrich vermoedt dan ook dat het karakter van Den Uyl een rol speelde bij de invoering van de autoloze zondagen. ‘Hij was toch een moralist, hè? Ik denk dat het toch een beetje was van ”het is goed voor de mens om eens een stukje te lopen of te fietsen”.’

    Dat de voorspellingen van de oliemaatschappijen te somber waren, werd pas achteraf geconstateerd. Rotterdam bood als doorvoerhaven voldoende gelegenheid om het embargo te omzeilen. Uiteindelijk had Nederland zoveel olievoorraden dat oude olietankers voor de Nederlandse kust werden volgepompt vanwege opslagproblemen in de Botlek. Daarnaast was Nederland mede vanwege de aardgasbel bij Slochteren maar voor vijftig procent afhankelijk van olie-import – aanzienlijk minder dan de andere Europese landen.

    De invoering van het benzinedistributieplan werd een gigantisch fiasco

    Had Shell er geen belang bij de prognoses negatief te houden om daarmee schaarste te creëren en hoge olieprijzen in stand te houden? ‘Grote onzin,’ vindt Helfrich een dergelijke redenering. ‘Daarvoor hadden we een dubbele boekhouding moeten aanleggen. De regering kreeg gewoon haar cijfers. Het kan zijn dat we somberder zijn geweest dan achteraf nodig was, maar ik noem dat zorgvuldigheid. Achteraf is het natuurlijk altijd makkelijk praten.’

    Medio december 1973 werd Helfrich, samen met vertegenwoordigers van andere oliemaatschappijen, door premier Den Uyl op het Catshuis uitgenodigd. De regering liet hem weten benzinedistributie te willen invoeren. Iedere benzinegebruiker zou door middel van uitgifte van distributiebonnen aan een bepaald quotum onderworpen worden. De oliemaatschappijen verklaarden dat geen goed idee te vinden. ‘Nederland is geen eiland,’ zegt Helfrich. ‘We zeiden: ”Als je gaat distribueren, creëer je hier schaarste. Maar de grenzen met België en Duitsland zijn open, dus lukt dat niet. Dan lekt dat weg.” Bovendien vonden wij het prematuur. De voorraden waren immers op peil.’

    Desondanks besloot de regering de distributieplannen door te zetten. De invoering daarvan, in januari 1974, werd een gigantisch fiasco. De distributie werd massaal ontdoken door de burger, die over de grens tankte, en de pomphouders, die ruimschoots – hoewel illegaal – benzine bleven leveren. Deze collectieve ontduiking van de distributie had zeker te maken met het feit dat het de burger inmiddels duidelijk was geworden dat Nederland er helemaal niet zo slecht voor stond. Daar kwam bij dat de meeste Arabische landen inmiddels van het embargo af wilden, en de toevoer van olie het oude volume weer begon te benaderen. Helfrich zegt de beweegredenen van de regering-Den Uyl niet te begrijpen. ‘Ik was er toen wel verbaasd over. Mogelijk had men nog somberder verwachtingen dan wij. Het laat wel zien dat het niet klopt dat wij schaarste wilden creëren. Dan hadden we wel gezegd: voer maar distributie in.’ Officieel zou de olieboycot van de Arabische OPEC-leden voortduren tot 10 juli 1974. In de praktijk stelde het toen al niets meer voor.

    In de zachte wintermaanden van 1973-’74 waren de economische doemscenario’s en de collectieve vrees voor een olietekort als sneeuw voor de zon verdwenen. Overgebleven waren burgerlijke ongehoorzaamheid en algehele hilariteit, treffend geïllustreerd door de hit ‘Kiele, kiele, Koeweit’ van Farce Majeur ? veroorzaker van een diplomatiek relletje met Koeweit. Helfrich: ‘De regering vond dat natuurlijk niet leuk, maar wij vonden het gewéldig!’