Ard Schenk en Kees Verkerk verdienden nauwelijks iets aan hun schaatssuccessen. Daarom richtten ze als eersten een professionele schaatsploeg op. Het werd een debacle.
In de winter vinden vrijwel elke week wel ergens schaatswedstrijden plaats. Voor nationale, Europese en wereldkampioenschappen of de Olympische Spelen. Namens Nederland dingen vijf professionele teams mee om de prijzen. Dat die alleen kunnen bestaan dankzij commerciële steun lijkt vanzelfsprekend, maar lange tijd was dat niet zo.
In het gouden tijdvak van ‘Ard en Keessie’ (tussen 1965 en 1972) reden topschaatsers nog voor een onkostenvergoeding, die nauwelijks genoeg was om alle kosten te dekken. Er bestond zelfs een officiële ideologie rond wedstrijdschaatsen die alleen meedoen op amateurbasis toestond. Terwijl bij wedstrijden in Noorwegen en Nederland tienduizenden betalende bezoekers langs de kant stonden, moesten Ard Schenk en Kees Verkerk het doen met een paar tientjes dagvergoeding van de schaatsbond. Ze vulden die aan met publiciteitswerk, zoals winkelopeningen. Maar dat was eigenlijk niet de bedoeling van de schaatsofficials: schaatsen moest je doen voor je plezier en het vaderland.
Schenk en Verkerk probeerden in 1972 te breken met dat gedachtegoed. Samen met Noorse en Zweedse topschaatsers richtten ze een professionele schaatsploeg op, die met Amerikaans geld het wedstrijdschaatsen vooruit moest stuwen. Sportjournalist Frits van Rijn heeft de fascinerende geschiedenis van dat initiatief gedetailleerd opgetekend. Op basis van tientallen interviews en duizenden krantenberichten schetst hij het beeld van een desillusie.
Want het werd een debacle, dat professionele schaatsen. De Amerikaanse sponsors hadden wel geld, maar geen verstand van schaatsen, en bij de schaatsers lag dat precies andersom. Ze hadden ook niet gerekend op de enorme weerstand. Van de schaatsbonden was dat te verwachten, maar dat ook het publiek niet massaal afkwam op de wedstrijden was een misrekening. Veel ijsbanen werkten niet mee omdat ze vreesden dat de officiële amateurkampioenschappen hen zouden boycotten. Een terechte vrees: de profs mochten aan die kampioenschappen niet meedoen en moesten maar afwachten waar ze konden trainen en schaatsen, op tweederangs banen veelal. Na amper twee jaar doormodderen ging de stekker eruit.
Van Rijn is desondanks optimistisch gestemd over de invloed van deze enerverende schaatsjaren. Hij meent dat Schenk en Verkerk op lange termijn de basis hebben gelegd voor het huidige Nederlandse succes door hun ideeën over wat professioneel schaatsen kon zijn: op topniveau met behoud van plezier en vaderlandsliefde.
IJsbrekers. Hoe Ard Schenk en Kees Verkerk schaatsen professionaliseerden
Frits van Rijn
335 p. Uitgeverij Nieuw Amsterdam, € 29,90

