• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 3/2017

    Zo bereidde Atatürk de weg voor Erdogan

    Atatürk moet niets hebben van de islam

    Door: Maurice Blessing

    Mustafa Kemal Atatürk stichtte het moderne Turkije. Maar anders dan vaak gedacht, wilde hij religie en staat niet van elkaar scheiden. De overheid bepaalde hoe de ‘echte’ islam eruit hoorde te zien. En dat komt de huidige president, de islamitische populist Recep Erdogan, erg goed uit.

    Op 23 april 1920 dromde een opgewonden menigte samen rond de ingang van de Haci Bayram-moskee in de oude stad van Ankara. De aanwezigen wensten een glimp op te vangen van de 324 afgevaardigden van de nationalistische verzetsbeweging die later die dag, na het publieke vrijdaggebed, aan de allereerste Grote Nationale Vergadering van Turkije zouden deelnemen.

    Doel was de vestiging van een nieuw nationaal parlement en regeringscentrum in het hart van Anatolië, als alternatief voor de ‘collaborerende’ regering van de Osmaanse sultan-kalief in Istanbul. De sultan was namelijk met handen en voeten gebonden aan de gehate westerse bezettingsmachten die al sinds de wapenstilstand van oktober 1918 kissebisten over de definitieve opdeling van het verslagen Osmaanse Rijk.

    Dat uit de geallieerde beraadslagingen weinig goeds voor de Turken zou voortkomen, was overduidelijk. De Britse premier David Lloyd George wenste hen in zijn eigen woorden ‘met kop en kont’ uit Europa en de Anatolische kustgebieden te schoppen. Hij omschreef de Turken als ‘een menselijke kanker die zich heeft vastgezet in het vlees van de landen die zij door hun wanbestuur tot levenloze rotting hebben gebracht’.
     

    De Britse premier David Lloyd George wenste hen ‘met kop en kont’ uit Europa en de Anatolische kustgebieden te schoppen

    Zijn Franse evenknie Georges Clemenceau was al evenmin onder de indruk van de eeuwenoude Turks-Osmaanse beschaving. Hij meende dat in landen waaruit de Turken zich hadden teruggetrokken de materiële welvaart en het culturele niveau sterk waren gestegen.
     

    Baardhaar van de profeet

    Na afloop van de gebedsdienst marcheerden de parlementariërs in spe naar het bescheiden clubgebouw van de Turks-nationalistische beweging. Het zaaltje waar de nieuwe staat Turkije zou worden aangekondigd, was versierd met een replica van de banier van de Profeet en één van zijn authentieke baardharen. Na opnieuw een gezamenlijk gebed, ingeleid door een imam, nam voorzitter Mustafa Kemal – die in 1934 de familienaam Atatürk of ‘Vader Turk’ zou aannemen – het woord.

    ‘Na de ondergang van de kalifaten van Damascus, Cordoba, Caïro en Bagdad,’ zo verklaarde Kemal, ‘is nu ook het laatste centrum van het moslimkalifaat onder de schaduw van vijandelijke wapens gevallen.’ Het volk diende ten strijde te trekken tegen de vreemde bezetters, en wel volgens de eeuwenoude voorschriften van de islam.

    Wie niet beter wist, zou denken dat de nieuwe staat Turkije het karakter kreeg van een theocratie, gebaseerd op de islamitische wet of sharia – het woord ‘republiek’ viel die dag niet één keer. De eerste Grote Nationale Vergadering van Turkije hield het namelijk niet alleen bij islamitische retoriek en de dringende oproep aan alle afgevaardigden om vijfmaal per dag te bidden. Er werd ook een wettelijk verbod uitgevaardigd op de productie, verkoop en consumptie van alcohol, inclusief lijfstraffen voor overtreders. Zo ver waren de Osmaanse sultans nooit gegaan.

    De Brits-Indiase Kalifaatsbeweging kreeg de indruk dat Mustafa Kemal een wereldwijde jihad tegen de christelijke ‘kruisvaarders’ wilde ontketenen en maakte ter aanmoediging maar liefst 125.000 Britse pond naar Ankara over. De nationalistische schaduwregering nam het geld dankbaar aan – ook al zou zij uiteindelijk niet alleen de wapens opnemen tegen de vreemde bezettingsmachten, maar ook tegen de sultan-kalief in Istanbul.
     

    Nieuw vredesverdrag

    Mustafa Kemal Atatürk wordt algemeen beschouwd als de vader van de Republiek Turkije, die op 29 oktober 1923 werd opgericht op de puinhopen van het multi-etnische Osmaanse Rijk. Dat is grotendeels terecht: de nationalistische verzetsbeweging die onder zijn militaire en politieke leiding kwam te staan, bond van 1920 tot 1922 succesvol de strijd aan met de buitenlandse bezettingsmachten die het verslagen rijk onderling wilden verdelen. Door Atatürks successen op het slagveld wist de beweging in 1923 in Lausanne een nieuw vredesverdrag af te dwingen. Anatolië, Istanbul en Oost-Thracië bleven onder dit verdrag behouden voor Kemals gedroomde nieuwe natiestaat Turkije, die nu ook internationaal werd erkend.

