• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 1/2021

    ‘De Indonesische revolutie heeft de wereld veranderd’

    Door: Bas Kromhout

    In zijn nieuwe boek Revolusi voert David Van Reybrouck de lezer mee naar Indonesië. Aan de hand van vele interviews met ooggetuigen toont hij de diepe sporen die het Nederlandse kolonialisme, de Japanse bezetting en de strijd voor onafhankelijkheid hebben nagelaten. Van Reybrouck opent enkele deuren die voor Nederlandse historici gesloten bleven. ‘Ik was gebaat bij mijn positie als Belgische outsider.’

    U hebt dezelfde methode toegepast als voor uw eerdere boek over Congo: uitgebreide literatuurstudie plus interviews met 185 ooggetuigen. Wat dreef u om nog een keer aan zo’n enorm karwei te beginnen?

    ‘Op het moment dat ik eraan begon was ik al een beetje vergeten hoe het is om zo’n boek te schrijven. Net zoals ouders vaak vergeten hoe moeilijk de periode net na de geboorte van hun eerste kind was. Het idee voor dit boek is ontstaan in Congo, toen ik in de restanten van een Vlaams bibliotheekje een kopie van Max Havelaar vond. Ik las het ter plekke en ik zag parallellen met Congo. Een goede vriendin van me, de schrijfster Bregje Hofstede, had een soort derde oma – een Indische vrouw die veel voor haar gezorgd heeft. Ik had al laten doorschemeren dat Indië mij interesseerde en Bregje zei: “Als je haar wilt interviewen, moet je niet te lang wachten.” Dit was in 2015. Idealiter zou ik me het liefst twee à drie jaar inlezen en dan pas interviews afnemen, maar ik ben dit keer meteen begonnen met mensen interviewen. Ik besefte dat ik me moest haasten, want de laatste ooggetuigen waren echt stokoud aan het worden.’

    In welke leemte voorziet dit boek?

    ‘Zoals wel vaker schreef ik een boek dat ikzelf had willen lezen. Een boek dat mij inzicht zou geven in wat er gebeurd is tijdens de koloniale periode, de Japanse bezetting en de dekolonisatie. Het was voor mij al vrij snel duidelijk dat ik de internationale context goed wilde belichten. De koloniale geschiedenis wordt veel te vaak als binair beschreven: Nederland-Indonesië, België-Congo et cetera. Ik vind dat heel raar. De invloed van andere landen en grootmachten was cruciaal.

    Toen ik al ver gevorderd was, afgelopen maart, zag ik cijfers uit een onderzoek van YouGov waaruit bleek dat de helft van de Nederlanders trots is op het koloniale verleden, een kwart van hen de koloniën terug wil en maar 6 procent zich schaamt voor wat er is gebeurd. Ik was verbijsterd. Dat gaf me extra motivatie.’

    Er komen andere cijfers uit de Geschiedenismonitor die Historisch Nieuwsblad in 2018 liet uitvoeren. Op de vraag aan een representatieve poule Nederlanders of zij zich schamen voor een historische gebeurtenis, noemt 29 procent slavernij en 19 procent kolonialisme.

    ‘Bij onderzoeken is de vraagstelling essentieel. Ik vond het opvallend dat hoogopgeleide Nederlanders die ik ken nog nooit gehoord hadden van iemand als kapitein Raymond Westerling [verantwoordelijk voor massa-executies op Sulawesi, red.] of het interneringskamp Boven-Digul. Het ligt niet aan de Nederlandse geschiedschrijving, want er zijn al sinds de jaren zeventig uitstekende en kritische studies verschenen. Maar er gaapt een kloof tussen de beschikbare kennis en het collectieve geheugen.’

    David Van Reybrouck. Foto: Frank Ruiter/Lumen.

    Is dat niet onvermijdelijk? Hebben Belgen bijvoorbeeld meer historische kennis dan Nederlanders?

    ‘Ik denk dat het in België ook niet overloopt. Maar daar krijgt iedere scholier nog altijd zes jaar lang twee uur per week geschiedenisonderwijs. In Nederland is het na drie jaar facultatief. Bovendien heeft men hier tot 2000 vooral historische vaardigheden onderwezen. Gelukkig is er sindsdien weer meer waardering gekomen voor feitenkennis. Wat het koloniale verleden betreft zijn instituties als het Rijksmuseum, het Scheepvaartmuseum en de Bosatlas nu pas aan een inhaalslag begonnen. Nu pas wordt een generatie daarmee geconfronteerd. Ik hoop dat mijn boek gelezen wordt door leerkrachten, door jonge mensen en door mensen die later gemigreerd zijn naar Nederland.’

