Home Voorpublicatie: Hoe Jan Zwartendijk duizenden joden redde

Voorpublicatie: Hoe Jan Zwartendijk duizenden joden redde

  • Gepubliceerd op: 18 september 2018
  • Laatste update 14 sep 2023
  • Auteur:
    Jan Brokken
  • 17 minuten leestijd
Voorpublicatie: Hoe Jan Zwartendijk duizenden joden redde

Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog ontdekte Jan Zwartendijk, de Nederlandse consul in Litouwen, een manier om duizenden uit Polen gevluchte Joden te redden: hij gaf hun een visum voor Curaçao. Daarmee konden ze met de Trans Siberië Express verder reizen naar Japan. Tien dagen lang schreef Zwartendijk koortsachtig visa uit.

Jan Zwartendijk schreef de visa met de vulpen, zonder onderbreking, zonder op te kijken of even te pauzeren, het ene na het andere. Een lamme hand belette hem door te gaan. Hij liet toen een stempel maken met de Franse tekst. De kleur van de inkt was groen – hij had alleen een groen stempelkussen kunnen vinden. Door te stempelen won Zwartendijk veel tijd. Wel moest hij de naam van de aanvrager en de datum van afgifte met de hand noteren en moest hij zijn handtekening zetten. ‘J. Zwartendijk’ kon je moeilijk met een krabbel afdoen. Op geen enkel visum vergat hij het puntje op de i en de j te zetten.

Hij zat van zeven uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds achter zijn bureau, zonder onderbreking. Soms stond er aan het einde van de middag nog zo’n lange rij dat hij doorging tot het buiten donker werd. Op een avond kreeg hij bezoek van een Russische officier, die direct het trottoir liet afzetten door vier, vijf soldaten en een korporaal bij de deur posteerde. Uit een paar woorden – in het Duits – maakte Zwartendijk op dat hij de openbare orde in gevaar bracht.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De officier dreigde het consulaat direct te sluiten. Hij kreeg de man kalm door hem een Philishave cadeau te doen. Het elektrisch scheerapparaat was eind 1939 geïntroduceerd en gold als een revolutionaire uitvinding. De eerste apparaten had Zwartendijk in april verkocht. Hij was van plan geweest een reclamecampagne te beginnen met affiches op de kiosken en advertenties in de kranten, maar het was er door de oorlogsdreiging niet meer van gekomen. De officier toonde zich buitengewoon verguld met het cadeau en het enige wat hem nog interesseerde was of het apparaat op 220 volt werkte of op 110. Jan demonstreerde het hem in de showroom.
Kakoë tsjoedo!’ had de man uitgeroepen.

Maschewski, die steeds in de buurt was om hulp te bieden of misverstanden te voorkomen, vertaalde het even later: ‘Wat een wonder!’

Om niet opnieuw moeilijkheden te krijgen was hij de volgende avonden niet langer doorgegaan dan tot zeven uur, hooguit halfacht. Maar hij had geen minuut rust genomen. In de daaropvolgende dagen at hij overdag niets, dronk hij alleen nog koude koffie en nam hij nauwelijks de tijd om een sigaret op te steken. Het aantal visa werd een obsessie. Vandaag veertig meer dan gisteren. Vijftig meer. Zestig.

Hij zat zo geconcentreerd te schrijven dat hij op 29 juli zijn verjaardag vergat. Erni en de kinderen leefden dag in dag uit met hem mee en ook zij vergaten het. Pas toen Erni ’s avonds in bed stapte, zei ze met een mengeling van schrik en spijt in haar stem: ‘Goh Jan, je bent vandaag vierenveertig geworden!’ Het laconieke commentaar van Zwartendijk luidde: ‘We vieren het volgend jaar wel, als we dan nog leven.’

Wilek Frankel trof ‘misschien wel duizend mensen’ aan voor het consulaat aan de Laisvės alėja. Op die snikhete julidag moest hij uren wachten voor hij aan de beurt was. Toen hij eindelijk voor het bureau van de consul stond, vroeg hij om zes visa voor zijn naaste familieleden. Wilek was Krakau ontvlucht met zijn vrouw Perla, zijn broer David, zijn zwager Berl Schor, zijn twee zussen en een tante. Met een lange omweg – ze hadden eerst Roemenië proberen te bereiken – waren ze in Vilnius aangekomen. Onderweg was Wilek zijn twee jaar jongere zuster Brenda kwijtgeraakt. Hij vreesde haar nooit meer terug te zullen zien. Het was daarom een getergde en vastberaden Wilek die voor consul Zwartendijk verscheen: hij zou zijn andere familieleden naar een veilig oord leiden, hoe dan ook.

