Door bestuurlijke chaos dreigde de Nederlandse Republiek ten onder te gaan. Eén dwarsliggende stad of provincie kon de besluitvorming op nationaal niveau verlammen. Dat ging zo niet langer, vond de regent Simon van Slingelandt. Hij maakte een hervormingsplan, dat in Den Haag menigeen in de gordijnen joeg.
Lang had Nederland er niet zo beroerd voor gestaan als na de Vrede van Utrecht in 1713. Weliswaar behoorde het niet tot de territoriale verliezers, maar de Spaanse Successieoorlog had de Republiek financieel volledig uitgeput. Nederland gleed geleidelijk af naar een staat van internationale impotentie, en de oorzaken waren niet alleen gelegen in economisch achterblijven vanwege zijn geringe formaat. Het probleem school evenzeer in het gebrekkige politieke functioneren van de Republiek. De oorlog had het staatsbestel nog enigszins op gang gehouden, maar nu traden de grote mankementen ervan aan het licht.
Er moest wat gebeuren, en er gebeurde vervolgens wat er in Nederland steevast gebeurt als er een groot probleem aangepakt moet worden: men kwam in vergadering bijeen. In het najaar van 1716 begon in Den Haag de zogeheten Tweede Grote Vergadering van alle gewestelijke vertegenwoordigers, die liefst tien maanden zou duren.
De belangrijkste initiatiefnemer, Simon van Slingelandt, was al sinds 1690 secretaris van de Raad van State. Hij wist precies wat er gebeuren moest, en ook dat dat op hevige tegenstand stuiten zou. Van Slingelandt maakte zich grote zorgen over de staat waarin de Republiek zich bij gebrek aan krachtig centraal leiderschap bevond. In het Tweede Stadhouderloos Tijdperk (1702-1747) had het aloude gewestelijke particularisme vrij spel – dat wat staatsgezinde regenten betitelden als ‘de ware vrijheid’, waarvoor het land ooit tegen de Spanjaarden was opgestaan. Een pleidooi voor krachtig leiderschap moest menig regent, zo innig tevreden met het ontbreken van enig leiderschap sinds de dood van stadhouder-koning Willem III, wantrouwig maken. Was immers niet steeds onder het mom van de noodzaak van sterk leiderschap een nieuwe Oranje in het zadel gehesen, die vervolgens de ware vrijheid had verkracht?

Duurbetaalde ambten
Volgens Van Slingelandt, zelf geboren in een Dordtse regentenfamilie, was de zo bejubelde ware vrijheid ontaard in een ware anarchie van lokale zelfzuchtigheid. Op diverse stadhuizen waren de vroede vaderen, zoals de memoires van de Gorcumse burgemeester Diderik van Bleyswijk op ontwapenende wijze schilderen, vooral bezig met het bemachtigen van de ‘eereampten’ en ‘vetste bedieningen’ voor zichzelf, hun zonen of hun clan. Dideriks enige zorg schijnt te zijn geweest of hij bij bepaalde vrijkomende baantjes niet achter het net zou vissen. Eens liet hij zich het ambt van tolontvanger toewijzen, dat hij wegens een vermeend sterfgeval als vacant beschouwde, maar toen bleek degene die hij wilde vervangen bij nader inzien toch nog niet overleden. Gelukkig voor Van Bleyswijk deed de desbetreffende ambtenaar dit binnen afzienbare tijd alsnog.

Ook Van Slingelandt zou niet aan het corrupte systeem ontkomen, toen hij in 1727 voor het ambt van raadpensionaris van Holland kandideerde. De Gorcumse regent Abraham van Hoey wilde hem alleen steunen als hijzelf in ruil daarvoor, hoewel van elke buitenlandervaring gespeend, de vacante ambassadeurspost in Parijs toegeschoven kreeg.
In Amsterdam hadden burgemeesters de beschikking over ruim drieduizend banen, die zij tegen hoge koopsommen onder hun aanhang en familie lieten rouleren. Wat tot tal van nieuwe misbruikgevallen leidde, omdat de tijdelijke uitbaters van die duurbetaalde ambten natuurlijk wel streefden naar een zeker rendement. En wat op lokaal niveau gebeurde, gebeurde evengoed op nationaal niveau. Bij de admiraliteit bijvoorbeeld ging het net zo. Toen in 1744 een smaldeel van acht oorlogsschepen naar Engeland moest worden uitgezonden, werd dit bij wijze van vriendendienst toevertrouwd aan het bevel van de 73-jarige luitenant-admiraal Hendrik Gravé uit Rotterdam, die nog nooit enig gevecht van belang had bijgewoond, al in geen vijftien jaar meer een boot van binnen had gezien, en daarbij zo stijf was van de jicht in zijn grote teen, dat hij bij storm op zijn stoel moest worden vastgesjord om niet overboord te slaan.
Oorlog om de Spaanse troon
De Spaanse Successieoorlog (1701-1713) was een van de voor de achttiende eeuw typerende grote oorlogen, waarin het vorstelijk erfrecht ondergeschikt werd gemaakt aan het Europese machtsevenwicht. De Franse Bourbons en de Oostenrijkse Habsburgers stonden daarbij tegenover elkaar, waarbij Wenen werd ondersteund door Engeland en Nederland, op dat moment verenigd onder stadhouder-koning Willem III. Met de dood van de kinderloze koning Karel II in 1700 was de Spaanse tak van de Habsburgers uitgestorven. Puur erfrechtelijk konden zowel de Franse koning Lodewijk XIV als de keizer van het Heilige Roomse Rijk van de Duitse Natie, Leopold I, de Spaanse troon claimen. Beiden waren zwagers van Karel. Omdat een personele vereniging van de Spaanse kroon met de Franse of Roomse voor de tegenpartij onacceptabel was, kwam het na twaalf jaar oorlog tot een opdeling, waarbij de tweede kleinzoon van Lodewijk Spanje zelf kreeg, en de tweede zoon van Leopold de Italiaanse en (Zuid-)Nederlandse bezittingen. De Nederlandse Republiek mocht de stad Venlo en een aantal dorpen in het huidige Midden-Limburg aan haar grondgebied toevoegen.

Vetorecht
Vriendjespolitiek en corruptie waren niet de enige kwalen waaraan het openbaar bestuur leed. De hoofdkwaal vormde de weinig effectieve staatkundige organisatie van de Republiek. De onbeperkte soevereiniteit van elke afzonderlijke provincie stond de slagvaardigheid in de weg. Op elk niveau – in de Staten-Generaal, in de provinciale Staten en in de steden – gold het unanimiteitsbeginsel. Alle leden hadden dus vetorecht. Dit, samen met de onzalige verplichting tot voortdurende last en ruggespraak, leidde ertoe dat elk willekeurig lid de besluitvorming telkens volledig kon platleggen.
Voor elk nieuw plan en elke nieuwe stap moesten afgevaardigden eerst de achterban thuis raadplegen. Voordat iedereen dan weer op het Binnenhof aanwezig was, was men weken verder. Zolang niet de laatste afgevaardigde uit Dokkum of Zierikzee was teruggekeerd, lag zelfs in zaken van oorlog en vrede de besluitvorming stil. Wat dat in geval van hardnekkige tegenwind op de Zuiderzee betekende voor de collectieve daadkracht, laat zich denken. Het beraad werd er vaak zo lang door gerekt, dat ofwel het meest geëigende tijdstip om te handelen allang was verstreken, ofwel het veel besluitvaardiger optreden van andere mogendheden het aantal eigen opties tot één had beperkt. Het was dan ook, zoals Van Slingelandt opmerkte, ‘een wonderwerk van de goddelijke Voorzienigheid’ dat de Republiek überhaupt nog bestond.
Het was ‘een wonderwerk van de goddelijke Voorzienigheid’ dat de Republiek nog bestond
Ook voor buitenlandse diplomaten was de stadhouderloze republiek een onhandelbaar veelkoppig monster, waarop geen peil te trekken viel. Om te beginnen werden hun vertrouwelijke nota’s hardop in de Staten-Generaal voorgelezen, waardoor elke vorm van geheimhouding natuurlijk onmogelijk was. Vervolgens werd ook nog eens elke belangrijke kwestie naar de vergadering van de afzonderlijke Staten terugverwezen, waar één dwarsliggende stad de hele besluitvormingsmachinerie kon stilzetten. Een ambassadeur kon na zijn accreditatie in Den Haag niet, zoals in Wenen of Berlijn, volstaan met het raadplegen van één vorst en één minister, maar moest soms ook naar zo’n Dokkum of Zierikzee afreizen om een obstinate burgemeester te bewerken.
