• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 11/2021

    Samen tegen de slavernij

    Door: Mirjam Janssen

    Eind achttiende eeuw mobiliseerden slimme zakenlieden honderdduizenden gewone Engelsen tegen de slavernij. Die kochten antislavernijprullaria, ondertekenden talloze petities en boycotten suiker uit West-Indië. Een sociaal bewogen houding werd zo niet alleen een kwestie van overtuiging, maar ook van lifestyle.

    In 1840 kwamen twee Britse pleitbezorgers voor de afschaffing van slavernij naar Nederland. Het waren Samuel Gurney en zijn veel beroemdere zus Elizabeth Fry. Zij had de status van heilige omdat ze zich al tientallen jaren inzette voor een betere behandeling van gevangenen. Daarnaast hield ze zich met andere goede doelen bezig. Als overtuigd quaker twijfelde ze niet aan de verwerpelijkheid van slavernij. Vooral notabelen kwamen luisteren naar Fry en haar broer, want de meeste gewone Nederlanders verstonden nog geen Engels. Hoewel haar betoog indruk maakte, riep het ook weerstand op. Niet iedereen wilde zich door Britten de les laten lezen. Bovendien vonden veel gereformeerden dat de quakers een veel te radicale interpretatie van het christendom aanhingen. Fry had tevens een ontmoeting met Guillaume Groen van Prinsterer en Isaäc da Costa van de orthodox-protestantse Réveil-beweging. Ze hoopte in hen medestanders tegen de slavernij te vinden. Da Costa was diep onder de indruk. ‘Wij zagen en hoorden haar,’ schreef hij. ‘Zulke kennismakingen zijn époques in het leven.’ Toch was hij niet over te halen tot een antislavernijstandpunt, Groen van Prinsterer wel. Bijeenkomst tegen de slavernij. Schilderij door Benjamin Robert Haydon, 1840. De afschaffingsbeweging waarvan Fry en Gurney deel uitmaakten, was op dat moment al een halve eeuw oud. De eerste gangmaker van de beweging, Thomas Clarkson, was vrij toevallig bij de kwestie betrokken geraakt. Hij deed in 1785 als 25-jarige mee aan een schrijfwedstrijd voor studenten met als thema de slavenhandel. Hij wilde gewoon winnen, maar toen hij erover begon te lezen trof het onderwerp hem als een mokerslag. Clarkson kon er niet van slapen. Nadat hij de eerste prijs had binnengesleept, liet het onrecht hem niet meer los. Hij besloot zijn essay uit te breiden en aan te bieden bij een uitgever. Zo kwam hij terecht bij James Phillips, die hem voorstelde aan een groep gelijkgestemden. De meesten van hen waren quakers, die zich op religieuze gronden verzetten tegen mensenhandel. Volgens hen hadden ook slaven een ziel en was het een zonde hen als koopwaar te benaderen.