    Heeft de Indische gemeenschap in Nederland bijgedragen aan een te idyllisch beeld van het kolonialisme?

    ‘De Nederlanders en Indische Nederlanders die na de revolutie hun land moesten verlaten, en die getraumatiseerd waren, hebben natuurlijk het beeld mede bepaald. Zij hadden heimwee naar Indonesië, nadat ze er waren verstoten. Ze hadden er vaak een comfortabel leven met riante huizen, grote tuinen en zeer betaalbaar huispersoneel. De Indische Nederlanders waren wel vaak de meest benadeelden van de meest bevoordeelden en dragen veel leed met zich mee: in de koloniale tijd, de Japanse tijd en tijdens de Bersiap vielen ze tussen wal en schip. En er waren natuurlijk Indische Nederlanders die het niet zo goed hadden. Sommige kinderen werden niet door hun vader erkend of waren wees.

    Misschien komt het idyllische beeld ook voort uit het grote contrast tussen de Nederlandse kolonisatie en de dekolonisatie. Ik bedoel daarmee dat de Nederlandse kolonisatie vrij mild en humaan was in vergelijking met de Belgische kolonisatie van Congo. In Indië werd al vrij snel geïnvesteerd in onderwijs en gezondheidszorg. De ethische politiek vanaf 1900 wilde winst maken, maar ook meer rekening houden met de lokale bevolking. Het contrast met de gewelddadige dekolonisatie is zo groot dat het misschien moeite kost om die twee houdingen met elkaar te rijmen. Tegelijkertijd was er wel een bepaalde continuïteit, namelijk een stelselmatige onderschatting van publieke frustraties door de Nederlanders. Door bepaalde figuren op te sluiten dachten ze het probleem op te lossen. Maar dat was natuurlijk niet zo; de wrevel en frustratie werden in de bevolking breed gedragen. Stilte was in Indonesië misschien wel de gevaarlijkste emotie.’

    Volgend jaar worden de resultaten verwacht van het dekolonisatieonderzoek van het NIOD, KITLV en NIMH. Bent u niet bang dat uw boek dan alweer achterhaald zal zijn?

    ‘Nee, eigenlijk niet. Geschiedenis is een gesprek dat nooit stilvalt. Ik vang uit de drie onderzoeksinstituten juist geluiden op dat ze blij zijn dat mijn boek eerst komt, want ik heb nog heel wat mensen kunnen interviewen. Hun onderzoekers hebben daar zelf veel moeite mee gehad; het duurde te lang voor er toestemming kwam van de Indonesische overheid. Toen ze die eindelijk hadden, was corona daar en mochten ze niet reizen. Een paar mensen binnen het onderzoeksteam hebben zelf interviews gedaan, zoals Anne-Lot Hoek, maar er zit relatief weinig oral history in dat project.

    Het is natuurlijk een voordeel als je met grote budgetten en grote teams kunt werken, maar tegelijkertijd heb ik genoten van de voordelen van mijn positie als Belg, als outsider, zonder geld van een overheid. Ik hoefde niet op toestemmingen te wachten. Ik hoefde alleen maar een vliegticket te boeken, een balpen en een schriftje te nemen en ik kon aan de slag. Daardoor ben ik een van de allerlaatsten geweest – en in heel veel gevallen ook de allereerste – die een groot aantal mensen aan het woord heeft kunnen laten.

    Verder hanteert het officiële onderzoek een veel korter tijdskader, namelijk 1945-1949. Ik behandel de Indonesische geschiedenis zo ongeveer van homo erectus tot de Verenigde Naties. Weliswaar met een grote nadruk op de periode vanaf de jaren twintig. En ik kijk naar hoe de buitenwereld erdoor is veranderd.’

    U schrijft dat Nederland maar een van de vele spelers in de archipel was, zelfs tijdens de koloniale periode.

