Home Zag Anton een gat in de markt, dan sprong hij erin.

Zag Anton een gat in de markt, dan sprong hij erin.

  • Gepubliceerd op: 8 december 2004
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Doeko Bosscher

Het komt wel eens voor dat een biografie een historische figuur ontluistert en minder interessant maakt dan die eerder werd gedacht te zijn. Ook kan het gebeuren dat de biograaf zijn onderwerp niet aankan en er op de een of andere manier niet in slaagt diens belang te vatten. Bij de twee grote Nederlanders uit de categorie ‘zakenlieden’, Anton Philips en George van Beuningen, die ongeveer elkaars tijdgenoten waren, is dat niet gebeurd. Hun biografen Marcel Metze en Harry van Wijnen onderstrepen objectief, nuchter en zonder veel onnodige woorden te gebruiken wat hun protagonisten bijzonder maakte.


De auteurs vertellen hun verhaal met aanstekelijk genoegen. Van Wijnen is de betere stilist; Metze gaat wat meer in op wat er buiten Nederland gebeurde. Beiden verwijlen als nieuwsgierige gast in een wereld van aangeboren rijkdom en welvaart die zijzelf – vermoed ik – niet van binnenuit kennen. Het eerste hoofdstuk van Van Wijnen is getiteld ‘Een nalatenschap van miljoenen’, het tweede van Metze: ‘Een klaargemaakt bed’.

Anton Philips, de man die de gloeilampenfabriek in het zuiden des lands groot heeft gemaakt, noemde zakendoen een sport. Zijn spelopvatting was doelgericht. Niet het meedoen schiep genoegen, maar het winnen. Werklust en een buitengewoon goed zakelijk instinct – om niet van sluwheid te spreken – brachten het succes. Broer Gerard was in de traditionele betekenis van het woord briljanter dan Anton. Hij had een technische knobbel en experimenteerde met gloeilampen; hij was ook degene die in 1891 het bedrijf oprichtte.

Anton, vijftien jaar jonger dan Gerard, kwam in 1895 in de zaak om te helpen met de verkoop. In 1899 werd hij officieel medefirmant. Binnen een paar jaar na zijn aantreden behoorde Philips op gloeilampengebied tot de grote vier van Europa. Het bedrijf was daarmee een natuurlijk lid van de gloeilampenkartels, die in een tijd zonder lastige mededingingsautoriteiten floreerden. In 1924 erkende een intercontinentaal kartel Philips als lid van de top-drie voor de hele wereld.

Wat Philips groot heeft gemaakt was niet zozeer de eigen research als wel het scherp in de gaten houden van de markt, het tegen elkaar uitspelen van concurrenten, blufpoker en als het niet anders kon (verkapte) bedrijfsspionage. Ook nadat het bedrijf met de ontwikkeling van radiobuizen en röntgenapparatuur zijn eigen research op topniveau had gebracht, bleef het onder Antons leiding succesvol meedoen aan het grote spel van marktafscherming en licentieovereenkomsten dat de grootste bedrijven onderling speelden.

Vrije geesten
Zag Anton een gat in de markt, dan sprong hij erin. Dat deed ook George van Beuningen, nog zo’n allround zakenman die zelden een transactie verkeerd zag aflopen. Zijn vader Hendrik Adriaan van Beuningen maakte hem als 23-jarige Rotterdams filiaalhouder van diens Steenkolen Handelsvereeniging (SHV), die gevestigd was in Utrecht. De SHV wilde de ontwikkelingen in Rotterdam, waar de doorvoer van kolen snel in omvang en belang toenam, beter in de gaten houden.

Van Beuningen senior had in betrekkelijk korte tijd een fortuin verdiend in de kolenhandel door naast een baan bij het Staatsspoor voor eigen risico het kolentransport van een Duitse mijn naar Nederland te regelen. Terwijl andere handelaren nog schepen gebruikten, organiseerde de vader van George vervoer per trein, dat sneller en goedkoper was. Aan het eind van de negentiende eeuw verruilde hij zijn eigen handelskantoor voor aandelen in een consortium dat de naam SHV zou krijgen en waarin hij een toonaangevende rol zou spelen.

