Home Crisis in de sociaal-democratie

Crisis in de sociaal-democratie

  • Gepubliceerd op: 8 juli 2009
  • Laatste update 29 apr 2022
  • Auteur:
    Bas Kromhout
  • 17 minuten leestijd

Zolang er in Nederland een sociaal-democratische partij bestaat, is er ruzie geweest over de koers. Rond 1900 werd de pragmatische partijleider Troelstra op de korrel genomen door dogmatische marxisten.

De sociaal-democratische partij verkeert in een identiteitscrisis. De politiek leider ligt onder vuur. Hem wordt verweten te veel pragmaticus en te weinig visionair te zijn. Van hoog tot laag is de partij verdeeld over de richting die zij moet volgen. Commissies schrijven dikke rapporten over de ideologische grondslagen van de partij, maar slagen er niet in de angel uit de discussie te halen. Een deel van de achterban loopt over naar een kleinere partij met een herkenbaarder socialistisch profiel.

Het bovenstaande gaat niet over de Partij van de Arbeid, maar over haar belangrijkste voorloper, de SDAP. Rond 1900 woedde in deze partij een felle richtingenstrijd. Daarbij stond ook het leiderschap van Pieter Jelles Troelstra ter discussie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Karl Marx overlijdt in 1883, Friedrich Engels volgt in 1895. De vaders van het socialisme zijn nog niet begraven, of hun kinderen kibbelen over de erfenis. In Duitsland waken Karl Kautsky en August Bebel over de zuivere leer. Die stelt dat de proletarische revolutie wetmatig en onontkoombaar zal voortvloeien uit de kapitalistische wanverhoudingen. Het wachten is op het moment dat de geïndustrialiseerde maatschappij de juiste explosieve mix van uitbuiting, vervreemding en Verelendung heeft bereikt. Met een geweldige knal zal het kapitalistische systeem uit elkaar spatten, waarna het arbeidersparadijs op aarde aanbreekt.

Het heeft volgens Kautsky geen zin het proces te willen versnellen. Socialistische partijen mogen slechts een beperkte rol spelen als een soort opleidingsinstituten voor de proletarische machthebbers van morgen. Zij mogen zich parlementair profileren, maar alleen als vingeroefening en om het klassenbewustzijn onder de arbeiders te vergroten.

In de praktijk blijkt het niet eenvoudig zoveel geduld op te brengen. In Nederland ijvert de in 1881 opgerichte Sociaal-Democratische Bond (SDB) voor algemeen kiesrecht, wat wijst op een zeker geloof in de burgerlijke democratische instituties. De leider van de SDB, Ferdinand Domela Nieuwenhuis, is van 1888 tot 1891 lid van de Tweede Kamer. Een meerderheid in de SDB staat echter vijandig tegenover de parlementaire politiek. In 1893 besluit het partijcongres ‘onder geen voorwaarde hoegenaamd, ook niet als agitatiemiddel, mee te doen aan de verkiezingen’.

Een aantal partijleden neemt met dit besluit geen genoegen. Nadat de SDB in 1894 wordt verboden omdat zijn programma geweld niet uitsluit, komen twaalf van hen op 26 augustus 1894 in Zwolle bijeen om een nieuwe partij te stichten: de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij in Nederland (SDAP). De ‘twaalf apostelen’ kiezen als hun leider de Friese advocaat Pieter Jelles Troelstra. Hoewel Troelstra en de zijnen (nog) niet openlijk twijfelen aan de revolutie en de daaropvolgende heilstaat, menen zij dat het lot van de arbeiders in de eerste plaats moet worden verbeterd door invloed te verwerven in de vertegenwoordigende lichamen van de burgerlijke staat.

Deze visie wordt ideologisch onderbouwd door de Duitser Eduard Bernstein. In tegenstelling tot Kautsky gelooft Bernstein niet in de absolute noodzakelijkheid van de revolutie. De socialistische heilstaat kan ook worden bereikt door stapsgewijze hervorming van de maatschappij. Bernsteins ‘revisionisme’ wordt door marxistische puristen verketterd, en verwelkomd door degenen die uit eigen ervaring weten hoe ver de revolutietheorie af staat van de realiteit.

Boerenpolitiek

De oprichters van de SDAP zijn ervan overtuigd dat Nederland nog lang niet rijp is voor revolutie. De economie is aan het einde van de negentiende eeuw nog sterk afhankelijk van landbouw en handel. De relatief kleine arbeidersklasse is verdeeld langs religieuze lijnen. De SDAP richt zich daarom niet alleen op haar natuurlijke doelgroep in de fabrieken, maar ook op de agrarische bevolking, met name in Noord-Nederland. Dankzij een uitbreiding van het kiesrecht kunnen meer kleine boeren en pachters stemmen, waardoor zij een aantrekkelijk electoraat vormen. De landbouwcrisis van de jaren 1880 doet de rest.

In het verkiezingsprogramma van 1897 schrijft Troelstra een apart hoofdstuk over de ‘agrarische kwestie’. Hij pleit voor het oprichten van boerenbonden, waarin pachters en landloze arbeiders samen strijden voor uitbreiding van het gemeentelijke grondbezit, subsidies voor landbouwcoöperaties en verlaging van de pachthuur. Daarmee wijkt Troelstra af van de zuivere marxistische lijn, die stelt dat pachters en landarbeiders elkaars klassenvijanden zijn.

De boerenpolitiek levert de SDAP twee zetels op in de Tweede Kamer. De partij begint de Socialistenbond, opvolger van de SDB, te overvleugelen. In december 1897 splijt de SB in tweeën; drie jaar later stappen de laatste leden over naar de SDAP. Een jaar eerder heeft de Internationale al besloten de SDAP als enige socialistische partij in Nederland te erkennen. Mede hierdoor trekt zij veel nieuwe leden aan. Ook als deze eigenlijk kritisch staan tegenover de ‘revisionistische’ lijn van Troelstra.

Dat geldt bijvoorbeeld voor de dichters Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst, wier socialisme voornamelijk romantisch-estethisch en antiburgerlijk van aard is. Academici als David Wijnkoop, Willem van Ravesteyn en Antonie Pannekoek voelen zich vanwege de strenge rationaliteit tot het marxisme aangetrokken. De voornaamste spreekbuis van deze nieuwkomers is het in 1896 opgerichte wetenschappelijke partijblad De Nieuwe Tijd. Met hun dogmatische starheid komen zij al snel in conflict met de oudere partijbonzen.

Allereerst richten de jonge marxisten hun pijlen op Troelstra’s benadering van de agrarische kwestie. Daarbij beroepen ze zich op het gezag van Kautsky. In 1901 bekritiseert Kautsky in De Nieuwe Tijd, op verzoek van Gorter, de lijn van Troelstra. Deze zou te veel het pachtsysteem intact willen laten en te weinig prioriteit geven aan het belang van landbouwcoöperaties. Hoewel de kritiek mild en gemakkelijk te weerleggen is, gebruiken de marxisten in de SDAP de woorden van Kautsky om aan te tonen hoezeer Troelstra afwijkt van het rechte pad. Onder de tendentieuze kop ‘Troelstra tegen Kautsky’ haalt Gorter in De Nieuwe Tijd fel uit naar de politiek leider van de SDAP, die het op een akkoordje zou willen gooien met de pachtboeren.

Troelstra’s reactie tekent zowel zijn afkeer van ideologische scherpslijperij als zijn overgevoeligheid voor kritiek. ‘Wij zijn hier niet om elkaar lesjes in theorie te geven, maar om na te gaan hoe de theorie in de praktijk moet worden overgevoerd,’ zegt hij tegen het de partijleden die op 7 en 8 april congresseren in Utrecht. ‘Er worden theoretische batterijen tegen ons opgesteld op het oogenblik dat wijzelf onze batterijen op den vijand richten.’ Hoewel de leden in overgrote meerderheid achter Troelstra staan, moet hij accepteren dat het congres een commissie instelt die zich over de agrarische politiek van de SDAP zal buigen. Na drie jaar onderzoek worden op advies van deze commissie de passages over de pachtverhoudingen uit het partijprogramma geschrapt.

Wijsgerige sekte

Ondertussen hebben de marxisten een nieuw doelwit gevonden in de houding van de partijleiding tegenover religie. In 1897 heeft Troelstra de partijafdelingen opgeroepen af te zien van aanvallen op arbeiders die de kerk trouw blijven. Om deze groep niet van zich te vervreemden, moet de SDAP zich afzijdig houden van geloofskwesties. ‘Die geschillen houden de arbeiders af van hun maatschappelijke strijd, den strijd voor hun ekonomische en politieke ontvoogding,’ aldus Troelstra. Net als bij de agrarische kwestie spelen electorale overwegingen een rol. Slechts een minderheid van de arbeidende bevolking in Nederland is de sociaal-democratie goedgezind. Om hervormingen af te dwingen heeft Troelstra de kerkelijke arbeiders hard nodig.

