• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 10/2018

    Voorpublicatie: Hoe Jan Zwartendijk duizenden joden redde

    Heldhaftige diplomaat

    Door: Jan Brokken

    Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog ontdekte Jan Zwartendijk, de Nederlandse consul in Litouwen, een manier om duizenden uit Polen gevluchte Joden te redden: hij gaf hun een visum voor Curaçao. Daarmee konden ze met de Trans Siberië Express verder reizen naar Japan. Tien dagen lang schreef Zwartendijk koortsachtig visa uit.

    Jan Zwartendijk schreef de visa met de vulpen, zonder onderbreking, zonder op te kijken of even te pauzeren, het ene na het andere. Een lamme hand belette hem door te gaan. Hij liet toen een stempel maken met de Franse tekst. De kleur van de inkt was groen – hij had alleen een groen stempelkussen kunnen vinden. Door te stempelen won Zwartendijk veel tijd. Wel moest hij de naam van de aanvrager en de datum van afgifte met de hand noteren en moest hij zijn handtekening zetten. ‘J. Zwartendijk’ kon je moeilijk met een krabbel afdoen. Op geen enkel visum vergat hij het puntje op de i en de j te zetten.

    Hij zat van zeven uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds achter zijn bureau, zonder onderbreking. Soms stond er aan het einde van de middag nog zo’n lange rij dat hij doorging tot het buiten donker werd. Op een avond kreeg hij bezoek van een Russische officier, die direct het trottoir liet afzetten door vier, vijf soldaten en een korporaal bij de deur posteerde. Uit een paar woorden – in het Duits – maakte Zwartendijk op dat hij de openbare orde in gevaar bracht.

    De officier dreigde het consulaat direct te sluiten. Hij kreeg de man kalm door hem een Philishave cadeau te doen. Het elektrisch scheerapparaat was eind 1939 geïntroduceerd en gold als een revolutionaire uitvinding. De eerste apparaten had Zwartendijk in april verkocht. Hij was van plan geweest een reclamecampagne te beginnen met affiches op de kiosken en advertenties in de kranten, maar het was er door de oorlogsdreiging niet meer van gekomen. De officier toonde zich buitengewoon verguld met het cadeau en het enige wat hem nog interesseerde was of het apparaat op 220 volt werkte of op 110. Jan demonstreerde het hem in de showroom.
    ‘Kakoë tsjoedo!’ had de man uitgeroepen.

    Maschewski, die steeds in de buurt was om hulp te bieden of misverstanden te voorkomen, vertaalde het even later: ‘Wat een wonder!’
     
    Om niet opnieuw moeilijkheden te krijgen was hij de volgende avonden niet langer doorgegaan dan tot zeven uur, hooguit halfacht. Maar hij had geen minuut rust genomen. In de daaropvolgende dagen at hij overdag niets, dronk hij alleen nog koude koffie en nam hij nauwelijks de tijd om een sigaret op te steken. Het aantal visa werd een obsessie. Vandaag veertig meer dan gisteren. Vijftig meer. Zestig.

    Hij zat zo geconcentreerd te schrijven dat hij op 29 juli zijn verjaardag vergat. Erni en de kinderen leefden dag in dag uit met hem mee en ook zij vergaten het. Pas toen Erni ’s avonds in bed stapte, zei ze met een mengeling van schrik en spijt in haar stem: ‘Goh Jan, je bent vandaag vierenveertig geworden!’ Het laconieke commentaar van Zwartendijk luidde: ‘We vieren het volgend jaar wel, als we dan nog leven.’
     