Een soortgelijke loopbaan was weggelegd voor F.H. Fentener van Vlissingen; vervang alleen ‘Staatsspoor’ door ‘Rijnspoor’ en de rest van het verhaal is voor een groot deel hetzelfde, inclusief de SHV-connectie. De Van Vlissingens en de Van Beuningens raakten naast zakelijk verbonden ook veelvoudig geparenteerd. Niet alleen in de officiële sfeer trouwens, maar ook in de scandaleuze. Een buitenechtelijke verhouding van een zwager met een schoonzus was in dit liberale milieu – Van Wijnen rept van ‘vrije geesten’ – weliswaar geen reden om de banden te verbreken, maar toch een pijnlijke affaire.

George volgde wat het voor eigen risico entameren van zakelijke ondernemingen betrof het voorbeeld van zijn vader, naast het dienen van het belang van de baas. Die baas, de SHV, was dan ook zozeer zijn eigen bedrijf dat hij een dief van zijn eigen portemonnee was geweest als hij alleen zijn privé-zaken had behartigd. Alles wat George aanpakte werd goud, en Van Wijnen maakt goed duidelijk hoe dat kwam. Hij paarde zijn enorme zakelijke intuïtie aan doortastendheid, grenzend aan meedogenloosheid, maar ook aan lef. ‘Een geboren waaghals’ noemt Van Wijnen hem zelfs, en hij geeft een aantal voorbeelden die de juistheid van deze kwalificatie staven.

Koenigs-collectie
Iets wagen kun je echter kennelijk zo gecalculeerd doen dat de risico’s verdampen. Hoe anders te verklaren dat zijn waaghalzerij George van Beuningen geen enkele keer heeft opgebroken? Het helpt als je voor alles wat je onderneemt een eigen bedrijf bij de hand hebt, zoals toen Van Beuningen ‘persoonlijk’ een niet-zeewaardig schip uit Rochefort naar Rotterdam sleepte. Het was een miskoop, die Résolue. Maar het begrip ‘verlies nemen’ kwam in Van Beuningens woordenboek niet voor. Toen andere slepers afhaakten, liet hij zijn eigen sleepdienst de klus klaren en voer hij zelf mee om het moreel te sterken. Elke tegenslag was een winstkans. Zowel de Eerste Wereldoorlog als de economische depressie van de jaren dertig wist Van Beuningen moeiteloos tot perioden van grote zakelijke voorspoed te maken. Zo werd hij de ‘grootvorst aan de Maas’, wat ook de titel van zijn biografie is.

Uiteraard besteedt Van Wijnen ook aandacht aan Van Beuningen als kunstliefhebber. Rotterdam bezorgde hij een fenomenale kunstcollectie, waardoor Museum Boijmans mede zijn naam ging voeren. Een deel van de biografie is dan ook een verslag van het troebele debat rond de Koenigs-collectie, de verzameling schilderijen en tekeningen die de Duitse zakenman Franz Koenings in de jaren dertig kwijtraakte toen zijn joodse bank Lisser & Rosenkranz werd geliquideerd. Van Wijnen pleit Van Beuningen voor negenennegentig procent vrij.

Grote Nederlanders zijn Philips en Van Beuningen ongetwijfeld. Maar klein zijn ze ook. De grootvorst deed alles groot, ook vrouwen verslinden, op een schaal zelfs die hem moreel gesproken flink doet krimpen. En dat kinderachtige hengelen van Anton Philips naar een ‘hoog’ koninklijk lintje voor zijn vrouw! Na de laatste bladzijden staat de lezer weer met beide benen op de grond.

Doeko Bosscher is hoogleraar eigentijdse geschiedenis aan de Universiteit van Groningen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.