    Nu kon de grote Turkse verzetsleider en staatsman aan zijn nationale hervormingsproject beginnen. Om te beginnen schafte de nieuwe Turkse regering onder zijn leiding in 1924 het kalifaat af. Twee jaar later werden de laatste bepalingen van de islamitische wetgeving of sharia buiten werking gesteld. In 1928 verdween de verwijzing naar de islam als staatsgodsdienst uit de Turkse grondwet.

    Toch was het niet zo dat Atatürk Kerk en Staat in Turkije van elkaar wilde scheiden; dat is een wijdverbreid misverstand. Hoewel hij inderdaad korte metten maakte met vrijwel alle oude Osmaanse islamitische instituten, was het hem niet om een principiële privatisering van religie te doen. Net zomin als de huidige president Recep Erdogan meende Atatürk dat de staat blind en doof diende te zijn voor het geloof van zijn onderdanen.
     

    ‘Westerse’ ideologie

    Hij wilde vooral de macht van de relatief autonome klasse van schriftgeleerden breken, zodat de islam volledig dienstbaar kon worden gemaakt aan een krachtige, moderne Turkse staat. Atatürk richtte dan ook nieuwe nationale religieuze instituten op, die onder strikte controle kwamen van het ambtelijk apparaat en daarmee van de heersende politieke partij – de zijne.

    Net als Erdogan geloofde Atatürk dat een sterke moderne natie moet worden geleid door een daadkrachtige president, die als een wijze patriarch over zijn onderdanen waakt en hen indien nodig met geweld in de juiste richting duwt. Alleen in hun geografische afkomst, en het daaraan verbonden wereldbeeld, verschillen de twee als water en vuur. Erdogan, een zoon van Anatolië, beschouwt de islam als het natuurlijke richtsnoer van de Turkse natie. Terwijl Atatürk, als geboren en getogen Europeaan, niets dan minachting voelde voor de islam, die hij verantwoordelijk hield voor alle misstanden en tekortkomingen van het Osmaanse Rijk. Hij wenste deze religie niet voor niets, in zijn eigen, heimelijke woorden, ‘op de bodem van de zee’.
     
    Maar dat betekende niet dat hij zich niet bewust was van de verknochtheid van het Turkse volk aan de islam. Of dat hij niet begreep dat het Turkse nationalisme of ‘turkisme’ een geïmporteerde ‘westerse’ ideologie was, die tijd nodig had om in een nieuwe conservatieve omgeving in te dalen. Beter dan de strijd met het geloof aan te gaan – een strijd die hij waarschijnlijk toch niet zou winnen – was het zaak de islam aan de nationale staat te onderwerpen.
     

    Als geboren en getogen Europeaan minachtte Atatürk de islam

    De klasse van schriftgeleerden, die de regels van de islam vanouds hadden overgeleverd en geherformuleerd, werd vervangen door een klasse van volgzame staatsambtenaren die de islam interpreteerden en propageerden zoals het de heersende seculiere elite uitkwam. In de toekomst zou de islam ongetwijfeld afsterven, meende de nieuwe Turkse leider. Maar in de tussentijd kon deze religie mooi worden ingezet voor de disciplinering van de ‘achterlijke’ Anatolische Turken.

    Het lijkt misschien vreemd dat Mustafa Kemal Atatürk, die geloofde dat de Turken een ‘Arisch’ volk waren dat ver verheven was boven alle andere, de meeste Anatolische Turken als onbeschaafd beschouwde. Maar ook dat kan vanuit zijn Europese afkomst worden verklaard. Hij werd namelijk rond 1881 in Salonika geboren, de havenstad aan de Egeïsche Zee die tegenwoordig als Thessaloniki deel van Griekenland uitmaakt. In zijn jeugd was dit de belangrijkste en meest kosmopolitische stad van ‘Roemelië’, de traditionele naam voor de Europese Osmaanse gebiedsdelen.
     

    Simpel en onbeschaafd

    Verstedelijkte Roemelische Turken als Mustafa Kemal keken neer op hun Anatolische broeders, die ze typeerden als onverschrokken en recht-door-zee, maar tegelijkertijd ook een beetje simpel en onbeschaafd. Ze beschouwden zichzelf daarentegen als wereldwijs, gecultiveerd en vooruitstrevend. Hun levenswijze was gericht op Europa, en dan met name op de Franse cultuur.