Hoezeer de Republiek zich door het unanimiteitsbeginsel tot de internationale risee dreigde te maken, zou later nog blijken bij het Verdrag van Sevilla dat in 1729 een nieuwe Europese oorlog moest helpen afwenden. De Staten-Generaal ratificeerden het verdrag slechts met de grootste moeite en pas na een klein jaar. Die vertraging trad alleen maar op, omdat de wereldstad Den Briel – een van de achttien stemhebbende steden in de Staten van Holland – haar goedkeuring afhankelijk had gemaakt van de benoeming van een van haar ingezetenen tot officier in het Staatse leger. Er moest dus eerst intern het nodige worden uitonderhandeld. Lokaal eigenbelang domineerde zo vaak de internationale koers.

Juist deze wurggreep waarin zelfs een van de kleinste Hollandse steden in een recalcitrante bui de hele Republiek kon houden, was Van Slingelandt een doorn in het oog. Onvermoeibaar kwam hij met voorstellen om het staatsbestel te herzien. Voor treuzelen was de tijd voorbij, en Van Slingelandt zou niet nalaten de regenten eraan te herinneren dat drastische hervormingen onvermijdelijk waren. Dat ze niet konden volstaan met her en der wat oppervlakkigs te verbeteren of allerlei vage beloften te doen en fraaie verklaringen af te leggen, maar dat het noodzakelijk was ‘om de wortel van het kwaad aan te tasten’.
Wensenlijstje
De kans om echt iets te veranderen leek op 28 november 1716 gekomen, toen de Tweede Grote Vergadering in de Trêveszaal samenkwam, naar het voorbeeld van de Eerste Grote Vergadering van 1651. Het voornaamste agendapunt vormde een geregelde afdanking van de troepen, waartoe sommige gewesten al direct na het vredesakkoord in 1713 eigenmachtig waren overgegaan. In samenhang daarmee stond de noodzakelijke herordening van de federale financiën.
Na veertig jaar oorlog voeren met Frankrijk was de Nederlandse staat nagenoeg failliet. De schulden waren zo groot, dat de Republiek in 1715 negen maanden lang de kantoren ter uitbetaling van de rente had moeten sluiten. Zes jaar later durfde Van Slingelandt het totale bedrag van het begrotingstekort niet eens op te schrijven. De gebrekkige belastingheffing, gepaard aan provinciale – of provinciaalse – geborneerdheid, was daarbij een probleem op zich, speciaal als het ging om de verdeling van de lasten voor de landsverdediging. De binnenlandse gewesten wilden niet meebetalen aan de vloot; voor de aan zee gelegen gewesten had omgekeerd het leger veel minder prioriteit.
Eerherstel dankzij de patriotten
De belangrijkste nota’s van Van Slingelandt waren interne beleidstukken, die pas lang na zijn dood in 1784 of 1785 zijn gepubliceerd. De daarin vervatte heftige kritiek op de regentenoligarchie was de reden dat ze zolang geheim waren gehouden – en tegelijk de reden dat ze nu wel werden gepubliceerd. Zijn kritiek werd namelijk onderschreven door de patriotten. Hun val na de Pruisische invasie van 1787 verhinderde eigen pogingen tot staatkundige hervorming, die overigens een veel minder centralistisch karakter hadden. Het waren pas de Bataven die na hun geslaagde revolutie van 1795 een eenheidsstaat schiepen. Er kwam met de Fransen uiteindelijk een sterke uitvoerende macht, die eerst aan de gewestelijke autonomie een einde maakte, en vervolgens aan het nieuwe parlement.

Zo ging het niet langer. In een reeks nota’s stelde Van Slingelandt de constitutionele hervormingen op schrift die noodzakelijk waren om de Republiek van haar ondergang te redden. Allereerst dienden de leden van de Staten-Generaal voortaan zonder bemoeienis van het thuisfront hun stem te kunnen uitbrengen, en niet voor elk wissewasje weer naar het einde van de wereld af te hoeven reizen. Ook moest een einde komen aan het unanimiteitsbeginsel. Een bepaalde gekwalificeerde meerderheid moest volstaan.