    ‘Het populaire idee is: begin zeventiende eeuw waren er nog Spanjaarden en Portugezen in Indië, maar vanaf toen is het Nederlands gebied geweest. Dat klopt niet. Ook tijdens de Nederlandse aanwezigheid waren er andere belangrijke spelers. Zo was de Nederlandse handel afhankelijk van Chinese tussenpersonen. Over de tweede helft van de achttiende eeuw wordt hoe langer hoe meer gesproken als “de Chinese periode”. Ook inwoners van het zuiden van Sulawesi waren ongelooflijk belangrijk als maritieme spelers. Er waren veel piraten in het gebied; Nederland controleerde dat niet helemaal.

    Begin negentiende eeuw was Java achtereenvolgens in Frans-Bataafse en Britse handen. De staatsvorming in Indië is niet begonnen met de VOC, maar pas in de Franse tijd onder Herman Willem Daendels en in de Britse tijd onder Thomas Stamford Raffles. Dat was een korte periode van acht jaren, maar die zijn cruciaal geweest. Het idee dat Indonesië 350 jaar lang van Nederland is geweest klopt niet. Dat geldt wel voor enkele gebieden zoals Ambon, maar grote delen van de archipel hebben de Nederlanders pas vanaf 1870 veroverd. De inwoners zijn dus eigenlijk maar korte tijd gekoloniseerd geweest.’

    ‘Het extreme geweld van de Bersiap kwam niet uit de lucht vallen’

    Was het Nederlandse gezag er daardoor minder geaccepteerd?

    ‘We moeten beseffen dat er in de jaren dertig jongeren rondliepen wier grootvaders hadden meegemaakt dat de Nederlanders kwamen. Zij kenden dus uit de eerste hand verhalen van vóór de kolonisatie. Een van de getuigen die ik heb geïnterviewd zei: “Mijn vader haatte de Nederlanders. Ze hebben hem gedwongen een suikerfabriek te metselen. Hij had er geen zin in, want ze kwamen om het land te bezetten.” Zo recent was het. Men kon zich de vrijheid herinneren.

    De revolutie van 1945 is eigenlijk georganiseerd door Indonesiërs tussen de 15 en 25 jaar oud. Het was voor mij interessant om die mensen te interviewen over hun kindertijd. Toen, tijdens de laatste dagen van de Nederlandse periode, is de kiem gelegd van wat er later is gebeurd.’

    U interviewde enkele destijds jonge revolutionairen, pemoeda’s, die openhartig vertellen over de Bersiap. Inclusief details over gruweldaden jegens Indische Nederlanders. Bent u de eerste die deze groep aan het woord laat?

    ‘Voor Nederland is dit misschien relatief nieuw, maar internationaal ben ik niet de eerste. De beroemde Amerikaanse antropoloog Benedict Anderson publiceerde in 1972 zijn proefschrift onder de titel Java in a Time of Revolution. Hiervoor had hij veldwerk verricht in Indonesië en met voormalige pemoeda’s gesproken – destijds nog dertigers en veertigers. Vaak ging het om de leidersfiguren; ik heb met gewone, anonieme strijders gesproken.’

    Zijn deze mannen trots op hun aandeel in de revolutie of hebben ze achteraf bedenkingen over hun daden?

    ‘Wat ze mij zeiden was: “Wij verlangden naar zelfstandigheid, dus wat we deden was logisch en historisch noodzakelijk.” Je moet weten dat de Indonesische staat sinds 1945, ongeacht wie er aan de macht waren, altijd de revolutie als stichtingsmythe heeft gehouden. Bepaalde veteranen zijn uitgeroepen tot Held van de Revolutie en Held van Indonesië. Daarmee is een officieel stempel van goedkeuring verleend voor wat zij hebben gedaan. Dan heb je geen bedenkingen. Tegelijkertijd is het me opgevallen dat die mensen zelden natrappen naar Nederland. Ze promoten vooral vrede. Maar ze hebben dan ook gewonnen, dat scheelt.

    Zelf wil ik benadrukken dat het extreme geweld van de Bersiap niet uit de lucht kwam vallen. Er is een heel proces nodig geweest om de Indonesiërs, die bekendstonden als “het aardigste volk ter wereld”, zo moordlustig te maken. Dan moet je niet alleen kijken naar de Japanse bezetting, maar zeker ook naar wat er is misgegaan tijdens de Nederlandse overheersing.’

    Maar waren de pemoeda’s niet gewoon opgeschoten knullen vol adrenaline die ongestraft hun gang konden gaan? Net zoals veel Nederlandse soldaten die wreedheden begingen tegen Indonesische burgers en krijgsgevangenen?