    Knielende zwarte man

    Geïnspireerd door de bijval besloot Clarkson zich fulltime te wijden aan de afschaffing van de slavenhandel. Hij bezocht slavenschepen in de haven van Liverpool, sprak met betrokkenen en benaderde parlementsleden. Een daarvan, William Wilberforce, was gevoelig voor zijn argumenten. Hij was bereid een motie in te dienen bij het parlement. Ondernemers bestookten het publiek met parafernalia Ondertussen was in 1787 in Londen het Committee for the Abolition of the Slave Trade opgericht, met Clarkson als drijvende kracht en een groep ondernemers ter ondersteuning. Op alle mogelijke manieren probeerden ze de publieke opinie te beïnvloeden, en met succes. Ze organiseerden samen met lokale comités bijeenkomsten in het hele land. Belangstellenden kwamen op een openbare plaats bijeen, discussieerden over het onderwerp, formuleerden een standpunt en ondertekenden dat. Vervolgens stuurden ze zo’n petitie naar het parlement. Het ging om honderden petities en duizenden ondertekenaars. In 1792 zetten 400.000 Britten hun naam onder een verzoekschrift. Het beeldmerk van de anti-slavernijbeweging op een medaillon, 1787. Daarnaast verschenen er artikelen in kranten en schreef Clarkson verschillende boeken. Hij reisde rond om lokale comités toe te spreken – omdat hij werd bedreigd verplaatste hij zich vooral ’s nachts. Tegelijk verzamelde hij als een bezetene materiaal om tegenstanders van zijn gelijk te overtuigen. Hij beschreef de slavenschepen, noteerde sterftecijfers en sprak met scheepsartsen, soldaten en officieren, die verschrikkelijke verhalen vertelden. Hij gaf het verloop van de reis van de slaven weer, van het vertrek uit Afrika en de helse overtocht tot de behandeling in de Britse koloniën. Ook probeerde hij economische alternatieven te bedenken, zoals rechtstreekse handel met Afrika. Daar zouden dan de gewenste producten moeten worden verbouwd. De ondernemers uit het comité bestookten het publiek met allerlei parafernalia. Aardewerkfabrikant Josiah Wedgwood kwam met de slogan ‘Am I not a man and a brother?’ en een beeldmerk van een knielende zwarte man. Die werden eerst in een zegel verwerkt en verschenen later op tal van producten, van medaillons, munten en mokken tot serviezen. Cameeën met de knielende man sierden snuifdozen, armbanden en haarspelden. Ook kunstenaars kozen partij. Populair was het werk van George Morland, die de ontberingen van de slaven schilderde en hen portretteerde als gelijkwaardige mensen. Die afbeeldingen waren zo geliefd dat ze in een hoge oplage als prenten verschenen.

    Goede indruk

    Bij de stellingname tegen de slavenhandel speelde verontwaardiging een rol, maar niet alleen. De slavernijkwestie bood de Engelsen ook een doel. Ze waren in 1783 hun koloniën in Noord-Amerika kwijtgeraakt en zochten een nieuwe richting. De slavernijkwestie gaf het land de kans zichzelf opnieuw uit te vinden. Het hield zich al bijna twee eeuwen bezig met slavenhandel, geen land had zoveel slaven vervoerd. Een ‘nationale schande’, meenden veel Engelsen. Zij vonden dat het land zich beter als voorvechter van mensenrechten kon profileren. Hun opstelling paste bij de tijdgeest, waarin er meer compassie kwam met de zwakkeren in de samenleving, zoals criminelen, armen, zieken en gekken – en dus ook met slaven. Elizabeth Fry wordt door haar tijdgenoten bewonderd vanwege haar inzet voor de zwakkeren in de samenleving, onder wie slaven. Portret door Charles Robert Leslie. Burgers konden door hun protest tegen de slavenhandel laten zien waar ze in moreel opzicht stonden. Het maakte een goede indruk als je naam voorkwam op een petitie of als je een antislavernijcamee droeg. Het was een kwestie van lifestyle. Tegelijk ontdekten veel gewone mensen, zeker vrouwen, op deze manier dat ze maatschappelijk actief konden zijn. Ze spraken zich uit op bijeenkomsten, schreven gedichten en artikelen tegen de mensenhandel. Of ze deden mee aan de boycot van suiker uit West-Indië. Ze aten geen zoetigheid meer of alleen suiker uit de Oost. Er kwam voor hen zelfs ‘vrije suiker’ op de markt. Op het hoogtepunt waren 300.000 Engelsen betrokken bij de boycot. De activisten waren overigens niet eensgezind: een deel van hen vond de slavenhandel verwerpelijk, maar voelde niets voor emancipatie van de slaven. Vooral lieden uit de hogere klassen krabbelden terug toen ze zagen met hoeveel geweld de Franse Revolutie en de slavenopstand op Haïti gepaard gingen. Ze voelden zich bedreigd door de onstuimigheid van het volk. Het parlement en het Hogerhuis toonden zich dan ook keer op keer ongevoelig voor de petities. In 1793 trok Clarkson zich gedesillusioneerd terug uit het comité. Hij was overspannen en dacht dat hij niets had bereikt. Toch was er iets gaan schuiven: toen hij tien jaar later weer actief werd, was de sfeer veranderd. Samen met Wilberforce spande hij zich nogmaals in en dit keer lukte het wel. Op 1 maart 1808 beëindigden de Britten de slavenhandel in hun gebieden. Dat gold ook voor de Nederlandse koloniën – Suriname en de Caribische eilanden - die tijdens de oorlog tegen Napoleon door Engeland waren bezet. De afschaffing van de handel leidde tot een hausse in de verkoop van snuisterijen; zo verschenen er medailles ter herinnering aan dit wapenfeit.

