Home MUIZENHOL. NEDERLAND VOLGENS WILLEM FREDERIK HERMANS

MUIZENHOL. NEDERLAND VOLGENS WILLEM FREDERIK HERMANS

  • Gepubliceerd op: 27 mei 2003
  • Update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Wim Berkelaar

In 1981 verzuchtte de schrijver W.F. Hermans (1921-1995) in een vraaggesprek met Max Pam: ‘Ik ben een dominee met een lege kerk.’ Een mooie uitspraak, maar er klopte niets van. Bij leven had Hermans al een hele schare trouwe kerkgangers, bij wie zijn woorden erin gingen als Gods woord in een ouderling. Na zijn dood werd het alleen maar erger. Toen kregen de Hermans-adepten, die probeerden een slaatje te slaan uit roofdrukken en ook anderszins hun idool lastigvielen, vrij spel. Het zijn merendeels sukkels, die minder genieten van Hermans’ romans dan van zijn polemieken. Ze zouden die zelf willen schrijven, maar helaas: het talent ontbreekt. Geen nood: dan maar een tijdschrift opgericht, waarin alles over het idool wordt neergetikt. Dirk Baartse en Bob Polak, om slechts enkelen van deze groupies te noemen, schromen niet het ondergoed van Hermans te besnuffelen voor de ranzige kolommen van hun zogenaamde Hermans-Magazine.

        Naast dit voyeurisme verschenen er natuurlijk ook serieuze studies over Hermans, onder meer van de neerlandici Wilbert Smulders en Willem Glaudemans. Goed werk, waaraan echter het nadeel kleeft dat zoveel werk van neerlandici kenmerkt: het is verklarend zonder werkelijk kritisch te durven zijn. Alleen schrijver Oek de Jong heeft het aangedurfd Hermans’ werk – en dan vooral zijn zwartgallige wereldbeeld – kritisch te bespreken. Op 16 februari 1998 gaf hij aan de Katholieke Universiteit Nijmegen de lezing Zijn muze was een harpij. De Jong, aanvankelijk een groot bewonderaar van Hermans, legde een verband tussen het vroegtijdig verval van Hermans’ schrijverschap en diens nihilistische wereldbeeld, waarvan de eenvoudige kern is dat in de ondoorgrondelijke werkelijkheid alles op een hopeloze mislukking uitloopt.

Wraakzucht
Wat De Jong miste in het oeuvre van Hermans waren wijsheid en relativering. Eindelijk iets om over na te denken. Waarom konden latere romans zoals Uit talloos veel miljoenen (1981) en Au pair (1989) de vergelijking niet doorstaan met meesterwerken als De donkere kamer van Damocles (1958) en Nooit meer slapen (1966)? Was het omdat Hermans’ wraakzucht, de motor achter zijn schrijverschap, zich al snel tegen de schrijver zelf keerde, zodat zijn aanvankelijk ongekend creatieve agressie aan het eind van zijn leven veranderde in afgestompte chagrijnigheid? De Jong heeft het geweten. De goegemeente van Hermans viel over hem heen, met voorop de inmiddels gezeten hofdichter Gerrit Komrij, die zijn gal zonder argument over De Jong uitgoot.
        In zijn zojuist verschenen studie Muizenhol. Nederland volgens Willem Frederik Hermans wijst historicus Ronald Havenaar er terloops op dat het maar goed is dat Hermans nooit gehoor heeft gegeven aan de wens van De Jong. Een relativerende en ‘wijze’ Hermans zou niet interessant zijn. Havenaar wil aantonen dat Hermans’ voortdurende kritiek op zijn vaderland bijdraagt aan de kennis over Nederland. In een aantal goed gekozen hoofdstukken (zeden, politiek, taal, literatuur en oorlog) laat Havenaar zien dat Hermans een dubbelzinnige verhouding met Nederland had. Hij mopperde vrijwel permanent op het land, maar werd kwaad als landgenoten datzelfde deden. Relativering van de Nederlandse geschiedenis en taal waren hem een gruwel, hoewel hij zelf de eerste was die vond dat Nederland de Franse grandeur miste. En hoewel hij zich eraan ergerde dat de Nederlandse literatuur in het buitenland niet voldoende werd gepropageerd, verzuchtte hij regelmatig dat het Nederlands als wereldtaal niets voorstelde.
        Die tegenspraak is er voortdurend. Zelfs de Tweede Wereldoorlog bezorgde Hermans dubbele gevoelens. Hij deed alsof de oorlog hem geen nieuwe inzichten openbaarde en was een van de eersten die het Nederlandse verzet relativeerden. Maar bekend is dat Hermans woedend was over de Duitse inval en zich zijn leven lang opwond over de Nederlandse gezagsdragers in oorlogstijd, met uitzondering van koningin Wilhelmina, die hij zeer bewonderde.
        Havenaar beschrijft Hermans’ dubbelzinnige houding met verve. Maar hij trekt niet de conclusie die toch zo duidelijk uit zijn boek oprijst: dat die voortdurende dubbelzinnigheid niet zoveel zegt over Nederland, maar alles over Hermans. Ongelijk heeft Havenaar als hij constateert dat Hermans consistent was in zijn opvattingen over Nederland. Dat was hij juist niet, blijkt uit zijn studie. Het enige waarin Hermans consistent was, was in zijn gemopper op Nederland. Dat valt in een zin samen te vatten: het is niet goed of het deugt niet. Die wrok van Hermans is adembenemend. Geen Nederlands schrijver na de oorlog heeft zoveel goud gepeurd uit de bekende uitspraak dat een ongelukkige jeugd een goudmijn is voor een schrijver. Qua agressie en verongelijktheid vond Hermans alleen zijn evenknie in Multatuli. Zelden heeft zoveel agressie tot zoveel voortreffelijke en meedogenloze literatuur geleid.

