Médecins Sans Frontières (MSF), de moederorganisatie van Artsen zonder Grenzen, is een medische internationale hulporganisatie. Momenteel biedt MSF hulp in Nepal na een dodelijke overstroming en is de organisatie werkzaam in Oekraïne en Gaza, waar ze burgerslachtoffers bijstaat.
De organisatie wil die werkzaamheden in volledige neutraliteit en politieke onafhankelijkheid kunnen uitvoeren: in haar handvest staat dat de ngo ‘algehele vrijheid in het uitoefenen van haar taak’ eist. Die voorwaarde werd vastgesteld bij de stichting van MSF, dat werd geboren uit onvrede over politieke inmenging bij het Internationale Rode Kruis.
Dit artikel is exclusief voor abonnees
Tegen overheidsnabijheid
Toen er in Nigeria in 1965 de zoveelste deelstaatverkiezingen plaatsvonden, gebeurde dat binnen een onstabiel politiek klimaat. Het West-Afrikaanse land was pas sinds 1960 formeel onafhankelijk van het Verenigd Koninkrijk, en sindsdien zaten de verschillende etnische groepen in het land elkaar regelmatig in de weg. Vooral de christelijke Igbo-stammen werden systematisch onderdrukt. Deze botsingen leidden tot een coup en snel daarna een tegencoup, waarop de Igbo de zuidelijke provincie Biafra tot onafhankelijke republiek uitriepen. De centrale regering reageerde genadeloos. In een mum van tijd brak een burgeroorlog uit.
‘De Nigeriaanse overheid blokkeerde alle voedseltoevoer naar Biafra,’ vertelt Thea Hilhorst, hoogleraar humanitaire studies aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ook het Internationale Rode Kruis (ICRC), dat artsen en medewerkers naar het gebied stuurde om daar humanitaire hulp te verlenen, was slechts in staat medicijnen te leveren. ‘Voor de hongersnood die volgde, hielden enkele betrokkenen het ICRC medeverantwoordelijk,’ zegt Hilhorst.

De ramp verdeelde het Rode Kruis ook intern. Velddelegaties stonden vaak tegenover leidende functionarissen. ‘De mensen in het veld waren bereid de voedselblokkade te trotseren, ook als dat een breuk betekende met de indertijd bestaande regels van het humanitaire oorlogsrecht, dat uithongering als oorlogswapen tolereerde. Maar de leidinggevenden vreesden dat herhaalde ongehoorzaamheid de geloofwaardigheid van het ICRC en de integriteit van het humanitaire oorlogsrecht als geheel zou ondermijnen,’ zegt historicus Boyd van Dijk, onderzoeker naar de rechtspraktijk in oorlogssituaties aan Sciences Po in Parijs.
Ook een groepje Franse artsen in dienst van het Rode Kruis was gefrustreerd over de gang van zaken in Biafra. ‘Volgens hen werkte de organisatie te nauw samen met de Nigeriaanse staat,’ legt Jean-Benoit Falisse uit, die aan de Universiteit van Edinburgh onderzoek doet naar herstelprogramma’s voor slachtoffers van crises en rampen. ‘De Franse medewerkers zagen weinig heil in deze samenwerking. Zij vreesden dat de overheidsnabijheid fundamentele werkzaamheden van de humanitaire missie in de weg stond. Ze vonden dat het ICRC niet de vrijheid had om misstanden aan te kaarten en deze te corrigeren.’ Daarom besloten zij, na hun terugkeer uit Biafra, een alternatieve organisatie op te richten: Médecins Sans Frontières.
Getuigenissen van misstanden
MSF had op veel punten dezelfde principes als het Rode Kruis. Ze stonden allebei voor neutraliteit, onpartijdigheid en medemenselijkheid. Maar in tegenstelling tot het Rode Kruis wilde Artsen zonder Grenzen verslag doen van de humanitaire schendingen die ze waarnamen. Die getuigenissen stonden ook wel bekend als témoignage.
‘Het meningsverschil in Biafra draaide om de vraag wat neutraal humanitair handelen betekent,’ zegt Van Dijk. ’Zo zagen de oprichters van MSF de diplomatieke stilte van het ICRC als een uiting van stilzwijgende medeplichtigheid aan postkoloniale wreedheden. Vooral in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog en het daaraan verwante Franse Vichy-regime werd zwijgen over massaal geweld gevoeld als collaboratie.’ Het ICRC zag discretie juist als de ultieme vorm van neutraliteit. ‘Het Rode Kruis wilde misstanden niet publiekelijk maar privaat aan de kaak stellen, om geen partijen van zich te vervreemden.’
Volgens Van Dijk ging het de Franse artsen om de verhouding van hulpverleners tot het oorlogsrecht: ‘blijf je strikt binnen die grenzen, zoals het ICRC leek te doen, of stel je die grenzen actief ter discussie? Het Rode Kruis wilde te allen tijde handelen binnen de internationale voorschriften voor oorlogsvoering, maar MSF stelde deze voorschriften ter discussie en verzette zich tegen de “terughoudende en soevereiniteit-dominante” invulling ervan.’

Maar ook binnen MSF zelf was er onenigheid over de koers. Na Frankrijk werd er in België een MSF gesticht, en niet lang daarna in Nederland, Luxemburg en Spanje. Ze bestonden bijna tien jaar lang naast elkaar zonder dat ze verantwoording aflegden aan een overkoepelende organisatie. ‘MSF International kwam pas in de jaren negentig tot stand,’ vertelt Falisse. ‘Maar zelfs daarna behielden de landelijke takken van de organisatie, die bekend kwamen te staan als operational centres, hun eigen karakter en principes.’
Zo was er in de jaren tachtig sprake van een crisis tussen de Franse en Belgische branche. De Franse organisatie wilde gruweldaden veroordelen die zij waarnamen in Ethiopië, waar sprake was van humanitaire blokkades en hongersnood, en beschouwdedit als een essentieel onderdeel van hun werk. Maar de Belgen vonden dat anderen, zoals Amnesty International, beter gespecialiseerd waren om te getuigen.
Niet geheel onafhankelijk
Om getuigenissen te kunnen doen, vond MSF dat het volledig onafhankelijk moest opereren in de landen waar artsen actief waren. ‘MSF staat niet daadwerkelijk los van politieke regelgeving, maar wel van politieke sturing,’ zegt Hilhorst. De hulpverleners hebben goedkeuring nodig van het crisisland om aan de slag te gaan, beaamt Falisse: ‘Als ngo kun je niet zomaar ergens opduiken en je gang gaan.’
Overheden stellen grenzen waarbinnen ngo’s hun werk mogen doen, maar MSF stelt deze grenzen regelmatig ter discussie. ‘Een recent voorbeeld is de humanitaire crisis in Gaza,’ zegt Falisse. De Israëlische regering droeg humanitaire organisaties op om gedetailleerde informatie over hun personeel prijs te geven, waaronder namen en identificatienummers. Met deze voorschriften werd het werk van MSF onveilig en onuitvoerbaar, vond de organisatie. Dus stemden de hulpverleners er niet mee in.
Ook economisch is MSF niet geheel onafhankelijk. Volgens Hilhorst is MSF terughoudend bij het aannemen van overheidsgeld. ‘Maar in de jaren tachtig accepteerde de organisatie wel regelmatig geld van de Europese Unie en individuele regeringen,’ zegt Falisse. Dit zwoor de organisatie pas volledig af in 2016 vanwege het Europese afschrikkingsbeleid ten opzichte van migranten. Hilhorst legt uit dat MSF niet langer geld wilde aannemen van landen die zelf betrokken waren ‘bij het schenden van het humanitair oorlogsrecht’. Sindsdien ontvangt de organisatie slechts in zeer geringe mate overheidsgeld: wereldwijd maakt overheidsfinanciering ongeveer 1 procent uit van de totale ingezamelde middelen.
Op papier is Artsen zonder Grenzen neutraal, maar in de praktijk is humanitair werk van nature uiterst politiek, besluit Falisse. ‘Als je in een crisissituatie moet optreden, moet je je politiek gedragen. Niet in de laatste plaats omdat dat in het belang is van je humanitaire missie. Aan de ene kant heb je mensen die van mening zijn dat je door te zwijgen je werk kunt blijven doen. Aan de andere kant zijn er artsen die bereid zijn oorlogsmisdaden aan de kaak te stellen, met het risico dat ze worden weggestuurd, maar met de hoop dat dit een wijdverspreide reactie teweegbrengt. Welke strategie daadwerkelijk meer mensen redt, hangt sterk af van de crisis; elke noodsituatie vereist een andere houding.’