    Onacceptabel

    Na de nederlaag van Napoleon bleef de slavenkwestie hoog op de agenda staan. Toen minister van Buitenlandse Zaken Lord Castlereagh in 1814 in Wenen zou gaan onderhandelen over de vredesvoorwaarden, kreeg hij een pakket met een miljoen handtekeningen aangeboden. De Britten wilden dat hij internationaal aandacht vroeg voor het lot van de slaven. De diplomaten spraken er inderdaad over en erkenden dat het een afschuwelijke praktijk was, maar verder kwamen ze in Wenen niet. De slavernijkwestie bood de Engelsen een doel Toch bleef Engeland er bij andere landen op aandringen hun slavenhandel te staken, om humanitaire redenen én om oneigenlijke concurrentie uit te schakelen. Portugal, Spanje, Frankrijk en Zweden stopten er uiteindelijk mee; de Verenigde Staten hadden in dezelfde periode al een eigen wet tegen slavenhandel aangenomen. De Nederlandse koning Willem I ging ook akkoord. Hij kon niet anders, omdat hij alleen onder die voorwaarde zijn koloniën terugkreeg. Maar de handel werd niet overal opgeheven, al patrouilleerde de Engelse marine op zee om handhaving af te dwingen. Bovendien bleef de slavernij op zich bestaan. Slavenhouders moesten het nu doen met de slaven die ze nog hadden. Sommige landen vaardigden regels uit voor een betere behandeling van slaven, mede in de hoop dat ze zich dan sneller zouden voortplanten. Miljoenen mensen waren nog steeds niet vrij. Thomas Clarkson besluit zich na zijn studie volledig te wijden aan de afschaffing van de slavenhandel. Portret door Carl Frederik van Breda. Clarkson, Wilberforce en andere Britse abolitionisten vonden dat onacceptabel. Ze eisten dat de slavernij volledig werd afgeschaft. In 1823 richtten ze de Anti-Slavery Society op, die zich net als het Committee 35 jaar eerder tot het brede publiek wendde. Vrouwen waren niet welkom in de organisatie van de ASS zelf, maar verenigden zich in tientallen kleinere comités die zich via de media op andere vrouwen richtten en geld inzamelden. Deze vrouwen trokken zich vooral het lot van de slavinnen aan, vanwege het (seksueel) misbruik en omdat ze dikwijls van hun kinderen werden gescheiden.