‘Zes?’ vroeg Zwartendijk. ‘Daar heb ik geen tijd voor. Hier…’
Hij schreef de tekst in het paspoort van Wilek.
‘Kunt u in het Frans schrijven?’
Wilek knikte, hoewel hij alleen Pools en Duits sprak.
‘Gaat u daar zitten en kopieer de tekst in de andere paspoorten.’
Wilek schoof achter een belendend bureau en zweette op elk woord. Hij deed er ruim twee uur over. De consul controleerde de teksten, ondertekende die en stempelde de paspoorten.
 ‘Knap,’ mompelde hij in het Duits, ‘geen enkel accent vergeten.’
De enige fouten maakte de consul zelf. In plaats van ‘Frankel’ zette hij ‘Frenkiel’ op de lijst met afgegeven visa. Hij schreef:

Frenkiel, Josef
     Frenkiel, Perla
     Frenkiel, Schabse
     Frenkiel, Szarlota.

De naam van Wileks zwager schreef hij wel goed: Schor, Berl. Maar hij vergat de eigenlijke aanvrager op de lijst te zetten: Wilek Frankel. 

Tijd om meer over de mannen te weten te komen had Zwartendijk niet. Hij vroeg steeds land en plaats van herkomst en nationaliteit, en schreef de familienaam en de voornaam in het visum – wat eenvoudiger klinkt dan het was. Met name de Poolse namen waren ingewikkeld en vaak vergat hij een accent. Het waren dikwijls lange namen: Czerwonogóra, Szloma; Dobekirer, Jechil; Fajwuszowicz, Szmul; Międzylewski, Dawid. Hij aarzelde ook steeds of hij een v of een w zou schrijven.

Het makkelijkst waren de Duits-Joodse namen en de Engelse. Hij verstrekte een visum aan David Sidney; hoe de man in Kovno terecht was gekomen was hem een raadsel – Kovno was de Engelse naam voor Kaunas. Ook een naam als Friedlander, Alfred, gaf hem het prettige gevoel tijd te winnen. 

Hij voorzag elk visum van een nummer. Als hij de naam in het visum had geschreven, kopieerde hij die op een papiertje, dat hij aan zijn medewerkers Van Prattenburg of De Haan gaf. Hij voegde er de nationaliteit aan toe – de meeste Polish, maar ook German, Czech, British, Dutch, Hungarian. Van Prattenburg typte de naam en de nationaliteit op de lijst.

Wie hij voor zich had kon hij niet nagaan. Hij zag vagelijk een gezicht, vroeg de naam of las de naam in het paspoort, en begon te schrijven. Hij zag de vingers die hem het document overhandigden, trillende of stille vingers; hij zag een hand, een oude gerimpelde hand, een jonge. Hij hoorde een zware of hoge of een schorre stem die ‘Ja’ of ‘Nein’ zei of ‘Yes’ en ‘No’ – heel veel vluchtelingen spraken hem in het Engels aan omdat ze dachten dat de consul van een door de nazi’s bezet land een hekel aan Duits zou hebben. Vandaar ook dat ze hem Mister Radio Philips noemden.

Naarmate de dagen verstreken nam de ongedurigheid van de wachtenden toe. Van Prattenburg en De Haan hadden de grootste moeite om de menigte in bedwang te houden. Steeds vaker moesten ze schreeuwen om de rij mensen in goede banen te leiden, de trap op. Vooral bij die trap braken gevechten uit; mensen die al de hele dag gewacht hadden probeerden voor te dringen, duwden anderen de trap af. Er werd gevloekt, gescholden, geschreeuwd.

