• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 5/2021

    Samen tegen het water

    ‘Mensen hadden vroeger op het strand niets te zoeken.’

    Door: Hans Averdijk

    In zijn boek Aan zee. Een kroniek van de kust schrijft Martin Hendriksma over de Nederlandse kust door de eeuwen heen. Van het verdronken land van Saeftinghe tot de Atlantikwall in Petten en van de kapers uit Vlissingen tot de nudisten bij Callantsoog. Welke rol speelde de zee in het leven van kustbewoners? En hoe is het met de toekomst van het strand gesteld, nu het toerisme groeit en de zeespiegel stijgt? ‘Het strand is meer dan alleen een plaats om je badhanddoek neer te leggen.’

    U schreef eerder een boek over de Rijn. Heeft u iets met water?

    ‘Vóór mijn boek over de Rijn had ik al een boek geschreven over het goudschip de Lutine, dat in 1799 verging bij Terschelling. Dat was het moment dat ik ontdekte dat het water een heel mooi decor is om te grote ambities van mannen tegen af te zetten. Je kunt er de strijd van de mens tegen de natuur mee laten zien. Bij de Lutine probeerden goudzoekers met de meest waanzinnige apparatuur goud te vinden op zee. Bij de Rijn ging het vaak ook om allerlei avonturiers die probeerden de rivier te bedwingen. Bij mijn nieuwe boek is dat bedwingen minder aan de orde, maar ook aan de kust is het water een geduchte tegenstander. Bovendien dreigt die tegenstander ons opnieuw op te gaan zoeken aan het eind van deze eeuw. We zijn dus nog niet van het water af.’

    Hoe heeft u het onderzoek voor uw boek aangepakt?

    ‘Mijn ambitie was om de hele Nederlandse kust te behandelen, van Cadzand tot Rottumeroog. Ik bedenk een soort rode lijn en ga vervolgens op zoek naar de verhalen die daar het beste bij passen. Soms wil ik een portret van iemand schetsen en soms ga ik de archieven in om historisch onderzoek te doen. Soms interview ik juist direct betrokkenen of verre nazaten. Zo probeer ik per verhaal een andere vertelwijze te vinden. ’

    Martin Hendriksma. Foto: Sake Rijpkema.

    Wat is uw favoriete verhaal?

    ‘Dat is een lastige vraag, want de kust barst van de kleurrijke verhalen. De leukste verhalen zijn de verhalen  die je verrassen. Wat mij bijvoorbeeld verbaasde, is dat Zandvoort in de negentiende eeuw de meest mondaine badplaats van Europa was. Er stonden daar allemaal Grand Hotels en de elite kwam vanuit heel Europa met de trein naar Zandvoort om er vakantie te vieren. Het verhaal over een Belg die het skelet van een aangespoelde walvis door heel Europa als circusact tentoonstelde, vond ik ook erg fascinerend. Dat heeft me zelfs nog tot in Sint-Petersburg gebracht.’

    U schrijft dat de kust van een onheilsplek veranderde in een favoriet verblijfsoord. Hoe verliep deze ontwikkeling?

    ‘De kust was vroeger een plek waar je niet moest zijn. Als er een watersnood was, zaten mensen er als ratten in de val. Je had in die tijd nog geen Gerrit Hiemstra die van tevoren kon voorspellen wat het weer zou gaan worden. Als de storm eenmaal op gang kwam, was je in je huisje achter de kustlijn ten dode opgeschreven. Bovendien hadden mensen op het strand niets te zoeken: het was een woeste zandvlakte waar het altijd woei. Pas aan het einde van de achttiende eeuw veranderde dat beeld van de kust. Dat begon in Engeland. Door de opkomst van fabrieken tijdens de Industriële Revolutie verslechterde de gezondheid van de stadsbewoners. Grote steden als Londen en Parijs, maar ook Engelse steenkoolsteden in de buurt van Sheffield, werden bijna onbewoonbaar door de damp uit de fabrieken. Een aantal Engelse artsen zag in de frisse zeelucht een heilzaam wondermiddel voor mensen uit de stad.’

    Nederland was in vergelijking met de landen om ons heen vrij laat met het kusttoerisme. Hoe kwam dat?

    ‘In landen als Engeland, België, Frankrijk en Duitsland ontstond het prille badtoerisme inderdaad een stuk eerder, soms wel veertig of vijftig jaar. Die trend werd in Nederland pas later opgepikt: het eerste Nederlandse badhuis dateert van 1820. Dat komt doordat Nederland eind achttiende eeuw door de Fransen werd bezet. Bovendien waren we altijd meer een handelsnatie dan een industrienatie, dus de fabrieken waren bij ons minder prominent aanwezig dan in die andere landen. Daarnaast zijn wij met onze lage ligging in een delta een beetje het afvoerputje van Europa. De zee werd daardoor altijd gezien als een bedreiging: we zouden onderlopen zodra de zee kwam. De angst voor het water was in Nederland nadrukkelijker aanwezig dan in die andere landen. Dat stond de snelle ontdekking van de zee als medicijn in eerste instantie in de weg.’

    Strandbezoek was aan het begin van de negentiende eeuw voornamelijk recreatie voor de elite. Wanneer kwam daar verandering in?

