Home Burgemeesters in oorlogstijd

Burgemeesters in oorlogstijd

Burgemeesters in oorlogstijd

Ed van Thijn

Gepubliceerd op: 15 juli 2009

Update 4 juni 2021

Burgemeesters in oorlogstijd van de historicus Peter Romijn is, ook in vredestijd, fascinerende literatuur. In 520 pagina’s (en na tien jaar onderzoek) worden tot in de kleinste details de dilemma’s beschreven waarvoor burgemeesters ten tijde van de Duitse bezetting gesteld werden. Moet een burgemeester, zoals de meeste deden, vanuit zijn specifieke verantwoordelijkheid zo lang mogelijk op zijn post blijven ten einde ‘te redden wat er te redden valt’?

Of zijn er, zeker naarmate de duimschroeven door de bezetter steeds verder werden aangedraaid en het Nederlandse binnenlands bestuur steeds verder werd genazificeerd, grenzen van morele en ook praktische aard die niet mogen worden overschreden, wil men niet verstrikt raken in een situatie van feitelijke collaboratie?

Met alle wijsheid achteraf is gemakkelijk vast te stellen dat die situatie al in de beginjaren van de oorlog was aangebroken. (Eigenlijk was al met de centralisatie van het binnenlands bestuur en de verscherpte aansturing vanuit de bezettingsmacht de functie van burgemeester opgeheven en waren zij hoogstens nog veredelde ambtenaren). Maar het interessante van dit boek is dat Romijn ons in een groot aantal gevallen, zich verplaatsend in de tijd van toen, over hun schouder laat meekijken.

Een hoofdstuk apart is het gedrag van de burgemeesters na de inval van 10 mei 1940, voorafgaand aan de capitulatie vier dagen later. In het algemeen gedroegen zij zich goed, bleven op hun post, gaven leiding en toonden zich verantwoordelijk. Slechts een enkeling ging op de vlucht of dook onder. Er waren ook minder fraaie voorbeelden. Zo raakte de burgemeester van Gorinchem, ridder van Rappard, in paniek en gelastte, zonder overleg met de militaire autoriteiten, de evacuatie van de hele bevolking. De burgemeester van Rotterdam, P.J. Oud, geconfronteerd met het vernietigende bombardement van zijn stad, achtte het raadzaam om af te zien van een waarschuwing aan de bevolking ‘om paniek te voorkomen’ (je zult trouwens maar in zo’n verschrikkelijke situatie van blackmail in zijn schoenen staan...). Maar in het algemeen reageerde het burgemeesterskorps professioneel en stressbestendig op het oorlogsgeweld en ontleende daaraan ook een zeker zelfvertrouwen voor het vervolg, zeker toen de regering was uitgeweken naar Londen.

In de daaropvolgende hoofdstukken zien we nauwgezet beschreven hoe door de salamitactiek van de bezetter de bestuurlijke adem van de burgemeesters stap voor stap wordt afgeknepen. Moest men medewerking geven aan de anti-Joodse maatregelen en niet-arische ambtenaren uit hun functie ontheffen? Moest men – al of niet oogluikend – meewerken aan de grootschalige deportatie van de Joodse bevolking? Moest men meehelpen eigen medewerkers te rekruteren voor de Arbeitseinsatz in Duitsland? Moest men na de april/mei-stakingen in 1943, toen grote delen van de bevolking zich tegen de Duitse maatregelen keerden, meewerken aan de handhaving van het gezag? Moest men in het najaar van 1944 gehoor geven aan de oproep van de bezetter – de invasie in Normandië was toen al een feit – om mensen te leveren voor de bouw van verdedigingswerken, daarmee in strijd handelend met volkenrechtelijke bepalingen, omdat dit regelrechte hulp zou zijn aan de vijand in een gevechtssituatie?

De grote baas van het binnenlands bestuur, de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken mr. K.J. Frederiks, vond in alle bovenstaande gevallen van wel. Hij bewoog hemel en aarde en reisde stad en land af om in elke fase van de oorlog ‘zijn’ burgemeesters ervan te weerhouden individueel of collectief ontslag in te dienen. Hij hanteerde daarbij een strategie van ‘strategisch krimpen’: door de rechtstreekse verantwoordelijkheid van de burgemeesters voor de ergste maatregelen te reduceren zouden zij het vertrouwen van de bevolking kunnen behouden en als ‘middelaar’ respectievelijk ‘buffer’ tussen de bezetter en de samenleving kunnen blijven optreden, hetgeen, zoals zijn mini-onderhandeling met de Duitse autoriteiten over merendeels zaken van ondergeschikt belang, in ‘wederzijds belang’ zou zijn. Een gevaarlijke illusie, hetgeen ook bleek uit het onvrijwillig ontslag van vele tientallen, in de ogen van de bezetter, te weinig coöperatieve burgemeesters en de benoeming van uiteindelijk 345 NSB-burgemeesters.

Romijn besteedt, naar mijn mening, te veel pagina’s aan de vraag of deze laatste categorie wel voldoende legitimatie bezat, daarbij de criteria hanterend van de politicoloog Beetham (legitimiteit, rechtvaardiging en manifestatie van het regime). Schoenmaker, hou je bij je leest, ben ik geneigd te zeggen. Welk criterium zou men in ‘s hemelsnaam kunnen bedenken om een door de bezetter benoemde NSB-burgemeester ook maar de geringste legitimiteit toe te kennen, ook al probeerden sommigen op alle mogelijke manieren de ‘burgervader’ uit te hangen?

Nee, het grote belang van deze studie (en dat impliceert ook de titel: Burgemeesters in oorlogstijd) is de vraag in welke mate deze ambtsdragers van het ‘oude regime’ (alleen deze aanduiding al is weinig vaderlandslievend) door te blijven zitten zich schuldig hebben gemaakt aan collaboratie. Met de wijsheid achteraf waarover we nu beschikken, vind ik het (opnieuw) schokkend om te lezen hoe men zich afzijdig heeft weten te houden ten tijde van de Jodenvervolging. Dit onderwerp werpt ook een schril licht op de dubbelzinnige rol van Frederiks. Hij vermeldt na de oorlog in zijn verweerschrift met de omineuze titel Op de bres hoe hij als een leeuw heeft gevochten – niet zozeer tegen de deportaties zelf (dat was boter aan de galg), maar tegen enigerlei verantwoordelijkheid van de burgemeesters als hoofd van de politie voor hun arrestatie. En dat is gelukt! Weinigen onder de slachtoffers kunnen hem dat nazeggen, met uitzondering van de elitaire zogenoemde Barneveldgroep, die uiteindelijk naar Theresienstadt (geen vernietigingskamp) werd gedeporteerd, waardoor de meesten (ongeveer 700) hebben kunnen overleven.

De conclusies van Romijn – die hij vakkundig (en soms met begrijpelijke moeite) tot het eind heeft bewaard – liegen er niet om. Frederiks en ‘zijn’ burgemeesters hebben een fundamentele beoordelingsfout gemaakt door te denken dat door te blijven zitten en reeksen van inhoudelijke beleidsconcessies te doen erger, in de vorm van een totale overname door de NSB en derhalve een complete bestuurlijke chaos, kon worden voorkomen. Die chaos is er toch gekomen, maar vooral als gevolg van de radicalisering van de bezettingspolitiek die verder om zich heen greep naarmate het Derde Rijk meer in het nauw kwam. Intussen is het onvermogen (deels ook de onwil) van het binnenlands bestuur om een collectieve strategie tegen de anti-Joodse politiek te ontwikkelen een belangrijke factor geweest in het grotendeels slagen daarvan. Romijn spreekt, in navolging van Ankersmit, van ‘incrementele schuld’, waarbij actoren steeds meer worden bezoedeld als gevolg van de onmachtige situatie waarin zij moesten opereren. Een fraaie omschrijving van een trieste eindbalans.

Ik ben, dit slagveld overziende (ook burgemeesters zijn maar mensen), dan ook vooral geneigd om mijn grote respect uit te spreken voor die enkelingen, zoals de burgemeesters van Adorp (Bruins Slot), Bussum (Fernhout), Oldekerk (Ritzema) en Smilde (Berghuis), die al in de eerste oorlogsjaren aanblijven in strijd vonden met hun ambtseed en hun ontslag indienden. Ere wie ere toekomt.

Ed van Thijn was burgemeester van Amsterdam van 1983 tot 1994.

Peter Romijn
Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen onder Duitse bezetting
520 p. Uitgeverij Balans, € 45,00

Afbeelding: Pieter Oud in 1959 (Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid)

Nieuwste berichten

Door het verraad van een Bataaf krijgen de Romeinen bijna de overhand op het leger van Julius Civilis. Schilderij door Otto van Veen, circa 1600.
Door het verraad van een Bataaf krijgen de Romeinen bijna de overhand op het leger van Julius Civilis. Schilderij door Otto van Veen, circa 1600.
Recensie

Romeinen brachten de Lage Landen een in bloed gedrenkte vrede

Vijf eeuwen lang maakten de Lage Landen deel uit van het Romeinse Rijk. Robert Nouwen beschrijft tot in de details hoe dat verliep: eerst met veel bloedvergieten, later was sprake van imitatie en wederzijdse beïnvloeding. Toen Augusto Massari, de Italiaanse ambassadeur in Nederland, in mei een bezoek bracht aan Krommenie was hij duidelijk teleurgesteld. Hem...

Lees meer
Pieter Jan Foppesz en zijn gezin
Pieter Jan Foppesz en zijn gezin
Artikel

De gelukkigste kinderen ter wereld

Nederlandse kinderen werden eeuwenlang aan steeds andere pedagogische idealen onderworpen. Soms was het credo orde en tucht, dan weer ongedwongenheid. Wat heeft dat uiteindelijk opgeleverd? In 1530 schilderde Maarten van Heemskerck de Haarlemse koopman en schepen Pieter Jan Foppesz en zijn gezin. Het is een van de oudste gezinsportretten uit de Lage Landen. Pieter Jan...

Lees meer
De Tijdreiziger door Philip Dröge
De Tijdreiziger door Philip Dröge
Interview

‘De tijd trekt zich nergens iets van aan’

In zijn nieuwe boek De Tijdreiziger reist Philip Dröge de wereld over om te onderzoeken hoe complex en cultureel bepaald ons begrip van tijd is. Onderweg ziet hij hoe volken de tijd eeuwenlang verschillend hebben beleefd. ‘Maar als er één ding over is van het kolonialisme, dan is het hoe de hele wereld tot vandaag...

Lees meer
Kees van Kooten (links) en Wim de Bie als Jacobse en Van Es.
Kees van Kooten (links) en Wim de Bie als Jacobse en Van Es.
Recensie

Nagenieten van vele VPRO-programma’s

De VPRO bestaat 100 jaar. Ter gelegenheid daarvan schreef Jan Haasbroek een aanstekelijk overzicht van alle spraakmakende radio- en tv-programma’s. ‘Vandaag spreken wij u over het thema “Halszaak of mestoverschot”. En waarheen? Ach ja, luisteraars, het mestoverschot… Juist, een goede morgen dus…’ Wie in de jaren tachtig naar het VPRO-radioprogramma Het Gebouw luisterde, herkent de...

Lees meer
Loginmenu afsluiten