Opstandigheid
Maar is Hermans ‘een van de beste schrijvers van Nederland doordat hij een van de beste schrijvers over Nederland is’, zoals Havenaar concludeert? Nee. Zijn voortdurende negativisme en zijn permanente kritiek op Nederland zijn weliswaar een genoegen om te lezen, maar dragen niet wezenlijk bij tot de kennis van het vaderland. Hermans heeft altijd afgegeven op sociologen en antropologen. Bijna altijd had hij gelijk. Bijna, maar niet altijd. Want laten het uitgerekend ‘logen’ zijn die voortreffelijk geschreven hebben over Nederland. Te denken valt aan de Amerikaan Derek Philips, de Duitser Ernest Zahn en de Nederlander Rob van Ginkel. Maar ook bij de historici Huizinga en Kossmann kom je meer te weten over Nederland dan bij Hermans. Hooguit kan Hermans, zoals Havenaar constateert, in één adem worden genoemd met Multatuli in een traditie van tegendraadsheid en opstandigheid. Hermans’ polemische instelling, zijn botheid en zijn tegelijk burgerlijke, soms zelfs benepen hang naar erkenning maken van hem een Nederlander bij uitstek.
        Had Hermans in zijn beschouwingen meer relativering en ‘wijsheid’ gelegd, zoals Oek de Jong wenste, dan had van een bijdrage aan de kennis van Nederland sprake kunnen zijn. Nu hij echter blijft steken in een karikaturale schets van het gehate vaderland, treedt al snel de verveling in. Havenaar heeft gelijk: een relativerende Hermans zou niet de fascinerende schrijver zijn die we kennen. Maar hij moet van Hermans ook geen veredelde antropoloog maken die zoveel zinnigs over Nederland te berde bracht.
        Wat meer zegt, is de weerklank die het gemopper van Hermans bij de Nederlandse intelligentsia heeft gevonden. De ‘dominee met de lege kerk’ trok aan het eind van zijn leven volle zalen. ‘Iedere Hollander heeft de pest aan Holland. Dat is onze cardinale eigenschap,’ legt Hermans een romanpersonage in de mond. Om die reden behoren zoveel brave polderjongens tot de fanclub van Hermans: hij kankerde met talent waar zij het zonder talent moeten doen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Begrijp het heden, begin bij het verleden: met HN Actueel lees je historische achtergronden bij het nieuws van vandaag. Je hebt al een abonnement voor €4,99 per maand.

Nieuwste berichten

Man draagt een hoofd in een kruiwagen, fotoshop negentiende eeuw
Man draagt een hoofd in een kruiwagen, fotoshop negentiende eeuw
Interview

‘Trucage met foto’s was vermaak, geen manipulatie’

Het internet raakt door AI overspoeld met nepbeelden, maar de fototentoonstelling FAKE! in het Rijksmuseum laat zien dat fotomanipulatie zo oud is als de fotografie zelf. Zo komen er in de collectie beelden van vliegende auto’s en personen met absurd grote hoofden voorbij. Volgens curator en conservator Hans Rooseboom is er wel iets veranderd sinds...

Lees meer
Nederlandse SS-bewaakster
Nederlandse SS-bewaakster
Recensie

Nederlands personeel in concentratiekampen zag zichzelf als slachtoffer

De Nederlandse mannen en vrouwen die in de concentratiekampen werkten hadden dikwijls een problematische achtergrond. Toch waren de meesten geen gestoorde monsters, toont Hans de Vries.  In Amor fati (1946) schrijft Abel Herzberg over wat hij heeft gezien in Bergen-Belsen, het concentratiekamp waar hij met zijn vrouw gevangenzat. Een van de essays gaat over ‘blonde Irmy’, een SS-Aufseherin die door de gevangenen ‘de griet’ wordt genoemd. Een niet al...

Lees meer
Drie regenten van het Leprozenhuis
Drie regenten van het Leprozenhuis
Kopstuk

Door het vetorecht kon één dwarsliggende stad de hele Republiek lamleggen

Hongarije blokkeert EU-hulp aan Oekraïne door zijn veto uit te spreken. De overige lidstaten moeten daardoor op zoek naar een geitenpaadje om hun miljarden toch bij Zelenski te krijgen. In de achttiende eeuw zorgde het vetorecht in de Republiek ook voor bestuurlijke chaos. Begin achttiende eeuw gold in de Republiek op ieder politiek niveau –...

Lees meer
Maaltijd der vrienden (1935) door Charley Toorop
Maaltijd der vrienden (1935) door Charley Toorop
Recensie

Charley Toorop had succes in het werk, maar pech in de liefde

Charley Toorop kreeg volop erkenning als kunstenaar, maar in haar privéleven was het tobben. Zo blijkt uit de biografie door Wessel Krul.  De portretten van Charley Toorop (1891-1955) zijn meteen herkenbaar: de afgebeelde personen hebben gebeitelde koppen, grote ogen en iets gekwelds. Er zit een onderstroom van agressie in. Toen Toorop begin twintigste eeuw begon te exposeren veroorzaakte haar werk opschudding. Critici vonden het ‘mannelijk’, maar...

Lees meer
Loginmenu afsluiten