    De Roemelische Turken hadden sinds de zeventiende eeuw moeten toezien hoe hun geliefde Roemelië stukje bij beetje door de Habsburgers en Russen werd opgeslokt. En hoe het resterende deel eind negentiende eeuw was veranderd in een etnisch-religieus kruitvat, waar onder meer Grieks- en Bulgaars-orthodoxen gewapenderhand hun eigen, soevereine staten vormden. De halfslachtige tegenmaatregelen van de sultans in Istanbul wakkerden het spook van het nationalisme op de Balkan slechts verder aan. De vanouds dominante positie van de Turks-islamitische bevolkingsgroepen werd zo stap voor stap ondergraven.
     

    Revolutionaire plannen

    Mustafa Kemal was opgeleid aan de uiterst prestigieuze, op Duitse leest geschoeide Militaire Academie van Istanbul. Daar maakte hij deel uit van een nieuwe generatie ‘Jong-Turkse’ officieren, die de hele Osmaanse staat naar westers model wilden hervormen.

    Maar Mustafa Kemal en zijn verwesterde kornuiten wilden niet alleen het Osmaanse leger en de staat naar Europese snit herinrichten. Ook met de Osmaanse onderdanen hadden zij revolutionaire plannen. Zo opperde Mustafa Kemal al vroeg het idee van een opheffing van het multi-etnische Osmaanse Rijk. Daarvoor in de plaats zou een etnisch homogene Turkse staat moeten verrijzen, op basis van grootschalige bevolkingsuitwisselingen met de omringende naties. Zo zou een even sterk nationaal Turks bewustzijn kunnen worden gekweekt als dat van de verenigde Duitsers, dat op den duur de bindende rol van de ‘achterlijke’ islam zou kunnen vervangen.
     

    Atatürk verving islamitische schriftgeleerden door volgzame ambtenaren

    Deze culturele revolutie diende echter zeer geleidelijk te worden doorgevoerd. Al tijdens de Balkan-oorlog van 1912 had Mustafa Kemal gemerkt dat de meeste Anatolische soldaten zich een leven zonder religie niet konden voorstellen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog spotte hij in een brief met het ‘bijgeloof’ van zijn ondergeschikten, die meenden dat een heldhaftige dood op het slagveld hen regelrecht naar het paradijs zou voeren. Maar hij zag er tegelijkertijd het patriottische nut van in: ‘Mijn soldaten zijn gelukkig heel dapper en harder dan de vijand,’ schreef hij. ‘Wat nog meer telt, is dat hun persoonlijk geloof het gemakkelijker maakt om bevelen uit te voeren die hen de dood in sturen.’
     

    Cosmetische hervormingen

    De Osmaanse nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende bezetting door de geallieerden waren voor Mustafa Kemal een zegen verpakt als een vloek. Die gaven hem de gelegenheid om onder de vlag van het Turkse patriottisme de leiding over het verkruimelende rijk in handen te krijgen. Daarbij deinsde hij er niet voor terug het islamitische karakter van de Turkse vrijheidsstrijd te benadrukken. Niet omdat hij erin geloofde, maar omdat hij de islam waardeerde als mobilisatiemiddel, en wist dat een groot deel van de bevolking de strijd in die termen begreep. Bovendien had dit als voordeel dat het ook de islamitische Koerden bij de strijd betrok: zij zouden door een onaangelengd turkisme van de nationale strijd vervreemd zijn geraakt.

    Gelovige soldaten voeren makkelijker bevelen uit die hen de dood in sturen
     

    Maar het ongewenste gevolg op de lange termijn was dat het Turkse nationalisme een sterke religieuze component zou blijven behouden. Mustafa Kemals verwachting dat door een strikt staatstoezicht op het geloof en een meer ‘wetenschappelijke’ inrichting van politiek en samenleving alle vormen van ‘bijgeloof’ als vanzelf zouden verdwijnen, werd nooit bewaarheid. Het gros van de Anatolische bevolking had geen boodschap aan Atatürks ‘verlichte’ ideeën over de schadelijkheid van religie.

    Wel ging de Anatolische bevolking, veelal onder dwang, mee in zijn meer cosmetische hervormingen. Zoals de invoering van het Latijns schrift of het verbod op het dragen van de traditionele tulband of fez als hoofddeksel. Maar waar het voor hen wezenlijke zaken als het geloof betrof, stonden zij een radicale breuk met het Osmaanse verleden niet toe. Een orthodox-soennitisch gekleurd patriottisme bleef in het moderne Turkije onder het gewone volk de norm. De islamitisch georiënteerde volkspartij AKP van Erdogan zou vele decennia later met die wetenschap uitgebreid haar voordeel doen.
     
    Maurice Blessing is arabist en journalist.