Daarom roept Troelstra de partij in februari 1901 in de partijkrant Het Volk, waarvan hijzelf hoofdredacteur is, op om de confessionelen te steunen in hun strijd voor gesubsidieerd bijzonder onderwijs. Volgens hem mogen sociaal-democraten de staatsmacht niet gebruiken om godsdienst te verbieden of te bestrijden. In plaats daarvan moeten zij de vrijheid van godsdienst te allen tijde ondersteunen. De sociaal-democraat is dan ook ‘principieel voorstander van de Vrij School’.

Deze opvatting druist rechtstreeks in tegen het dogma van Marx dat religie ‘opium van het volk’ is, en dat de arbeiders net zo goed van hun kerkelijke kluisters moeten worden bevrijd als van het kapitalisme. Het bestuur van de Sociaal-Democratische Onderwijzersvereeniging (SDOV) schrijft in De Volksonderwijzer dat de vrije school is bedoeld ‘om het volk te verdommen en in geestelijke slavernij te houden’. SDOV-voorman Jan Ceton wijst in De Nieuwe Tijd de liberale grondgedachte van Troelstra’s artikel principieel van de hand: als het gaat om de klassenstrijd, is de SDAP ‘in alle opzichten een partij van dwang’.

De godsdienstkwestie komt aan bod tijdens het partijcongres van maart 1902 in Groningen. Troelstra dient een motie in die bepaalt dat er geen verschil bestaat tussen bijzonder en openbaar onderwijs, ‘daar én Kerk én Staat in de kapitalistische maatschappij beide machtsmiddelen der bezittende klasse zijn.’ Omdat een groot deel van de Nederlandse arbeidersbevolking godsdienstig onderwijs verlangt, is het omwille van ‘de eenheid der arbeidende klasse’ beter dit verlangen niet tegen te werken. Ondanks verzet van Ceton en andere marxisten neemt het congres de motie-Troelstra aan.

Dit doet de onvrede onder de marxisten verder groeien. Roland Holst verwijt de partijleiding in De Nieuwe Tijd een opportunistische en beginselloze politiek. Onder de titel ‘Naar rechts of naar links’, roept geestverwant J. Saks (pseudoniem van Pieter Wiedijk) zijn partijgenoten op tot ‘een principiële keuze tegen een tot inkapseling leidende koers van parlementaire geleidelijkheid en vóór een koers van revolutionaire strijd, gebaseerd op het nog smalle draagvlak van het klassebewuste, onkerkelijke proletariaat’.

Troelstra reageert met een brochure, getiteld Theorie en Beweging. Heel slim laat hij zich niet verleiden tot een theoretisch debat over de grondslagen van het marxisme, dat hij gemakkelijk zou kunnen verliezen. In plaats daarvan maakt hij de marxistische factie simpelweg belachelijk door hen af te schilderen als ‘een nieuwe wijsgerige sekte’. Tegenover de haarkloverijen van de marxisten stelt Troelstra de praktische politieke strijd die hij en de meerderheid van het partijkader elke dag opnieuw leveren voor een rechtvaardiger maatschappij.

Reuzenstaking

Begin 1903 breken er stakingen uit onder het spoorwegpersoneel. Dit plaatst Troelstra voor een dilemma. Als hij geen steun geeft aan de staking en deze wordt een succes, dan zal dat de positie van de marxisten in de partij verstevigen. Geeft hij wel steun, maar mislukt de staking, dan loopt het zorgvuldig opgebouwde ‘redelijke’ imago van de SDAP een deuk op, terwijl ook de arbeiders hun vertrouwen in de partij beschaamd zullen zien.

Na lang aarzelen besluit Troelstra zich aan het hoofd van de staking te stellen. ‘Boven het centrum van Nederlands Kapitaalmacht hangt zwoel en zwaar dat geheimzinnige woord, zwanger van toekomstbeloften voor de werkers: Heel het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil,’ schrijft hij op 1 februari in Het Volk. De regering onder leiding van de antirevolutionair Abraham Kuyper stelt een commissie in om zich over de grieven van de stakers te buigen. Tegelijk wordt een wet ingevoerd die aan spoorwegpersoneel het stakingsrecht ontzegt. Een speciale brigade zal naleving afdwingen.