Zwartendijk at bijna niet, dronk alleen nog koude koffie en rookte nauwelijks

Elke dag kwam Erni even kijken, met Edith en de jonge Jan aan haar zijde en met Robbie op de arm. Het was eng, herinnerde Edith zich. Tot ver buiten het consulaat stonden mannen in de rij, alleen maar mannen, van alle leeftijden, maar de meeste toch tamelijk jong – de vrouwen en kinderen waren in het getto van Kaunas of dat van Vilnius achtergebleven; slechts bij hoge uitzondering vergezelde een vrouw haar echtgenoot naar het Nederlandse en het Japanse consulaat. De mannen stonden soms al dagen in de rij, in de brandende zon; ze waren uitgeput, hadden honger, dorst; ze schreeuwden om water. Steeds weer braken er gevechten uit. Eenmaal binnen werden de mannen nog agressiever, zeker als het tegen sluitingstijd liep en ze bang waren niet meer aan de beurt te komen. Edith ziet het allemaal weer voor zich. ‘Ik herinner me dat De Haan en Van Prattenburg van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat hielpen om de mensenmenigte in bedwang te houden. Pa was vol lof over hoe ze alles hebben weten te regelen, opdat hijzelf zo veel mogelijk visa kon blijven schrijven.’

In de middag namen Van Prattenburg en De Haan een stuk hout in de hand, hopend dat het afschrikwekkend zou werken. Net als Zwartendijk vreesden ze dat er ongeregeldheden zouden uitbreken die verdergingen dan dringen en stompen. Als het tot opstootjes kwam, zouden de Sovjets het consulaat onmiddellijk dichtspijkeren.

Edith vertelde me dat ze nog jaren later nachtmerries had van de taferelen die zich voor haar ogen afspeelden. Ze vreesde dat haar vader iets aangedaan zou worden, dat hij geslagen zou worden of wie weet zelfs wel gelyncht. Dat de vluchtelingen daar helemaal niets mee zouden opschieten, begreep zij ook wel; een dode vader zou niets meer voor hen kunnen betekenen. Maar ze zag ook dat de mensen die voor haar vader verschenen radeloos en wanhopig waren en dat ze niet meer helder konden nadenken over de consequenties van hun daden.

Zwartendijk begreep in welke toestand ze verkeerden. Hij bleef kalm, volgens ooggetuigen voorbeeldig kalm. Als het hem even te veel werd, stak hij een sigaret op, maar na één trekje schreef hij weer verder, obstinaat en steeds sneller:
 
     Cukier, Abram
     Zilber, Icek
     Piekarz, Mordka
     Gutgeshalt, Marrem
     Rozencwajg, Chil
     Ornstein, Ernst
     Winograd, Srul
     Krysztal, Hawa Laja.
 
Soms kwam er dan toch ineens een verhaal, vervat in een paar woorden, een verhaal dat hem de kracht gaf door te gaan en hem sterkte in de overtuiging dat wat hij deed goed was.
     ‘Uw naam, en uw nationaliteit.’
     ‘Mijn naam is Abram Marber. Ik kom uit Turek, dat in de buurt van Kalisz ligt, in Polen. Ik ben weken onderweg. Ik liep tot ik geen schoenen meer aan mijn voeten had, ik vervolgde mijn weg met doeken om mijn voeten. Ik werd aangevallen, geslagen, verjaagd. Ik verschool me overdag in de bossen en liep ’s nachts verder. Soms, in een dorp, kreeg ik iets te drinken van een boer of een boerin. Ik voedde me met rauwe aardappels die ik uit de grond klauwde. Ik had bijna niets meer aan mijn lijf toen ik Vilne bereikte. Het Litouwse Rode Kruis verstrekte me kleren en gaf me schoenen. In Vilne hoorde ik over Mr. Radio Philips en over de Japanse consul. Toen ben ik in vijf dagen naar Kaunas gelopen.’
Hij vertelde het met een ijzige stem die de nadruk legde op elk woord.

Toen Zwartendijk hem zijn paspoort overhandigde, met daarin het visum voor Curaçao, zei Abram Marber: ‘Danke sehr, Herr Konsul. Ich weisz, ich werde überleben.’
Abram Marber beschikte over een onverwoestbaar doorzettingsvermogen. Hij klopte bij een Amerikaanse hulporganisatie aan, die hem geld gaf voor de enkele reis Vladivostok met de Trans Siberië Express. Van Vladivostok voer hij met de Amakusa-maru van rederij Osaka Shosen naar Tsuruga in Japan. Bij het naderen van de kust zag hij besneeuwde bergtoppen. Als de meeste Joodse vluchtelingen nam hij de trein naar Kobe, waar hij voorlopig ondergebracht werd in een opvangkamp, niet ver van de haven. Hij bleef daar tot eind 1941. Na de Japanse aanval op Pearl Harbor en de Amerikaanse oorlogsverklaring werd hij, als alle Joodse vluchtelingen in Kobe, overgebracht naar Sjanghai.

