Home Marx was een antisemiet

Marx was een antisemiet

  • Gepubliceerd op: 5 oktober 2021
  • Laatste update 22 nov 2021
  • Auteur:
    Robin te Slaa
  • 11 minuten leestijd
Marx was een antisemiet

Karl Marx schold Joden uit voor kapitalistische sjacheraars. Zijn compagnon Friedrich Engels droomde van een uitroeiingsoorlog tegen Slavische volken. Ook andere aartsvaders van de internationale arbeidersbeweging waren behept met antisemitisme en racisme.

In de negentiende eeuw kwamen zowel het pseudowetenschappelijke, biologisch ‘gefundeerde’ racisme op als het moderne (niet religieuze) antisemitisme. Hierin gold ‘de Jood’ als een niet te assimileren volksvijand en belichaming van het kapitalisme. Dergelijke opvattingen vonden geregeld aansluiting bij het streven naar emancipatie van de sociaal-economisch onderste bevolkingslagen. Zo verkondigden de Franse afgevaardigden Paul Argyriadès en Albert Regnard op het Brusselse congres van de Tweede Internationale in 1891 dat alleen het Arische ras was voorbestemd om de sociale vernieuwing te bewerkstelligen.

Hoewel Karl Marx en Friedrich Engels de leuze ‘proletariërs aller landen, verenigt u’ verhieven tot parool van de opkomende arbeidersklasse, bleken ook zij niet immuun te zijn voor het epidemische racisme en antisemitisme van hun tijd. Een opmerkelijk feit in dit verband: Marx’ beide ouders stamden uit rabbijnengeslachten, maar hadden zich bekeerd tot het protestantisme. Zijn eigen Joodse achtergrond verhinderde niet dat Marx in brieven aan Engels de Duitse socialistische leider Ferdinand Lassalle bespotte als ‘Joodse neger’. In hun correspondentie duidden beide mannen Lassalle bij voorkeur aan met antisemitische spotnamen als ‘de jid’, ‘Baron Itzig’, ‘Ephraim Goochem’ en ‘Jüdel Braun’. Diens opdringerigheid bestempelde Marx als ‘negerachtig’.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,- Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

‘Jodenvraagstuk’

 In het essay Zur Judenfrage, dat Marx in 1843 schreef, staan zeer hatelijke passages over Joden. De auteur presenteerde hen niet zozeer als religieuze bevolkingsgroep, maar hekelde ‘de werkelijke Jood’ als de belichaming van materialisme, egoïsme en kapitalisme:

‘Wat is de wereldlijke grondslag van het Jodendom? De eerste praktische behoefte, het eigenbelang. Wat is de wereldlijke eredienst van de Jood? De sjacher.

Wat is zijn wereldlijke god? Het geld.’

Karl Marx.

Marx constateerde in het Jodendom ‘een algemeen hedendaags anti-sociaal element’, dat een belangrijke rol had gespeeld in het ontstaan van het kapitalisme. Niet minder rigoureus vervolgde hij: ‘De Jood heeft zich op Joodse wijze geëmancipeerd, niet alleen doordat hij zich de geldmacht heeft toegeëigend, maar doordat door hem en zonder hem het geld tot wereldmacht en de praktische Joodse geest tot praktische geest van de christelijke volkeren is geworden.’ Christenen waren in hun denken en handelen Joden geworden. Jodenemancipatie kwam aldus Marx uiteindelijk neer op ‘de emancipatie van de mensheid van het Jodendom’ oftewel ‘de emancipatie van de sjacher en van het geld’.

Opvallend genoeg heeft Marx de antisemitische inhoud van zijn vroege geschrift Zur Judenfrage nooit herroepen. Wel betuigde hij in 1843 zijn steun aan een vanuit de Joodse gemeenschap geïnitieerde actie voor gelijke rechten. Over zijn instrumentele motivatie daarvoor vertrouwde hij een bekende toe: ‘Het is zaak om zo veel mogelijke bressen in de christelijke staat te schieten en zo veel mogelijk rationeels naar binnen te schieten.’ De Jodenemancipatie diende kortom een hoger revolutionair doel.

Kanonnenvoer

In Marx’ latere werk maakte de term ‘Jood’ plaats voor die van ‘bourgeoisie’ als drijvende kracht achter het kapitalisme. Antisemitische sneren bewaarde hij voortaan voor zijn omvangrijke briefwisseling met Engels, die zich op dit gebied evenmin onbetuigd liet. Marx’ vertrouweling bestreed in zijn boek Anti-Dühring de denkbeelden van de destijds invloedrijke filosoof, econoom én rabiate antisemiet Eugen Dühring. In dit vele honderden pagina’s tellende manifest schreef Engels in welgeteld één zin over ‘de tot in het belachelijke overdreven Jodenhaat die de heer Dühring bij iedere gelegenheid ten toon spreidt’. Met deze welhaast terloopse stellingname leek hij bovendien te suggereren dat een wat minder heftige vorm van antisemitisme wel verdedigbaar was.

Tsjechen, Kroaten en Russen wachtte het lot van denationalisering of vernietiging

Marx en Engels beschouwden ‘ras’ soms als een economische factor die medebepalend was voor de productiviteit van arbeid. Bij andere gelegenheden uitten zij zich openlijk racistisch. Zo betoogde de jonge Engels ooit dat de Polen een reactionair volk vormden. Duitsland zou daarom zoveel mogelijk van West-Polen moeten bezetten onder het mom van bescherming tegen Rusland en ‘de mensen als kanonnenvoer [moeten] gebruiken’. Hij repte eveneens van ‘een uitroeiingsoorlog van de Duitsers tegen de Tsjechen’ en riep op tot ‘vastbesloten terrorisme’ tegen de Zuid-Slaven.

Friedrich Engels.

In een vroege artikelenreeks bestempelden Marx en Engels Tsjechen, Kroaten en Russen als onhistorische en zelfs reactionaire volkeren. Deze ‘contrarevolutionaire naties’ behoorden volgens deze apostelen van het proletarisch internationalisme niet tot het te emanciperen deel van de mensheid. Vanwege hun onverbeterlijke volksaard wachtte deze volkeren daarom het lot van denationalisering of vernietiging. Het beste konden zij opgaan in ‘een meer krachtig ras’. Met ‘een meer krachtig ras’ hadden Marx en Engels ongetwijfeld de Duitsers op het oog. Engels was in elk geval van mening dat de Denen, de Belgen, de Nederlanders en de Zwitsers als zogenaamde bastaardnaties in Duitsland moesten opgaan.

Koloniale onderwerping

 Duits-nationalistische en anti-Slavische sentimenten wrongen bij Marx en Engels wel vaker met hun proletarisch internationalisme. Zo prezen zij in 1848 een Duitse oorlog tegen Rusland aan als ‘revolutionair’ omdat deze de tsaristische ‘reactie’ zou verslaan en Duitsers zou helpen bij het afschudden van ‘de ketenen van een lange, onwaardige slavernij’. Marx en Engels beschouwden een oorlog tegen Rusland als mogelijkheid om de Duitsers veilig te stellen van de Slavische dreiging en tegelijkertijd bij te dragen aan de bevrijding van anderen.

Toen de Franse keizer Napoleon III in 1870 de oorlog aan Pruisen verklaarde nam Marx onmiddellijk stelling: ‘De Fransen verdienen een goed pak slaag. Als de Pruisen winnen zal de centralisering van de staatsmacht (in het versnipperde Duitsland, red) de Duitse arbeidersklasse ten goede komen. De Duitse overheersing zal dan het zwaartepunt van de West-Europese arbeidersbeweging doen verschuiven van Frankrijk naar Duitsland.’

De overwinning van Pruisen zou volgens Marx ook ‘het overwicht van onze theorie’ betekenen over de denkbeelden van de Franse grondlegger van het anarchisme Pierre-Joseph Proudhon. Het proletarisch internationalisme was in dit geval ondergeschikt aan de ideologische heerszucht van Marx en Engels. Zij herriepen overigens hun steun aan de Duitse oorlogsvoering toen deze niet langer defensief was, maar zich richtte op gebiedsuitbreiding.

Dergelijke overwegingen speelden geen rol wanneer westerse mogendheden oorlog voerden tegen in hun ogen achtergebleven volkeren. De koloniale veroveringsoorlog van Frankrijk tegen Algerije noemde Engels ‘een belangrijk en gelukkig feit voor de vooruitgang van de beschaving’. Het westerse imperialisme bevorderde immers de komst van het kapitalisme en daarmee uiteindelijk dus ook de proletarische revolutie. Vanwege de koloniale onderwerping van Indië typeerde Marx Engeland als ‘het onbewuste werktuig in de geschiedenis om die revolutie teweeg te brengen’.

‘Rothschilds en Shylocks’

Racistische en antisemitische denkbeelden kwamen niet alleen voor onder de Duitse grondleggers van het marxisme. Zo verdedigde Proudhon de slavernij en was hij tijdens de Amerikaanse burgeroorlog een aanhanger van de Confederatie. Proudhon beleed daarnaast een uiterst radicaal antisemitisme. Over Joden fulmineerde hij: ‘De Jood is de vijand van de mensheid. Dat ras moet naar Azië worden teruggestuurd, of uitgeroeid.’

De communistische putschist Louis Blanqui, die bijna zijn halve leven in gevangenissen sleet, duidde Joden gewoonlijk aan als ‘Rothschilds’ en ‘Shylocks’. Hij beschouwde Joden als ‘het type, het ideaal en de incarnatie van zwendel, woeker en roofzucht’ en constateerde: ‘Zij zijn de gesel van de naties door hun meedogenloze begeerte en hun vijandigheid ten opzichte van de mensheid.’

Proudhon verdedigde de slavernij en de Confederatie

Met hun onverzoenlijke haat tegen Joden waren Blanqui en Proudhon beslist geen uitzondering binnen het vroege Franse socialisme. Het moderne antisemitisme, waarbij ‘de Jood’ gold als personificatie van het kapitalisme, had in de tweede helft van de negentiende eeuw in Frankrijk vooral aanhangers onder links. Pas daarna werd het overgenomen door antikapitalistisch rechts. Bepaalde extreemlinkse organisaties en personen bleven tegelijkertijd antisemitische denkbeelden uitdragen. De syndicalistische theoreticus Georges Sorel, die ook enige tijd sympathiseerde met het pre-fascistische Action Française, uitte in zijn publicaties allerlei bedreigingen tegen Joden en hield hen verantwoordelijk voor de decadentie van Frankrijk. Zelfs het verhaal dat Oost-Europese Joden zich schuldig maakten aan het ritueel vermoorden van christelijke kinderen geloofde Sorel.

‘Ras van bloedzuigers’

De Russische anarchist Michail Bakoenin hing een niet minder virulent antisemitisme aan dan zijn leermeester Proudhon. Hij verkondigde dat Joden het kapitalisme en het marxisme gebruikten bij hun streven naar heerschappij:

‘Nu staat de hele joodse wereld – die bestaat uit een ras van bloedzuigers, een enkele verscheurende parasiet, hecht verbonden over niet alleen de grenzen van de naties, maar ook over alle politieke scheidslijnen heen – nu staat die joodse wereld van heden ter beschikking van Marx aan de ene kant en de Rothschilds aan de andere.’

Michail Bakoenin.

Bakoenin verafschuwde niet alleen Joden, maar ook Duitsers. Zij streefden er volgens hem naar om het in 1871 gestichte Duitse Keizerrijk zoveel mogelijk te vergroten en de Slavische volkeren in een positie van ‘slaafse onderworpenheid’ te brengen. In de persoon van Marx kwamen beide vijandsbeelden samen. ‘Als Duitser en Jood is hij van top tot teen autoritair’, luidde Bakoenins onverbiddelijke oordeel. Hij omschreef Marx als ‘uiterst ambitieus en ijdel, onverdraagzaam en absoluut, als Jehova, de Heer God van zijn voorouders en net zo wraakzuchtig in een mate die grenst aan waanzin’.

Linkse pogroms

De genocidale Jodenhaat die Bakoenin bij andere gelegenheden tentoonspreidde had niet misstaan in het antisemitische schendblad Der Stürmer van nazikopstuk Julius Streicher. Pogroms tegen de ‘bloedjoden’ riepen bij hem geen bezwaren op. Sterker nog, Bakoenin beschouwde deze zelfs als inherent aan de sociale revolutie: ‘In alle landen minacht het volk de joden. Men minacht hen zozeer dat elke volksrevolutie gepaard gaat met een massamoord onder de joden: een natuurlijk gevolg…’

Bakoenins bloeddorstige voorspelling werd bewaarheid tijdens de Russische Revolutie en de daaropvolgende burgeroorlog. In verzet tegen de bolsjewistische dictatuur vestigden revolutionaire boeren in een groot deel van Oekraïne in april 1919 een autonome sovjetregering. Zij koesterden vanouds een diep wantrouwen tegen ‘Moskovieten’ en Joden. Onder de leuze ‘Leve de sovjetregering, weg met de bolsjewieken en smouzen’ organiseerden partizanen in de provincie Kiev tientallen bloedige pogroms tegen Joden. Ook stakende arbeiders, muitende soldaten en opstandige boeren in andere plaatsen in de Sovjet-Unie verbonden aan hun eis voor vrij gekozen sovjets dikwijls aan leuzen als ‘Dood aan de smouzen, weg met de bolsjewistische commissarissen!’

Bakoenin verafschuwde niet alleen Joden, maar ook Duitsers

In concept-directieven voor het beleid in Oekraïne, opgesteld in najaar van 1919,  stelde Lenin voor om Joden in de steden aldaar naar het front over te brengen en hen – met uitzondering van een onbetekenend percentage en in buitengewone omstandigheden – niet toe te laten in regeringsinstellingen. In de marge krabbelde de communistische leider op het document: ‘Stel het netjes: Joodse bourgeoisie’. Lenin was geen antisemiet, maar een machiavellistische leider die zich ervan bewust was hoe diep de haat tegen de Joden bij veel Russen en Oekraïners was geworteld. Toen hij in 1920 een alarmerend bericht ontving over pogroms in Oekraïne waaraan eenheden van het Rode Leger zich schuldig maakten, noteerde hij op het betreffende document ‘ter archivering’. Het probleem was voor Lenin daarmee kennelijk afgehandeld.

Domela Nieuwenhuis

In het vroege socialistische milieu in Nederland was een aanzienlijk mildere variant van het antisemitisme wijdverspreid. De socialistische wegbereider en latere anarchist Ferdinand Domela Nieuwenhuis zag zijn afkeer van Joden bevestigd in de geschriften van onder anderen Proudhon, diens landgenoot Édouard Drumont en de Duitser Theodor Fritsch. De laatste twee waren beroemde auteurs van antisemitische bestsellers als La France juive en Antisemiten Katechismus.

 In de door Domela geleide krant Recht voor allen werd regelmatig geadverteerd voor een serie antisemitische pamfletten onder de suggestieve titel Achter de schermen. De voorstelling dat Joodse kapitalisten –  ‘een almachtigen bond’ – heimelijk de dienst uitmaakten kregen de lezers ook in de krant zelf voorgeschoteld. Pogroms tegen rechteloze Joden in Rusland werden weliswaar veroordeeld, maar het antisemitisme in dat land gold als een gerechtvaardigde reactie op ‘de ekonomische overheersing, die de Israëlieten hebben weten te veroveren als een direkt gevolg van de kapitalistische produktie- en verkeerswijze’. Joden bevoordeelden bovendien elkaar en zonderen zich af van andere burgers. Alleen al vanwege ‘de enorme heerschappij die speciaal israelitische kringen gaandeweg verkregen hebben’ ging het door hen zo grif aangehaalde ‘sprookje van het antisemitisme’ niet op.

Domela Nieuwenhuis.

In zijn venijnige aanvallen op kopstukken van de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD), die de Tweede Internationale domineerde, en op zijn voormalige idool Karl Marx hanteerde Domela uitgesproken anti-Duitse en antisemitische stereotypen. Zo was Marx ‘van oorsprong een jood’ en als zodanig behept met ‘de oude rabbijnsche letterknechterij en spitsvondigheid’.

De door zijn volgelingen aanbeden Domela was bepaald niet de enige antisemiet in het vroege Nederlandse socialisme. Hij en verschillende andere voormannen propageerden een antisemitisme waarbij Joden – niet zelden aangeduid als ‘geldjoden’, ‘pelsjassen’ en ‘smouzen’ – als groep verantwoordelijk werden gehouden voor het verderfelijke kapitalisme.

Het proletarisch internationalisme was bij verscheidene van haar grondleggers aan grenzen gebonden. Dat dit niet zelden raciale grenzen waren, maakt duidelijk dat ook deze revolutionaire hemelbestormers kinderen van hun tijd waren.

Robin te Slaa is historicus en auteur van verschillende boekenwaaronder Wat is fascisme? Oorsprong en ideologie