Nu de SDAP a heeft gezegd, moet zij ook b zeggen. Op 27 februari kondigt Troelstra in de Tweede Kamer aan de ‘schurkenstreek’ van het kabinet te zullen beantwoorden met een ‘reuzenstaking’. Weinig arbeiders zijn echter bereid het werk opnieuw neer te leggen. Zonder te overleggen met het partijbestuur begint Troelstra terug te krabbelen. Op 17 maart publiceert hij in Het Volk een zelfgeschreven stuk met de titel ‘Wat nu?’. Hieruit blijkt dat de leider van de SDAP niet meer gelooft in een algemene werkstaking. De marxisten reageren furieus. In een tegenstuk, bedoeld om in Het Volk te worden afgedrukt, beschuldigt Antonie Pannekoek de politiek leider van ‘weinig minder dan verraad’. Hoofdredacteur Troelstra weigert publicatie.

Op 28 maart toont het kabinet zich bereid zijn antistakingsmaatregelen te verzachten. De liberale oppositie is tevreden, wat een succesvolle parlementaire actie van de SDAP voor meer werknemersrechten ernstig bemoeilijkt. Om haar geloofwaardigheid als arbeiderspartij niet te verliezen, besluit de top van de SDAP op 2 april door te gaan met de geplande staking. ‘Heden is de dag, dat het gansche Nederlandsche proletariaat zal opstaan tegen zijn onderdrukkers!’ staat te lezen in het vlugschrift dat in de nacht van 5 op 6 april in de grotere industriecentra wordt verspreid. Maar de oproep vindt nauwelijks gehoor, en na drie dagen werpt het handjevol stakers de handdoek in de ring.

Het fiasco zorgt voor nieuwe conflicten in de SDAP. De ‘realisten’ verwijten de marxisten met hun opgeklopte revolutieleuzen valse verwachtingen te hebben gewekt bij de arbeiders. Zij zien in de mislukte staking een argument om nog nadrukkelijker de parlementaire weg te bewandelen en samenwerking te zoeken met de gelovige arbeiders. De marxisten daarentegen beschouwen de spoorwegstaking van 1903 als een hoopvolle prelude op de revolutionaire eindstrijd, en als een bewijs dat met gelovigen niet valt samen te werken.

Bovendien zijn zij het eigenmachtige optreden van Troelstra en diens controle over Het Volk meer dan zat. Ook meer gematigde partijprominenten vinden dat Troelstra zijn hand heeft overspeeld. Hij wordt gedwongen het hoofdredacteurschap van Het Volk neer te leggen. Het congres van Den Haag in april 1905 bezorgt de marxisten een meerderheid in het partijbestuur. Zo wordt Troelstra voor het eerst ernstig in de verdediging gedrukt.

Maar als het moet, is de Fries een eersteklas straatvechter. Snel herneemt hij het initiatief met een aantal vileine artikelen in Het Volk. Troelstra speelt zwaar op de man, maakt zijn tegenstanders uit voor ‘ketterjagers’ en ‘steigerende veulens’, en schrijft denigrerend dat de ‘jongere vrienden’ van de linkervleugel weleens wat meer ‘respect en bescheidenheid’ mogen tonen voor de oudere strijders.

Zelfs dreigt Troelstra te zullen opstappen als politiek leider, als ‘het votum van wantrouwen op mij blijft rusten’. Bewust drijft hij de zaak op de spits, in de verwachting dat als puntje bij paaltje komt, de partij zijn kant zal kiezen. Geheel volgens plan laten de marxisten zich uit de tent lokken. In Het Volk en andere sociaal-democratische periodieken ontspint zich een felle polemiek.

Dat het partijbestuur in september 1904 een grievencommissie instelt, die probeert het conflict van zijn scherpe randjes te ontdoen, past niet in Troelstra’s opzet om de marxisten definitief te verslaan. Hij negeert de commissie en gaat onverminderd door met zijn aanvallen. In maart 1906 verschijnt zijn brochure Inzake Partijleiding. Daarin schildert Troelstra zichzelf af als de vleesgeworden volkswil, het arbeidersproletariaat in eigen persoon. De marxisten daarentegen zijn overgelopen burgermanskinderen, die de arbeider slechts kennen uit de boeken, en die met hun eindeloze inquisitie de sociaal-democratische eenheid ondermijnen.

Scheuring

Troelstra boekt een belangrijke overwinning tijdens het SDAP-congres, dat van 15 tot en met 17 april 1906 plaatsvindt in Utrecht. De leden nemen een resolutie aan, gericht tegen het verschijnsel in de partij ‘dat stelselmatig op zekere partijgenooten het stempel van beginselzwakheid, opportunisme, revisionisme, enz. wordt gedrukt door andere partijgenooten, die menen in het bijzonder bevoegd en verplicht te zijn om de partij te bewaren voor “verwatering”, afwijken van de door het beginsel voorgeschreven lijn, enz.’. De marxisten voelen zich door de resolutie zozeer in hun vrijheid van meningsuiting beknot dat zij weigeren kandidaten aan te leveren voor het nieuw te kiezen bestuur. De scheuring van de SDAP is begonnen.

Een jaar later blijkt tijdens het Haarlemse congres dat het marxistische kamp zelf scheuren vertoont. Ze komen aan het licht wanneer Troelstra de marxisten oproept hun kritiek te staken of anders de SDAP te verlaten. De meeste marxisten, onder wie Gorter, Roland Holst, Van der Goes en Pannekoek, haasten zich hun loyaliteit aan de partij uit te spreken. Maar anderen, zoals Ceton, Wijnkoop en Van Ravesteyn, weigeren te buigen.

Op 17 oktober 1907 lanceren zij een nieuw tijdschrift, De Tribune, waarmee zij de ideologische strijd in de SDAP voortzetten. ‘Onze partij is zwak, onze werfkracht verdwenen, ons beginsel verzaakt, onze strijd verkracht door allerlei politiek gescharrel,’ schrijft Ceton bij de herdenking van Marx’ sterfdag, 14 maart 1908. Het Volk reageert: ‘Zet ze de kerk uit, die ketters.’

Hoe ver Troelstra’s opvattingen afwijken van die van de tribunisten, blijkt nog eens in oktober 1908, tijdens een Kamerdebat met de vrijzinnig-democratische voorman Treub. Wanneer Treub beweert dat ook in een marxistisch ingerichte maatschappij economische crises zullen voorkomen, geeft Troelstra hem ronduit gelijk. ‘De arbeiders hebben niet noodig, dat er met een abstracte logische theorie bewezen wordt dat zij tenslotte allen in ellende worden gedompeld, om te streven naar een beter maatschappelijk doel,’ aldus de fractieleider van de sociaal-democraten. ‘De marxistische krisestheorie geef ik u, als het moet, kadeau.’

De richtingenstrijd in de SDAP nadert nu zijn ontknoping. Wanneer Troelstra op een afdelingsvergadering in Rotterdam tekst en uitleg moet komen geven over zijn opmerkingen in de Tweede Kamer, verbiedt hij ter plekke de colportage van De Tribune. Steeds serieuzer overwegen de tribunisten om de SDAP te verlaten. ‘Wij zijn in de partij om het strenge socialisme en zullen dat blijven propageeren – erin of erbuiten!’ schrijft de redactie in januari 1909.

Op 13 en 14 februari komen de actieve leden van de SDAP in de schouwburg van Deventer samen om een oplossing te zoeken voor de crisis. Op tafel ligt een voorstel van Troelstra De Tribune te vervangen door een nieuw wetenschappelijk tijdschrift dat als bijlage van Het Volk moet worden verspreid. Accepteren de marxisten het voorstel niet, dan moeten ze worden geroyeerd. Hoewel Gorter een verwoede poging doet om alle marxisten achter De Tribune te krijgen, kiezen de meesten eieren voor hun geld en accepteren Troelstra’s voorstel.

Voor de tribunisten ziet er niets anders op dan het op stemmen te laten aankomen. Met tweederde meerderheid bekrachtigen de leden van de SDAP hun royement. Het schisma is een feit. In de schouwburg heerst een bedrukte stemming. Hoge partijbonzen zitten snikkend in een hoekje. De tribunisten verlaten Deventer zo snel mogelijk per trein. Van Ravesteyn zal zich later herinneren hoe hij en zijn medestanders de met ijsschotsen bedekte IJssel passeren, luidkeels revolutionaire liederen zingend. Een maand later zullen zij de Sociaal-Democratische Partij in Nederland oprichten, die na tien jaar haar naam wijzigt in Communistische Partij Holland. Uit deze partij zal, vele afsplitsingen later, de Socialistische Partij ontstaan, die momenteel de PvdA op links bedreigt.

De grote overwinnaar heet Troelstra. Nu de meest radicale elementen zijn verwijderd en de overgebleven marxisten onschadelijk gemaakt, kan hij ongestoord voortgaan met zijn werk om van de SDAP een ‘normale’ politieke partij te maken. Zoals steeds weet hij zich daarbij gesteund door de meerderheid van de links voelende arbeiders.

Toch raakt ook de hervormer Troelstra zijn revolutionaire hartstochten nooit geheel kwijt. Dat zal blijken in 1918, wanneer hij zich onder de indruk van de gebeurtenissen in Rusland en Duitsland laat verleiden tot een halfzachte revolutiepoging. Die veroordeelt de sociaal-democraten weer voor jaren tot de oppositie, totdat in 1939 voor het eerst sociaal-democratische bewindslieden zullen deelnemen aan een Nederlands kabinet.

Meer info

Boeken

De ruzies tussen de partijleiding van de SDAP en de marxistische minderheid wordt uitvoerig beschreven in het proefschrift van Henny Buiting, Richtingen en partijstrijd in de SDAP. Het ontstaan van de Sociaal-Democratische Partij in Nederland uit 1989. Buiting beschrijft eerst gedetailleerd de gebeurtenissen, waarbij hij met name de polemieken in de diverse partijbladen volgt. In het tweede deel van het proefschrift analyseert hij het conflict vanuit internationaal perspectief.

Wie dit bijna duizend pagina’s tellende meesterstuk iets te veel is, kan J. Perry’s Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994 erbij pakken. Uit beide werken komt Troelstra naar voren als een intrigerende persoon en politicus, die decennialang de leiding over de Nederlandse sociaal-democratie stevig in handen heeft. Troelstra’s laatste biografie, Ik moet, het is mijn roeping van Ernest Hueting, dateert al weer van 1981.

Film

Van recenter datum (2001) is de speelfilm Nynke van Pieter Verhoeff. Troelstra’s vrouw, de schrijfster Nynke van Hichtum is de hoofdpersoon. Haar huwelijk met de voorman van de SDAP is moeizaam, niet in de laatste plaats vanwege Troelstra’s autoritaire karakter.

Website

Biografische informatie over Troelstra, zijn marxistische tegenstrevers en andere kopstukken uit de SDAP staat in het online Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, dat is te vinden op de website van het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis in Amsterdam: www.iisg.nl/bwsa/index.html

Nieuwste berichten

Ossietzky in het concentratiekamp, 1934.
Ossietzky in het concentratiekamp, 1934.
Artikel

Dissident ging liever naar het strafkamp dan op de vlucht

Net als Aleksej Navalny besloot de Duitse dissident Carl von Ossietzky zijn land niet te ontvluchten toen hij gevaar liep. Hij wist dat hij bovenaan de zwarte lijst van de nazi’s stond, maar bleef toch in Berlijn toen Hitler in 1933 de macht greep. ‘De opposant die over de grens vlucht, werpt al snel holle frasen zijn land in,’ meende hij. Die moed bekocht hij met de dood in een concentratiekamp.

Lees meer
Waffen SS'ers in Vught
Waffen SS'ers in Vught
Interview

‘Waffen-SS’ers dachten dat het verleden niet lang aan hen zou kleven’

Hoewel ze geen paspoort meer hebben, blijven veel Syriëgangers toch in Nederland. Ook in 1945 verloren mannen die zich bij de Duitsers hadden aangesloten hun Nederlanderschap. Maar de omgang met deze Waffen-SS’ers en de Syriëgangers verschilt volgens historicus Peter Romijn. ‘De huidige wetgeving draait om uitstoting, maar na de Tweede Wereldoorlog was ook sprake van re-integratie.’

Lees meer
Truman poseert met de Chicago Daily Tribune
Truman poseert met de Chicago Daily Tribune
Artikel

Een presidentskandidaat dump je niet zomaar

Terwijl Donald Trump en Joe Biden zich opmaken voor de verkiezingsstrijd, gaan er bij hun partijen stemmen op om alsnog voor een andere presidentskandidaat te kiezen. Maar het verleden leert dat het lastig is om een leidende kandidaat opzij te zetten.

Lees meer
Gaius spreekt het volk toe. Ets door Silvestre David Mirys, 1799.
Gaius spreekt het volk toe. Ets door Silvestre David Mirys, 1799.
Artikel

De populistische Gracchen beloofden gouden bergen

Populistische politici zijn van alle tijden. Na een mislukte carrière zag de Romein Tiberius Gracchus nog maar één uitweg: hij werd een volkstribuun die het volk beloofde wat het wilde horen. Of zijn plannen uitvoerbaar waren, deed er niet toe. Het ging hem om de macht. En dat gold ook voor zijn broer en opvolger Gaius.

Lees meer