Op mijn bureau ligt een vergeelde briefkaart die ik gekregen heb van Asher Sarfati, de kleinzoon van Abram Marber. De kaart is gericht aan – ik schrijf het zoals het er staat – Jewisch Community, Kobe (Japan). Onder de plaatsnaam staat: für A. Marber. Op de kaart staat geen tekst, alleen de afzender: Ch. Marber Warszawa. Miła 13/17. Boven de afzender staat een vierkant rood stempel Judenrat Warschau. Onder de afzender een ander rood stempel, rond, Ortskommando im Warschau, met daaronder de adelaar en het hakenkruis. Twee poststempels met dezelfde datum: 15 IV 41.

Mensen die al de hele dag gewacht hadden, probeerden voor te dringen. Er werd gevloekt, gescholden, geschreeuwd

De kaart is door de familie Marber vanuit het getto in Warschau verstuurd naar Abram, de enige van de familie die uit Polen wist te ontsnappen, om aan te geven dat de achtergebleven familieleden nog in leven waren.

Hoelang dat heeft geduurd is niet bekend. Voor Abram was deze kaart het laatste levensteken van zijn verwanten. Hij droeg die kaart alle dagen van zijn leven in zijn portefeuille op zijn hart. Geen van de in Polen achtergebleven familieleden zou de oorlog overleven.
Ik leg de kaart voorzichtig terug in de map met documenten, niet als een of ander bewijs, eerder als een laatste getuigenis van mensen van wie we niet eens meer weten in welk vernietigingskamp ze zijn vermoord.

Niet iedereen met een visum was veilig. Oskar Schenker en zijn broer Alfred konden Litouwen ongehinderd verlaten, maar hun moeder, hun echtgenotes en hun kinderen werden door Russische militairen aangehouden toen ze met een Curaçao-visum in de handtas terugreisden van Kaunas naar Vilnius. Ze werden naar een kamp in Siberië overgebracht. Van zoon Alexander is zeker dat hij van 1940 tot 1942 in gevangenschap doorbracht en dat hij van 1942 tot 1946 in de Sovjet-Unie woonde en werkte. Van de andere familieleden heb ik het spoor niet kunnen traceren. Waarom de vrouwen en kinderen werden gearresteerd, blijft een raadsel. Misschien stak er helemaal geen beleid achter en was het botte pech.

Zwartendijk heeft lang geloofd dat de meeste vluchtelingen niet veel verder dan tot Irkoetsk zouden komen en dat slechts een enkeling door de mazen van het net zou weten te glippen. ‘Nee, zo is het niet,’ werpt Edith tegen. ‘De ene dag dacht hij dat ze het allemaal zouden redden. En de volgende dag zei hij dat het bijna onmogelijk was dat ze dwars door de Sovjet-Unie zouden reizen en Japan zouden bereiken. “Het kan niet,” zei hij dan hardop. “Het is godsonmogelijk.” En dan: “Maar wie weet.”’    

Op een vroege morgen – het was kwart over zes, klaarlichte dag, en al behoorlijk warm – mompelde Zwartendijk aan het ontbijt: ‘Ik moet iets doen, omdat ik niet niets kan doen. Maar ze zijn met zovelen… Als me de tijd maar vergund wordt. De tijd, de tijd, daar komt het op aan.’

Hij keek op en zag dat niet alleen zijn vrouw hem bij het aanrecht stond aan te kijken, maar ook, vlak naast haar, Edith. Hij nam nog haastig een slok thee, stond op, liep terwijl hij zijn colbertje aantrok naar de auto, en vertrok voor de volgende lange dag.

Om vijf uur ’s morgens vormde zich al een lange rij voor het consulaat, om zeven uur zag het zwart van de mensen op de Laisvės alėja.

Voor wat eigenlijk ‘met de aantekening in het reisdocument dat geen visum verplicht was voor Curaçao en Suriname’ was raakte algauw de term ‘Curaçao-visum’ in zwang. Met dit Curaçao-visum trokken de vluchtelingen naar het Japanse consulaat. Daar moesten ze opnieuw in de rij gaan staan en in de meeste gevallen dagen wachten op het doorreisvisum dat de Japanse consul Chiune Sugihara hun verschafte.

‘Als me de tijd maar vergund wordt. De tijd, de tijd, daar komt het op aan’

Hoe ongelooflijk dat ook moge lijken, de Nederlandse en de Japanse consul hebben elkaar nooit ontmoet. Ze hebben ook geen overleg gevoerd of afspraken gemaakt over de te volgen procedures, hoewel ze elkaar wel gebeld hebben.

‘Ze voelden elkaar aan,’ zei Edith me, ‘en speelden onder één hoedje. Toen Sugihara de door mijn vader afgegeven visa voor Curaçao zag, vulde hij ernaast het doorreisvisum voor Japan in. Hij had direct door hoe de vork in de steel stak. En hij was bereid risico’s te nemen. Ik was er één keer bij toen pa werd opgebeld door Sugihara. Die klaagde over kramp in zijn vingers. Hij moest zes kolommen in Japanse karakters op papier zetten met een kroontjespen of een penseel. Hij at nauwelijks meer, sloeg de maaltijden over, zat achttien tot twintig uur per etmaal achter zijn bureau en had vreselijke kramp in zijn vingers. Hij wilde van mijn vader weten of er nog veel vluchtelingen naar hem toe zouden komen.’

Tijdens het enige interview dat Zwartendijk in zijn leven gaf, maakte hij melding van meerdere telefoongesprekken met consul Sugihara. In de Leeuwarder Courant van 27 december 1963 vertelt hij: ‘Voor de enige vrolijke noot in die periode van onheil zorgde de Japanse consul. Deze moest de doorreisvisa met zwarte inkt in de paspoorten penselen. Hij heeft me verschillende malen in paniek opgebeld of ik alsjeblieft niet zo snel te werk wilde gaan, want hij kon het met penselen niet bijhouden. De straat stond bij hem vol met wachtenden.’

Gevraagd naar het motief van zijn handelen, gaf Sugihara lang na de oorlog altijd hetzelfde antwoord. ‘Uiteindelijk nam ik mijn besluit als een human being. Ik dacht er een hele nacht goed over na. Wat ik zou doen mocht dan fout zijn voor een diplomaat, maar ik kon die duizenden mensen die van mijn hulp afhankelijk waren niet in de steek laten. Ik deed eigenlijk niets bijzonders – ik deed alleen wat ik moest doen.’

Het hadden de woorden van Jan Zwartendijk kunnen zijn.

Elke keer wanneer Sugihara de zes of zeven kolommen in het reisdocument had gekalligrafeerd – het hing er een beetje van af hoe het uitkwam, meestal waren het zeven korte kolommen – overhandigde hij het visum, keek de aanvrager recht in de ogen, glimlachte hem toe en wenste hem geluk. Hij deed dat 2139 keer, zonder het één keer te vergeten.
Om de twee, drie uur moest zijn vrouw zijn verkrampte rechterhand en zijn rechtervingers masseren. Niettemin was het onmogelijk voor Sugihara om meer visa per dag te penselen. De rij wachtenden groeide. In de voorste gelederen waren ze al meer dan veertig uur op de been.

Die rij bestond bijna uitsluitend uit Poolse Joden. Volgens de Sovjetautoriteiten liepen de Litouwse Joden geen enkel gevaar. Behoudens de door Zwartendijk en Sugihara verstrekte visa hadden de vluchtelingen een vergunning van het Russische Volkscommissariaat voor Binnenlandse Zaken, de NKVD, nodig om de Sovjet-Unie te doorkruisen. De NKVD gaf dat papiertje niet aan Litouwse Joden, waardoor het voor hen onmogelijk was te vluchten. Of in elk geval uiterst moeilijk.

In het voormalige Japanse consulaat in het Litouwse Kaunas – nu het Sugihara Museum – hangt een foto van Louis Finkelstein aan de wand. Hij kreeg een van de eerste visa uit handen van consul Sugihara: visum nummer 7. Finkelstein was een Joodse zakenman uit de havenplaats Klaipeda. Uit Litouwen dus. Hij zou met zijn vrouw en zijn dochtertje van drie in december 1940 Yokohama bereiken en uiteindelijk San Francisco.

