De bekladding van het Nationaal Monument op de Dam door vermoedelijk pro-Palestijnse activisten in de vroege ochtend van 4 mei is geen primeur. In 1969 besmeurden activisten niet alleen het Verzetsmonument in Utrecht met rode verf, maar lieten zij ook twee rookbommen afgaan tijdens de Dodenherdenking.
Destijds was het Amerikaanse oorlogsgeweld in Vietnam de aanleiding voor de actie. Verschillende protestclubs met klinkende namen als Socialistische Jeugd, Actiegroep Universiteit, Kargadoor en Tatatantan hadden in de aanloop naar 4 mei 1969 een manifest ondertekend waarin zij ‘de onwaarachtigheid van de 40-45 herdenkers’ aan de kaak stelden. ‘Want hoe kun je alleen de doden van ‘40-’45 herdenken als op hetzelfde moment in Vietnam 25.000 mensen met napalm worden bestookt?’ lichtte de leider van de actie, John Panders, jaren later zijn motieven toe tegenover het Utrechts Nieuwsblad.
Om te protesteren tegen het zwijgen over de Vietnamoorlog, spoten de activisten een paar dagen voor 4 mei rode verf op het Verzetsmonument op het Domplein. Maar dat was nog lang niet alles. Op de avond van de Dodenherdenking gingen de 25-jarige John Panders en een groepje leeftijdsgenoten eerst naar het Pieterskerkhof, waar mensen zich verzamelden voor een stille mars naar het Domplein. Daar bracht Panders de eerste rookbom tot ontploffing. De organisatoren riepen de activisten tot de orde, maar lieten hen wel meelopen in de stoet.
Pas toen iedereen op het Domplein was aangekomen, kwam het echte klapstuk. Net als de andere deelnemers legde Panders aan de voet van het Verzetsmonument bloemen: een paar tulpen, bijeengehouden met wat zilverpapier en voorzien van twee rood-witte-blauwe linten met het opschrift ‘Aan de slachtoffers van het nieuwe fascisme’ en ‘Voor hen die vielen in Vietnam’. Op datzelfde moment liet hij een tweede rookbom afgaan. Witte wolken omhulden het monument op dramatische wijze.
‘Geen benul waar het monument voor staat’
Nu greep de politie wel in. Agenten arresteerden Panders en een medestander. Ook namen ze twee studenten mee om hen te beschermen tegen de vuisten van woedende omstanders. Hun reactie was het tegenovergestelde van waarop de activisten hadden gehoopt. ‘Ik wilde de arbeiders de ogen openen, maar juist die mensen konden me wel villen,’ zei Panders later. ‘Ik had niemand iets duidelijk gemaakt. Ik was waanzinnig argeloos geweest.’

De burgemeester van Utrecht, Coen de Ranitz, die bij de herdenkingsplechtigheid aanwezig was geweest, weigerde achteraf iets over het incident te zeggen tegen journalisten. De daders wilden aandacht, dus hoe minder erover in de krant kwam, hoe liever het hem was.
Maar voor een clubje jonge christenen was de verstoring van de Dodenherdenking het zoveelste teken dat er in Nederland ‘elementen’ waren die nergens meer respect voor hadden. Volgens hen was het tijd voor een tegenbeweging, te beginnen met een interkerkelijke ‘revivalmars’ in Den Haag. Niet om nog meer te polariseren, maar om een positieve boodschap uit te dragen. Want, zei de 20-jarige initiatiefnemer Hans Tims tegen De Telegraaf, ‘de jeugd die heden ten dage met geweld demonstreert, is misleid. […] De jongeman, die in Utrecht bij het monument ter herinnering aan de gevallenen een rookbom in een bloemenkrans verpakte, heeft eenvoudig geen benul van het feit, dat het monument daar staat voor jonge mensen, die vielen omdat zij tegen de Hitler-dictatuur vochten.’
Dat was natuurlijk onzin. Panders wist heel goed waar het Utrechtse Verzetsmonument voor stond; hij had niet voor niets de jaarlijkse herdenking van de Tweede Wereldoorlog uitgekozen om te protesteren tegen ‘het nieuwe fascisme’ van de Vietnamoorlog. Hij en Tims waren allebei twintigers met een boodschap, maar ze zonden die op compleet verschillende golflengtes uit.