    ‘Ik ken geen revolutie die niet gewelddadig, puberaal en explosief is. Het is een carnavaleske geweldsorgie, een brutale, afgrijselijke ontlading van opgekropte baldadigheid. Dat moest ik inzichtelijk zien te maken. Is er een overeenkomst met het geweld dat de Nederlanders toepasten in hun oorlog tegen de jonge Republiek? Ja en nee. De soldaten kwamen doorgaans uit kleine dorpen op het platteland en waren nog nooit in het buitenland geweest. Ze werden een oorlog in gestuurd met vaak een slechte opleiding, slechte voeding, slechte omkadering en veldpredikers die zelf de gruwelen billijkten. Vervolgens kwamen ze terecht in onbekende situaties die ontspoorden en gebruikten ze zelf extreem geweld. Maar het verschil was dat de Nederlanders daar waren als militairen, als onderdeel van een formeel leger dat regels moest naleven, terwijl die pemoeda’s ongebreidelde revolutionaire krachten waren.’

    In Nederland is er discussie over de vraag of de Bersiap mede als verklaring – sommigen zeggen: excuus – mag dienen voor Nederlandse oorlogsmisdaden. Hoe ziet u dat?

    ‘Je moet een onderscheid maken tussen de Bersiap en de guerrilla. Het is zeker waar dat de Bersiap ervoor heeft gezorgd dat Nederland troepen is gaan opbouwen. Maar de Bersiap was eind 1945 wel ongeveer klaar, en toen duurde het nog anderhalf jaar voordat het grote offensief losbarstte. Een offensief dat men eerst nog heeft geprobeerd te vermijden via diplomatie. De Bersiap leidde niet automatisch tot de Politionele Acties.’

    De rol van de Britten in de beginfase van het conflict krijgt van u veel aandacht. U bent zelfs naar Nepal gereisd om Gurkha’s te interviewen die in het Britse leger in Indonesië hebben gediend.

    ‘Dat was mijn ultieme wens, want die Nepalese Gurkha’s zijn nog nergens aan het woord geweest. Terwijl zij op een cruciaal moment het verschil hebben gemaakt. Gurkha’s hebben duizenden Nederlanders bevrijd uit Japanse interneringskampen. Daar hebben ze niet veel erkenning voor gekregen vanuit Nederland. De hoop was dat de Britten Indië helemaal zouden bevrijden en klaarmaken voor de terugkeer van het Nederlandse bestuur, en dat is niet gebeurd.’

    Hoe hebt u de ooggetuigen in Nepal opgespoord?

    ‘Ik heb eerst aangebeld bij de regionale kantoortjes van de Gurkha Welfare Trust. Het was heel frustrerend werk. Uiteindelijk wist ik welke regimenten in 1945 naar Indonesië waren uitgezonden en waar de soldaten waren gerekruteerd. Toen ben ik naar een van die valleien in de uitlopers van de Himalaya gereden. In het belangrijkste stadje was een kantoor van de pensioenen. Er zat een officier die me geen namen en adressen mocht geven, want dat was privé-informatie. Ik zei hem dat ik de laatste zou zijn die langsreed om die stokoude mensen nog te interviewen. Toen liep hij naar binnen en vijf minuten later kwam hij terug met een briefje met daarop een naam, een nummer en een contact. Uiteindelijk kreeg ik de hoogste militair te spreken, belast met het uitbetalen van hun pensioenen. Hij zei dat er nog ongeveer 25 mannen leefden, maar ver uit elkaar. De beste Ghurka’s woonden in de hoogste bergdorpen. Ze kwamen uit collectieve samenlevingen met weinig individualisme. Het eigen hachje redden kenden zij niet; dat maakte hen tot zulke goede soldaten. Ik heb een tiental van hen kunnen spreken, maar het was een ongelooflijke inspanning om ze te vinden.

    Heel interessant was hoe verschillende Gurkha’s getuigden van oorlogsmisdaden die ze hadden gepleegd, vaak op last van hun Britse officieren. Een van hen vertelde dat ze gewonde tegenstanders moesten afmaken, hoewel dat tegen de Conventie van Genève ingaat. Een ander moest uit wraak een kampong in de fik steken. Hij had nog spijt over die oude man in zijn hut die niet meer weg kon.’