Op de lijst met Curaçao-visa staan 109 Litouwse Joden. Niet veel in vergelijking met de 1943 Poolse Joden die op dezelfde lijst staan. Maar het was niet volslagen onmogelijk voor Litouwse Joden om te vertrekken. En zeker niet als ze, zoals Louis Finkelstein, bemiddeld waren en zelf de reis konden betalen.

Onduidelijk is of de Joden met een Pools reisdocument ook allemaal uit Polen kwamen. Vilnius maakte van 1920 tot 1940 deel uit van Polen. De Joden uit het getto van Vilnius hadden een Poolse leidimas. Op de lijst met Curaçao-visa is hun geboorteplaats niet aangegeven. Ik ben er zeker van dat zich onder de ‘Poolse’ Joden op de lijst tientallen Litouwse Joden bevonden die een groot deel van hun leven in Vilnius hadden gewoond.

Op de lijst stonden voorts 51 Joden uit Duitsland, drie uit Canada, één uit de Verenigde Staten, tien uit Groot-Brittannië, veertien uit Tsjecho-Slowakije, drie uit Luxemburg, drie uit Nederland. En twee met een dubbel paspoort: Litouwen en de USSR. Zij allen konden vertrekken. De Joden uit Kaunas zelf wachtte een gruwelijk lot.

Dit artikel is gebaseerd op De rechtvaardigen. Hoe een Nederlandse consul duizenden Joden redde van Jan Brokken (520 p. Atlas Contact, € 25,-).
Brokken beschrijft daarin hoe de Nederlandse consul in Litouwen Jan Zwartendijk duizenden Joden het leven redt door visa naar Curaçao voor hen uit te schrijven. Ze kunnen daarmee verder reizen naar Japan. Zwartendijk wordt daarbij geholpen door zijn Japanse collega Sugihara.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 10 - 2018

Nieuwste berichten

Ossietzky in het concentratiekamp, 1934.
Ossietzky in het concentratiekamp, 1934.
Artikel

Dissident ging liever naar het strafkamp dan op de vlucht

Net als Aleksej Navalny besloot de Duitse dissident Carl von Ossietzky zijn land niet te ontvluchten toen hij gevaar liep. Hij wist dat hij bovenaan de zwarte lijst van de nazi’s stond, maar bleef toch in Berlijn toen Hitler in 1933 de macht greep. ‘De opposant die over de grens vlucht, werpt al snel holle frasen zijn land in,’ meende hij. Die moed bekocht hij met de dood in een concentratiekamp.

Lees meer
Waffen SS'ers in Vught
Waffen SS'ers in Vught
Interview

‘Waffen-SS’ers dachten dat het verleden niet lang aan hen zou kleven’

Hoewel ze geen paspoort meer hebben, blijven veel Syriëgangers toch in Nederland. Ook in 1945 verloren mannen die zich bij de Duitsers hadden aangesloten hun Nederlanderschap. Maar de omgang met deze Waffen-SS’ers en de Syriëgangers verschilt volgens historicus Peter Romijn. ‘De huidige wetgeving draait om uitstoting, maar na de Tweede Wereldoorlog was ook sprake van re-integratie.’

Lees meer
Truman poseert met de Chicago Daily Tribune
Truman poseert met de Chicago Daily Tribune
Artikel

Een presidentskandidaat dump je niet zomaar

Terwijl Donald Trump en Joe Biden zich opmaken voor de verkiezingsstrijd, gaan er bij hun partijen stemmen op om alsnog voor een andere presidentskandidaat te kiezen. Maar het verleden leert dat het lastig is om een leidende kandidaat opzij te zetten.

Lees meer
Gaius spreekt het volk toe. Ets door Silvestre David Mirys, 1799.
Gaius spreekt het volk toe. Ets door Silvestre David Mirys, 1799.
Artikel

De populistische Gracchen beloofden gouden bergen

Populistische politici zijn van alle tijden. Na een mislukte carrière zag de Romein Tiberius Gracchus nog maar één uitweg: hij werd een volkstribuun die het volk beloofde wat het wilde horen. Of zijn plannen uitvoerbaar waren, deed er niet toe. Het ging hem om de macht. En dat gold ook voor zijn broer en opvolger Gaius.

Lees meer