    ‘Aan het begin van de twintigste eeuw, rond 1910. Toen ontstond het huidige “allemanszand”. Er kwamen allerlei nieuwe trein- en tramverbindingen naar de kust en iedereen kon voortaan naar het strand voor een dagje aan zee. De overheid stimuleerde dat ook. Men had wel door dat al die opgehokte arbeidersgezinnen frisse lucht nodig hadden. Socialistische dagbladen stonden vol met pagina’s over arbeiderstoerisme: arbeiders kregen te horen waar ze konden kamperen en kregen zelfs tips hoe ze hun tent moesten opzetten. Er kwam een soort emancipatiebeweging op gang en het strand werd toegankelijk voor de arbeider en zijn gezin. De elite besloot zijn biezen te pakken, want die wilde niet tussen de gewone burgerij gaan zitten. Rijke mensen ontvluchtten een destijds chique badplaats als Zandvoort en zochten hun heil aan de Côte d’Azur en in Normandië.’

    U signaleert dat kustbewoners vaak zeer religieus zijn. Hoe verklaart u dat?

    ‘Er is altijd een sterk verband geweest tussen de kustbevolking en het geloof. Dat geldt in het bijzonder voor vissersplaatsen. Er is een aantal gelovige enclaves aan de kust, dat zie je nog steeds in bijvoorbeeld Volendam en Urk. Maar ook Zeeuwse plaatsen als Reimerswaal hebben een religieus karakter. Een sterk geloof in God kon de angst voor het water bedwingen. Een kort lijntje met de Heer was eigenlijk de enige manier om het leven aan de kust vol te houden.’

    In uw boek komt ook het slavernijverleden aan bod bij het verhaal over een schip uit Middelburg. Hoe gaat die stad met dit verleden om?

    ‘Het verhaal van het Zeeuwse schip de Haast U Langzaam is schrijnend. De tot slaaf gemaakten werden vreselijk behandeld en sprongen soms uit wanhoop overboord. Inmiddels beseft men in Zeeland hoe groot dat leed moet zijn geweest. Er gaan dan ook stemmen op om het slavernijmuseum in Middelburg te vestigen, in plaats van in Amsterdam. De Zeeuwen zijn immers voor de helft van de slavenhandel verantwoordelijk geweest. Ook is er een monument in Middelburg, maar dat kan wel een likje verf gebruiken om ons onder de neus te wrijven wat zich daar heeft afgespeeld.’

    Was de Nederlandse kust in het verleden een bindmiddel?

    ‘Aan het einde van de achttiende eeuw ontvoerden de Engelsen Nederlandse vissers op zee, omdat Nederland door het vijandige Frankijk was bezet. Die ontvoeringen waren een ramp voor de dorpseconomieën. De dorpsbewoners hielden toen geldinzamelingen door het hele land. Ik vond het mooi om te zien hoe er in andere plaatsen gul werd gegeven voor de arme vissers uit Huisduinen of Vlaardingen. Het leed van zo’n vissersplaats werd door het hele land gevoeld. Mensen uit Amsterdam waren bereid hun weinige geld met die vissersfamilies te delen. Soms was de kust dus een soort bindmiddel voor alle Nederlanders.’

    Heeft de kust die functie nog steeds?

    ‘Ik denk het wel. Volgens mij is de kust de laatste plek in Nederland waar mensen van allerlei rangen, standen en kleuren elkaar ontmoeten. Er worden ook landelijke maatregelen genomen om de toenemende drukte aan de kust te beheersen, waar een brede coalitie zich achter schaart. Dat is vrij bijzonder in dit gepolariseerde land. Bovendien speelt het probleem van de zeespiegelstijging. Hopelijk leidt de dreiging van het water tot meer saamhorigheid. Je kunt zo’n opgave immers alleen samen aanpakken.’

    Hoe kijkt u naar de toekomst van de Nederlandse kust?

    ‘De kust wordt steeds populairder. We hebben te maken met steeds hetere en langere zomers en ons land krijgt steeds meer inwoners. De kust krijgt daardoor steeds meer de functie van nationale vluchtstrook. Dat zet de leefbaarheid van kustplaatsen onder druk. De urgentie om dit probleem aan te pakken is groot. Vaak werken kustplaatsen aan een sterker profiel om een specifieke doelgroep aan te trekken. Ik hoop dat dit ook leidt tot een verdere verspreiding van bezoekers over de kust. Ik heb een aantal initiatieven beschreven in mijn boek die me hoopvol stemmen, zoals Waterdunen: een combinatie van een recreatiepark en natuurgebied in Zeeuws-Vlaanderen. Ik hoop dat zulke initiatieven op bredere schaal worden ingezet om de kust leefbaar te houden.

    Ik heb in het boek ook uitgebreid over de Atlantikwall geschreven. Vanwege de stijgende zeespiegel moeten we een soort nieuwe Atlantikwall gaan bouwen. We moeten op veel plekken het strand verbreden als bescherming tegen de zee. Dat betekent dat er ruimte bij komt die we zelf kunnen ontwerpen. Zoals de Rijkscommissie zich in 1947 boog over de heropbouw van de Noordzeebadplaatsen, zo staan we nu voor een vergelijkbare opgave waarbij we opnieuw moeten bepalen welke functie we op welke plaats willen hebben.’

    Wat hoopt u met de historische verhalen over de kust te bereiken?

    ‘Ik hoop dat de lezer beseft wat de kust heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van ons land, en dat het boek laat zien welke mogelijkheden de kust biedt, wetende wat er zich allemaal heeft afgespeeld. Ik hoop ook dat als lezers deze zomer weer aan het strand liggen, ze beseffen dat het strand meer is dan alleen een plaats om je badhanddoek neer te leggen. Er kleven wonderlijke verhalen aan dat strand, die de moeite waard zijn om te worden gehoord.’

    Aan zee. Een kroniek van de kust
    Martin Hendriksma, De Geus 320p, € 23,50
    Bestel in onze webshop.