    Koning Willem II

    In Engeland kregen de abolitionisten al snel hun zin: in 1838 was het gedaan met de slavernij in de Engelse gebieden. De ASS hief zichzelf op, om een jaar later te herrijzen als comité dat zich op de hele wereld richtte. De leden begonnen het vasteland van Europa te bewerken. Zo gaven ze het blad de Reporter uit en organiseerden ze regelmatig congressen waar ook buitenlanders aanwezig waren. Meestal resulteerden die bijeenkomsten in een oproep aan koloniale regeringen en een open brief aan hun bevolkingen. Bovendien staken ze regelmatig het Kanaal over om hun boodschap te verkondigen. Zoals Fry deed toen zij en haar broer Nederland bezochten. Het bezoek van Fry leidde ertoe dat meer Nederlanders zich verdiepten in de slavernij en ongevraagd adviezen naar koning Willem II stuurden. Maar die wilde niets weten van de ASS en duldde geen inmenging in koloniale kwesties. Toch zetten de reacties hem aan het denken. Toen Fry het jaar daarop weer in Nederland was, mocht ze langskomen. In haar dagboek beschrijft ze dat de koning haar hartelijk ontving. Na een aangrijpend verhaal over de slavernij zou hij haar hebben toegezegd er een einde aan te maken. Verder sprak Fry op een grote bijeenkomst voor abolitionisten in Rotterdam. Er ontstonden liberale en protestantse antislavernijclubs. Deze prenten tonen het leven van een slaaf, van zijn werk op de plantage tot zijn dodelijke strijd om vrijheid tijdens de Amerikaanse burgeroorlog, circa 1863. Daarna gebeurde er niet veel meer. Pas vanaf 1848 kwamen er in Nederland veranderingen op gang, omdat de Fransen de slavernij in hun koloniën afschaften. Suriname lag daardoor tussen een vrije Engelse en een vrije Franse kolonie in en op Sint-Maarten konden slaven van het Nederlandse naar het Franse deel vluchten. Emancipatie van de slaven leek nu onvermijdelijk, maar er volgde nog jarenlang getouwtrek over de schadeloosstelling van hun ‘eigenaren’. Pas in 1863 kwam er officieel een einde aan de slavernij in Nederlands-West-Indië en twee jaar later – na een burgeroorlog – in de Verenigde Staten. Voor de slaven betekende dat eindelijk bevrijding en ook voor talloze gewone burgers in Europa was het een overwinning. Ze hadden tegen de slavernij geprotesteerd, petities ondertekend, prullaria gekocht en verkocht, suiker geboycot – en ze voelden zich gehoord. –              Mirjam Janssen is historicus en journalist. Weinig verzet in Nederland De Vierde Engelse Zeeoorlog (1780-1784) betekende een grote slag voor de Nederlandse slavenhandel en na 1798 bestond die in feite niet meer. Koning Willem I verbood de handel officieel in 1814. In Nederland werden de protesten tegen de slavernij nooit zo heftig als in Engeland. Dat kwam om te beginnen doordat de slavenschepen hier niet zichtbaar waren, terwijl ze in Liverpool aan de kade lagen en zeelieden eerlijk vertelden wat er gebeurde. Verder was het beleid in de Nederlandse koloniën het domein van de koning. Willem I en II gaven anderen geen ruimte zich daarmee te bemoeien. Bovendien kregen Nederlanders weinig te horen over de wantoestanden. De plantagehouders konden de slavernij daardoor voorstellen als een zegenrijke, patriarchale instelling. Vrouwen solidair Liberalen en protestanten van de Réveil-beweging hadden in Nederland hun eigen antislavernijclubs. De mannen werkten even samen, maar konden het niet eens worden. Hun vrouwen sloegen de handen ineen en deden in 1842 gezamenlijk een oproep aan koning Willem II om de slavinnen te bevrijden, ‘want op haar drukt de slavernij dubbeld zwaar’. Als de koning hen zou helpen, kan ‘iedere moeder in Suriname hare kinderen in hare armen drukken en in moederlijke verrukking uitroepen: Deze kinderen zijn mijn!’ Maar Willem II weigerde hun petitie zelf in ontvangst te nemen. Politieke marketing De leden van het Committee for the Abolition of the Slave Trade waren geïnspireerd door de politieke marketing van John Wilkes twintig jaar eerder. Deze radicale journalist en politicus had een hevig conflict met koning George III en liet geen middel onbeproefd om het publiek te bespelen. Wilkes en zijn supporters verkochten medaillons, prenten, keramiek, potten, vlaggen en kroezen om te laten weten dat ze George als een tiran beschouwden. Wilkes was gevat en brutaal. Hij stond voor een nieuw soort politiek: populistisch, onderhoudend en sociaal. Meer weten Popular Politics and British Anti-Slavery (1998) door J.R. Oldfield laat zien hoe de publieke opinie werd gemobiliseerd. Nederlands slavernijverleden (2021) door Henk den Heijer geeft feiten, interpretaties en meningen. Amazing Grace (2006) film door Michael Apted over antislavernijactivist William Wilberforce.

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen