Wat vonden rechters eeuwen geleden van marteling als verhoormethode?
‘Marteling was in de Middeleeuwen en de vroegmoderne tijd een normaal onderdeel van het rechterlijke proces. Bij ernstige delicten zoals halsmisdrijven en recidive kon de beul worden opgeroepen. De reden hiervoor is dat een bekentenis altijd nodig was om een verdachte te kunnen veroordelen. Als er voldoende indicatie voor een misdrijf was, deed de officier van justitie een verzoek aan de schepenen (rechters). Die mochten vervolgens beoordelen of een scherprechter, oftewel een beul, gerechtvaardigd was. Als zij vonden van wel, overlegde de officier met de beul over de martelmethoden en kon hij aan het werk.’
Waarom was een bekentenis zo belangrijk?
‘In de late Middeleeuwen bestond nog niet zoiets als strafrecht. Als er bijvoorbeeld een moord was gepleegd, was het in eerste instantie zaak dat de nabestaanden genoegdoening kregen. Er moest een overeenkomst worden gesloten en de rechter bemiddelde in eerste instantie. De bekentenis werd later, bij het ontstaan van het strafrecht, het belangrijkste bewijs omdat die werd gezien als het ultieme bewijs. Ook werd er in die tijd nog heel weinig ander bewijs verzameld. Een bekentenis was daardoor cruciaal.
Bekentenissen onder tortuur waren echter niet voldoende voor een veroordeling. In de verhoren werd aan verdachten opnieuw gevraagd of zij de ten laste gelegde misdrijven hadden gepleegd. Er staat daarom in elk vonnis: “buiten pijn en banden van ijzer”. Dit was de zogenaamde verklaring uit vrije wil.’

Waren beklaagden dan niet bang voor een nieuwe ronde tortuur als ze hun verklaring zouden intrekken?
‘Zeker, maar in de praktijk vond die nieuwe ronde bijna nooit plaats. Dat had ook praktische redenen: de beul moest dikwijls uit een andere plaats komen en kostte veel geld.’
Hoe werd er gekeken naar het beroep van beul?
‘Een beul of scherprechter en zijn familie stonden in zekere zin buiten de samenleving en woonden vaak buiten de stad. Mensen wilden niet met de beul geassocieerd worden, al werd er ook tegen hem opgekeken. Hij werd goed betaald en oefende als enige de functie uit. Vaak overlegde hij met de officier van justitie welke martelmethodes gepast waren. Hij legde dan zijn spulletjes bij wijze van stil dreigement in het zicht van de verdachten en kon vervolgens overgaan tot marteling.’
Wanneer raakte tortuur in onbruik?
‘In de vroegmoderne tijd is er een duidelijke afname waarneembaar van tortuur als drukmiddel en lijfstraffen in het algemeen. Waar in de Middeleeuwen nog wel eens oren, neuzen of handen werden afgesneden, was dat zeker na de zestiende eeuw echt niet meer gebruikelijk. In de samenleving kwamen andere ideeën over criminaliteit. Er trad een humanisering op. Terwijl in de Middeleeuwen geweld een gebruikelijke manier was om iets op te lossen, werd het vanaf de zestiende eeuw steeds meer bestraft. Daarnaast werd opvoeding steeds belangrijker. Er werden bijvoorbeeld tuchthuizen opgericht om mensen zedelijkheid bij te brengen. In 1798 werd in de Lage Landen officieel vastgelegd dat tortuur werd afgewezen. Sindsdien maakt het geen onderdeel meer uit van de rechterlijke praktijk.’

Foto: Sailko, Wikimedia Commons.