    Waarom eindigt uw boek bij de Afro-Aziatische conferentie in Bandung in 1955?

    ‘De Indonesische revolutie heeft de hele wereld veranderd. Indonesië was het eerste dominosteentje dat viel in het proces van dekolonisatie. Dat heeft nogal wat teweeggebracht – in Azië, Afrika en de Arabische wereld, maar ook met het oog op de Amerikaanse burgerrechtenbeweging en het ontstaan van de Europese Gemeenschap. Je kunt niet begrijpen waarom zes West-Europese landen in 1957 de Verdragen van Rome sloten als je niet kijkt naar wat zich twee jaar eerder in Bandung heeft afgespeeld.’

    Wat is dan de relatie tussen die twee gebeurtenissen?

    ‘Drie van de zes stichtende leden van de Europese Gemeenschap – Frankrijk, België en Nederland – hadden toen nog kolonies. Bij de verdragsonderhandelingen ging het over de vraag hoe die kolonies in de Europese economische ruimte konden worden getrokken. Anders zouden ze worden weggekaapt door het nieuwe Afro-Aziatische blok dat in Bandung was gevormd. De Egyptische president Gamal Abdel Nasser had na zijn terugkomst van de conferentie besloten het Suezkanaal te nationaliseren. Dat leidde in 1956 tot de Suezcrisis: Frankrijk en Groot-Brittannië lanceerden een militair offensief, maar werden door Amerika teruggefloten. Precies op het moment dat de Franse president telefoon kreeg van de Britse premier om te zeggen dat hun militaire campagne een aflopende zaak was, zat de West-Duitse bondskanselier Konrad Adenauer in het kantoor van de president. En die zei tegen hem: “Nu moeten we Europa maken. Europa zal uw weerwraak zijn.”

    De Suezcrisis was letterlijk de aanleiding om de EG op te richten. Dat is algemeen aanvaard. Maar weinig mensen beseffen hoezeer de angst voor dat oprukkende Afro-Aziatische blok heeft meegespeeld. Toen ik er voor het eerst over hoorde, vond ik het maar een rare these. Mij is altijd het verhaal verteld dat het Europese project is voortgekomen vanuit een interne dynamiek, de verzoening tussen Frankrijk en Duitsland. Het lijkt dus een controversiële stelling die ik nu lanceer, maar die is gebaseerd op briljant historisch onderzoek van twee Zweden, Peo Hansen en Stefan Jonsson, in een vrij recent boek dat Eurafrica heet. Dat er in politieke en diplomatieke kringen in Europa zo expliciet naar Bandung werd verwezen als een bedreiging voor de Europese macht in Afrika had ik niet verwacht. Maar het wordt in dat boek zeer overtuigend aangetoond. Het circuleert nu enkel nog in academische kringen, maar dit zal de komende tien, twintig jaar publieke kennis worden.’

    Door een Indonesische bril bekeken eindigt het verhaal van de revolutie pas in 1962, als ook Nieuw-Guinea in de schoot van de Republiek komt.

    ‘Als je met Papoea’s praat, zeggen zij dat het kolonialisme juist is begonnen toen Java over hun land begon te heersen. Eerlijk gezegd denk ik dat zij gelijk hebben. Het lot van de Papoea’s vandaag is te vergelijken met dat van de Aboriginals in het Australië van de negentiende eeuw. Ik heb het conflict tussen Jakarta en Den Haag om Nieuw-Guinea wel aangestipt in mijn boek, maar op dat moment zwenkt het perspectief naar de rest van de wereld. Voor mij was het van belang om te tonen wat de mondiale impact was van de Indonesische revolutie en de onafhankelijkheid. Dat verhaal is nog nooit verteld.’

    Bas Kromhout is senior redacteur van Historisch Nieuwsblad.

     

    Veelzijdig auteur

    David Van Reybrouck

    Vijf jaar lang werkte David Van Reybrouck aan Revolusi. Indonesië en het ontstaan van de moderne wereld (656 p. De Bezige Bij, € 39,99). Hij interviewde daarvoor de laatste getuigen van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd. Van Reybrouck (1971) is cultuurhistoricus, archeoloog en schrijver van non-fictie, theater en poëzie. Zijn bekendste boek is Congo. Een geschiedenis, over het pijnlijke verleden van de Belgische kolonie. Hij kreeg er in 2010 onder meer de Libris Geschiedenisprijs voor.