Ten tweede diende een krachtige uitvoerende macht in het leven te worden geroepen, want nu ‘regeerden’ de Staten-Generaal nog grotendeels zelf. Iedereen kon zien waar dat toe leidde. Wat ontbrak was een instantie die bijvoorbeeld nalatige gewesten tot betaling van hun aandeel in de gezamenlijke financiën kon dwingen. Dit had ook op het wensenlijstje van de Eerste Grote Vergadering gestaan, maar was er toen door dwarsliggen van Holland niet van gekomen. Om uitgevaardigde wetten en besluiten te kunnen doorvoeren, wilde Van Slingelandt een centrale regeringsraad creëren. Die zou tevens de dagelijkse zaken behartigen. De leden van de regeringsraad moesten voor het leven zitting nemen, of tenminste voor een lange periode, zodat zij niet bij de minste onwelgevallige beslissing weer uit hun ambt werden gezet. Voor de Staten-Generaal was nog slechts een budgettaire en adviserende rol weggelegd.
Er ontbrak een instantie die nalatige gewesten tot betaling kon dwingen
En dan was er natuurlijk nog een laatste belangrijk aspect. Besluiten nemen was één ding, besluiten zelf uitvoeren een tweede, maar besluiten door derden uitgevoerd zien te krijgen was in deze Republiek punt drie. Hoe vaak hadden niet provinciale bestuurscolleges door de generaliteit afgekondigde maatregelen heimelijk tegengewerkt of haar verordeningen botweg genegeerd? Om die reden was het nodig dat de Raad van State over rechtsprekende bevoegdheden beschikte, om die afzonderlijke gewesten bij weigering tot medewerking te kunnen dwingen. Kortom: Van Slingelandt wilde een sterkere federale overheid, waarvan de beleidseffectiviteit niet van allerhande plaatselijke grillen afhankelijk was, en die weerbarstige lagere overheden met sancties tot de orde kon roepen.
Eensgezinde afwijzing
Dat was precies de reden waarom de meeste regenten niets in zijn ideeën zagen. De mogelijkheid gestraft te worden als ze zich niet aan afspraken hielden, stond hun niet als de correcte staatkundige vertolking van de ware vrijheid voor de geest. De centraliserende en bindende strekking van de voorstellen, die hun regionale regentenmacht beoogden in te dammen, sprak hen daarom niet aan. De meeste in Den Haag vergaderende regenten waren zeer eensgezind in hun opvatting dat verdeeldheid moest worden gekoesterd, en zeker niet met dwangmiddelen tegengegaan. Die nare adviezen van Van Slingelandt behoorden niet te worden opgevolgd. Hij slaagde er niet in om ook maar iets van zijn voorstellen door de Tweede Nationale Vergadering geaccepteerd te krijgen. Zelfs het opstellen van een overzicht van de euvelen bleek een brug te ver, laat staan een debat over de oplossing daarvan.

Van al zijn pogingen bestuurlijk orde op zaken te stellen kwam niets terecht omdat, zoals Van Slingelandt al in 1715 moest constateren, ‘de humeuren er gans niet naar gesteld waren’ om het over iets anders te hebben dan bezuinigingen op defensie. Voorstel na voorstel werd zodoende afgewezen. Vooral aan het eigen vetorecht hielden de afgevaardigden stug vast. Het kon immers niet zo zijn dat Zwolle en Kampen samen konden bepalen wat Amsterdam moest vinden. Dat bepaalde Amsterdam liever zelf. Na een klein jaar vergaderen was de staatsinrichting van Nederland nog net zo’n krakende wagen als daarvoor.
Meer weten:
- Staatsbelang boven regentengezang (2021) door Arend van Essen is een proefschrift over Van Slingelandts staatkundige voorstellen.
- Simon van Slingelandt. Last chance of the Dutch Republic (2013) door Piotr Napierala bevat een intrigerende stelling.
- De Republiek der Verenigde Nederlanden als grote mogendheid (2002) door Olaf van Nimwegen gaat over de eerste helft van de achttiende eeuw.