    Wilek Frankel trof ‘misschien wel duizend mensen’ aan voor het consulaat aan de Laisvės alėja. Op die snikhete julidag moest hij uren wachten voor hij aan de beurt was. Toen hij eindelijk voor het bureau van de consul stond, vroeg hij om zes visa voor zijn naaste familieleden. Wilek was Krakau ontvlucht met zijn vrouw Perla, zijn broer David, zijn zwager Berl Schor, zijn twee zussen en een tante. Met een lange omweg – ze hadden eerst Roemenië proberen te bereiken – waren ze in Vilnius aangekomen. Onderweg was Wilek zijn twee jaar jongere zuster Brenda kwijtgeraakt. Hij vreesde haar nooit meer terug te zullen zien. Het was daarom een getergde en vastberaden Wilek die voor consul Zwartendijk verscheen: hij zou zijn andere familieleden naar een veilig oord leiden, hoe dan ook.
    ‘Zes?’ vroeg Zwartendijk. ‘Daar heb ik geen tijd voor. Hier...’
    Hij schreef de tekst in het paspoort van Wilek.
    ‘Kunt u in het Frans schrijven?’
    Wilek knikte, hoewel hij alleen Pools en Duits sprak.
    ‘Gaat u daar zitten en kopieer de tekst in de andere paspoorten.’
    Wilek schoof achter een belendend bureau en zweette op elk woord. Hij deed er ruim twee uur over. De consul controleerde de teksten, ondertekende die en stempelde de paspoorten.
     ‘Knap,’ mompelde hij in het Duits, ‘geen enkel accent vergeten.’
    De enige fouten maakte de consul zelf. In plaats van ‘Frankel’ zette hij ‘Frenkiel’ op de lijst met afgegeven visa. Hij schreef:
        
    Frenkiel, Josef
         Frenkiel, Perla
         Frenkiel, Schabse
         Frenkiel, Szarlota.
     
    De naam van Wileks zwager schreef hij wel goed: Schor, Berl. Maar hij vergat de eigenlijke aanvrager op de lijst te zetten: Wilek Frankel. 
        
    Tijd om meer over de mannen te weten te komen had Zwartendijk niet. Hij vroeg steeds land en plaats van herkomst en nationaliteit, en schreef de familienaam en de voornaam in het visum – wat eenvoudiger klinkt dan het was. Met name de Poolse namen waren ingewikkeld en vaak vergat hij een accent. Het waren dikwijls lange namen: Czerwonogóra, Szloma; Dobekirer, Jechil; Fajwuszowicz, Szmul; Międzylewski, Dawid. Hij aarzelde ook steeds of hij een v of een w zou schrijven.

    Het makkelijkst waren de Duits-Joodse namen en de Engelse. Hij verstrekte een visum aan David Sidney; hoe de man in Kovno terecht was gekomen was hem een raadsel – Kovno was de Engelse naam voor Kaunas. Ook een naam als Friedlander, Alfred, gaf hem het prettige gevoel tijd te winnen. 

    Hij voorzag elk visum van een nummer. Als hij de naam in het visum had geschreven, kopieerde hij die op een papiertje, dat hij aan zijn medewerkers Van Prattenburg of De Haan gaf. Hij voegde er de nationaliteit aan toe – de meeste Polish, maar ook German, Czech, British, Dutch, Hungarian. Van Prattenburg typte de naam en de nationaliteit op de lijst.
        
    Wie hij voor zich had kon hij niet nagaan. Hij zag vagelijk een gezicht, vroeg de naam of las de naam in het paspoort, en begon te schrijven. Hij zag de vingers die hem het document overhandigden, trillende of stille vingers; hij zag een hand, een oude gerimpelde hand, een jonge. Hij hoorde een zware of hoge of een schorre stem die ‘Ja’ of ‘Nein’ zei of ‘Yes’ en ‘No’ – heel veel vluchtelingen spraken hem in het Engels aan omdat ze dachten dat de consul van een door de nazi’s bezet land een hekel aan Duits zou hebben. Vandaar ook dat ze hem Mister Radio Philips noemden.

    Naarmate de dagen verstreken nam de ongedurigheid van de wachtenden toe. Van Prattenburg en De Haan hadden de grootste moeite om de menigte in bedwang te houden. Steeds vaker moesten ze schreeuwen om de rij mensen in goede banen te leiden, de trap op. Vooral bij die trap braken gevechten uit; mensen die al de hele dag gewacht hadden probeerden voor te dringen, duwden anderen de trap af. Er werd gevloekt, gescholden, geschreeuwd.


    Zwartendijk at bijna niet, dronk alleen nog koude koffie en rookte nauwelijks

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen