Plantagehouders in de Verenigde Staten begonnen graag over het Oude Egypte om de slavernij te rechtvaardigen. Ze zagen zichzelf als ‘erfgenamen’ van de farao’s en hun slavernijsysteem.
De Franse historicus Charles Vanthournout schrijft op het wetenschappelijk nieuwsplatform The Conversation dat negentiende-eeuwse Amerikanen hun jonge natie graag spiegelden aan grote rijken uit het verleden. Egypte zou hun een ‘bijzondere legitimiteit’ verlenen: net als de farao’s bouwde de witte elite van het Amerikaanse Zuiden een welvarende maatschappij op met slavenarbeid.
Volgens Vanthournout gingen de slavenhouders voorbij aan het feit dat de Egyptische slavernij niets te maken had met ras of plantages. Slaven in het Oude Egypte waren vaak krijgsgevangenen. Bovendien putten negentiende-eeuwse abolitionisten ook inspiratie uit de geschiedenis van de farao’s: zij zagen het Bijbelverhaal over de bevrijding van de tot slaaf gemaakte Israëlieten als voorbeeld voor hun eigen streven naar afschaffing van de slavernij.
