Home Lachen om die domme Duitsers

Lachen om die domme Duitsers

  • Gepubliceerd op: 23 januari 2024
  • Laatste update 22 feb 2024
  • Auteur:
    Geertje Dekkers
  • 9 minuten leestijd
Bezembinders. Ets door Jan Gillisz. van Vliet, 1635.

Waarom nu?

Veel politieke partijen willen zorgen dat er minder arbeidsmigranten komen. Bijvoorbeeld door bepaalde sectoren af te remmen.

Duitsers waren sullig, lomp en vraatzuchtig. ‘Moffenkluchten’ in de Amsterdamse schouwburg schetsten een allesbehalve flatterend beeld van hen. Het zeventiende- en achttiende-eeuwse publiek lachte om deze buitenstaanders – maar ook om zichzelf.

Lammert is een sufferd, een man zonder pit. Hoewel hij tegen de dertig loopt, heeft hij zijn moeder Trijn nodig om hem te wijzen op zijn losse schoenveters, en een vrouw voor hem te regelen.

Als de Hollandse Griet zich aandient, ziet Trijn in haar een geschikte schoondochter. Griet doet alsof ze geïnteresseerd is, maar dat is voor de grap. Al voordat ze Lammert heeft ontmoet, weet ze dat het tussen hen nooit iets zal worden. Want Lammert is een knoet, een poep, een mof. Een Duitser dus. Moffen zijn lompe types, vindt Griet, en met zo’n geval zal ze zich nooit inlaten. Ook haar moeder is niet van de aandacht gediend: al scheet Lammert ‘gouden potten met zilveren hengsels’, zegt ze, dan nog zou ze het niet goedvinden dat Griet zich met hem inliet.

Meer lezen over Adolf Hitler? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

De misleide Trijn regelt een ontmoeting tussen de twee en dan maakt Griet haar grap. Ze smeert Lammerts neus in met roet en sneert dat hij eruitziet alsof hij uit ‘Moorenlant’ komt, en dat je met hem Driekoningen kunt spelen. Dat kan Lammert niet verkroppen, maar dat laat hij pas duidelijk horen als Griet zich op veilige afstand bevindt. Ze is een hoer, scheldt hij, en als ze in de buurt zou zijn, zou hij haar tegen haar gat schoppen. Maar de sul komt niet tot actie en laat het vuile werk over aan Trijn. Die begint een kijf- en vechtpartij met Griets moeder, die zo uit de hand loopt dat de schout moet ingrijpen.

Duitse hollandgänger oftewel arbeidsmigranten. Houtsnede naar Louis Preller, 1865.
Duitse hollandgänger oftewel arbeidsmigranten. Houtsnede naar Louis Preller, 1865. Bron: AKG Images.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dat is de strekking van de Klucht van Loome Lammert uit 1642 vande Amsterdamse komediespeler en -schrijver Isaak Vos, die in 1644 werd omgedoopt tot de Klucht van de Moffin. Het toneelstuk was tientallen keren te zien in de Amsterdamse Schouwburg, net als de Klucht van de Mof, die Vos ook schreef. En ook andere auteurs schreven blijspelen waarin Duitse nieuwkomers voor schut werden gezet.

Financieel onbetrouwbaar

Duitsers kwamen in de zeventiende eeuw in groten getale naar de Republiek. Onder hen waren ‘hannekemaaiers’, die voor seizoenswerk naar met name Holland trokken. Vaak zeulden ze koopwaar mee, die ze onderweg hoopten te slijten, en eenmaal hier verhuurden ze hun spierkracht. Ze maaiden, staken turf of deden ander werk dat in het welvarende Holland meer opbracht dan bij hen thuis. Na een paar maanden vertrokken ze, om eventueel het volgende jaar terug te komen.

Een andere categorie Duitsers vestigde zich permanent in de Republiek en dan vooral in Amsterdam. Daar viel geld te verdienen en bovendien was het er redelijk veilig. Dat telde zwaar voor vluchtelingen uit Duitse gebieden waar de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) rampen aanrichtte. De Republiek was ook betrokken bij dat conflict, maar in Holland werd in die jaren niet gevochten.

Ongemanierde mopperkont

Het woord ‘mof’ voor Duitsers heeft Duitse wortels. Een Muff is een mopperaar of een ongemanierd persoon. In de term zitten dus vooroordelen over Duitsers ingebakken. Toch werd het woord na de zeventiende eeuw niet altijd negatief gebruikt, zo weet het Etymologisch woordenboek van het Nederlands. Het kon ook een neutrale lading hebben. Tot de Tweede Wereldoorlog. Toen kreeg het opnieuw een onmiskenbaar negatieve betekenis.

Het effect van die migratie is te zien in de trouwregisters, bijvoorbeeld voor het jaar 1613. Toen trouwden 2132 inwoners van Amsterdam: ongeveer een kwart van hen was in de stad geboren en getogen. Zo’n 30 procent kwam uit de rest van het land en maar liefst een kwart was uit Duitsland verhuisd.

Met zo veel import groeide – of explodeerde – het inwonersaantal van ongeveer 30.000 rond 1585 naar circa 220.000 rond 1670. En dat terwijl de stad zonder migratie zou zijn gekrompen, want het leven was er zo ongezond dat mensen er in hoger tempo stierven dan ze werden geboren.

Voor de economie van de stad waren de nieuwkomers onmisbaar, maar de reactie op hun komst was niet altijd fraai – zeker niet in kluchten over migranten. Het bekendste toneelstuk uit dit genre gaat niet over ‘moffen’, maar over Jerolimo Rodrigo, de Spaanschen Brabander. Gerbrand Adriaenszoon Bredero schreef de klucht in 1617, in een tijd dat Antwerpse immigranten zichtbaar aanwezig waren. Zij hadden hun geboortestad verlaten nadat de mannen van Filips II die in 1685 hadden veroverd. In het eerdergenoemde jaar 1613 kwam dan ook zo’n 13 procent van de Amsterdamse bruiden en bruidegoms uit de Zuidelijke Nederlanden.

Voor de economie waren nieuwkomers onmisbaar

Ook Bredero’s hoofdpersoon Jerolimo was een Antwerpse immigrant, al had hij Spaanse roots. Dat laatste was in de jonge Republiek geen goed nieuws. Spanje was de vijand in een slepende oorlog, al gold van 1609 tot 1621 een bestand.

Jerolimo was straatarm in Amsterdam aangekomen, maar deed alsof hij steenrijk was. Hij blufte zich een weg door de stad, tot hij op een dag zomaar verdween, met achterlating van zijn schulden. Daarmee stipte Bredero een belangrijk cliché aan over vreemden: ze zouden financieel onbetrouwbaar zijn, en altijd uit op geld. Dat vooroordeel gold ook Duitsers, en daarom liet Bredero een van zijn personages zeggen: ‘Moffen, Poep en knoet, Dat syn troggelaars tot bedelen opghevoet.’

De ‘troggel-sack’

Ook Lammert uit de Klucht van de moffin is een financieel onbetrouwbare pocher. Hoewel zijn moeder een ‘voddenwijf’ is, beweert hij tegen Griet dat ze zeven à acht huisjes bezitten en het halve ‘strontsteegje’ (bij de Haarlemmerdijk) aan hen toebehoort. Tegelijkertijd heeft Griets moeder haar typische oordeel over Duitsers klaar. Volgens haar beweren ze altijd dat ze uit een voorname familie komen en in eigen land ‘veel vrinden en magen’ hebben: goede connecties die in de zeventiende eeuw essentieel waren om deel te nemen aan het economische leven. Handel draaide voor een groot deel op vertrouwen en daarin speelden persoonlijke banden een essentiële rol. Zonder degelijk netwerk was het moeilijk voet aan de grond te krijgen. Omdat de goede connecties van Duitsers verzinsels zijn, zo impliceert moeder, worden ze vaak de gemeenschap tot last: zodra ze de stad in zijn, moeten ze ‘de troggel-sack’ dragen, of leven ze van kerkelijke steun of giften van goede lui.

‘Moffen syn troggelaars tot bedelen opghevoet’

De leugenachtigheid zal een cliché zijn, en veel nieuwkomers hadden wel degelijk enige connecties onder migranten die hun waren voorgegaan. Maar een belangrijk deel van de Duitsers in Amsterdam had het financieel inderdaad moeilijk. Sommigen kwamen uit steden die zo hard waren getroffen door oorlog en andere ramspoed dat ze inwoners geld gaven om naar het westen te trekken. Dat was goedkoper dan hen in de eigen stad te onderhouden. En in Holland en vooral in Amsterdam was dus vaak werk te vinden.

Maar aan de onderkant van de arbeidsmarkt was ook daar het bestaan op zijn best karig en een aanzienlijk deel van de nieuwkomers had inderdaad financiële hulp nodig, zoals Griets moeder al klaagde. Nu kon niet iedereen daarop rekenen. De stad, die een deel van de steun verzorgde, hielp nieuwkomers pas als ze drie jaar officieel over het poorterschap beschikten, of na een verblijf in de stad van minimaal vier à vijf jaar. Daarnaast boden kerken hulp, maar in de loop van de zeventiende eeuw werden ook die selectiever. Een gelovige moest voortaan een paar jaar lidmaat zijn voordat hij daar kon aankloppen.

Oorlogsvluchtelingen. Schilderij door de Antwerpse  meester Sebastiaan Vrancx (1573-1647)
Oorlogsvluchtelingen. Schilderij door de Antwerpse meester Sebastiaan Vrancx (1573-1647).

Die terughoudendheid was een hard gelag voor een andere belangrijke groep nieuwkomers: de Joden uit het Iberisch schiereiland en Oost-Europa. Ook onder hen waren veel armen, maar die waren aangewezen op de eigen gemeenschap. Want religie was misschien wel de belangrijkste factor als het ging om in- of uitsluiting.

Wat dat betreft hadden christelijke Duitsers het dus iets makkelijker. Maar zij stuitten wel op weerstand, vooral van ‘echte’ Amsterdammers die het zelf niet al te breed hadden en concurrentie vreesden. Vandaar de vileine woorden van de moeder van Griet. De bovenlaag daarentegen had altijd behoefte aan goedkope arbeidskrachten om bijvoorbeeld de haven draaiende te houden. En dat was de groep die de politieke besluiten nam. Daarom hield het stadsbestuur de deuren open voor immigranten.

Hardnekkig

Moffenkluchten waren vooral een fenomeen uit de zeventiende en achttiende eeuw. Maar de bijbehorende clichés bleven ook daarna bestaan. In de negentiende eeuw kwam een nieuwe golf Duitsers naar Nederland, vaak om handel te drijven, en ook deze nieuwkomers werden herhaaldelijk afgeschilderd als domme lomperiken.

Zo bleven er Duitsers komen, en zo bleef het genre van de moffenklucht in stand. Behalve armoede en leugenachtigheid waren vraatzucht en dranklust vaste ingrediënten: de Duitse hoofdpersonen zijn slecht in maat houden. Ook zijn ze steevast ongemanierd: zie Lammert, met zijn gescheld en dreigementen. Of denk aan zijn moeder die als een razende tekeer gaat als ze verhaal komt halen voor Griets grap.

Een mens zou gaan denken dat Duitsers van een heel ander slag waren dan geboren Amsterdammers, maar het tegendeel is waar. De twee groepen hadden veel met elkaar gemeen als het ging om belangrijke zaken als taal en religie. En ook wat betreft de vooroordelen die over hen bestonden, want net als Duitsers werden Hollanders wel afgeschilderd als onmatige lomperiken: weinig verfijnd en al te dol op eten en drinken.

Bredero-monument in Amsterdam met  een scène uit de Spaanschen Brabander.
Bredero-monument in Amsterdam met een scène uit de Spaanschen Brabander. Bron: Shutterstock.

Volgens historisch humoronderzoekster Johanna Ferket fungeerden de moffenkluchten en soortgelijke toneelstukken dan ook als een spiegel voor het schouwburgpubliek. Ze wezen op wangedrag dat in het theater, lekker veilig, vooral werd toegeschreven aan anderen, van buiten. Maar Amsterdammers hadden dus een vergelijkbare reputatie en konden, zoals elke mensencategorie, ook echt lomp, sloom, gewelddadig en vraatzuchtig zijn. Tijdens de voorstelling konden ze luchtig lachen om vet aangezette versies van neigingen die ze net zo goed bij zichzelf of hun naasten konden bespeuren.

De helft van de Duitsers trouwde met een Amsterdamse

Bovendien was de praktijk anders dan de kluchten suggereerden. Hoewel Lammert en andere toneel-moffen steevast onsuccesvol probeerden Hollandse meisjes te strikken, sloegen echte Duitsers wel degelijk lokale vrouwen aan de haak: in 1650 trouwde de helft van hen met een Amsterdamse – en dat in een stad met een zeer gemengde bevolking.

Blijkbaar was de afkeer van Amsterdammers jegens Duitsers dus minder scherp dan Vos en andere toneelschrijvers suggereerden. Maar dat neemt niet weg dat de moffenkluchten voorstelling na voorstelling bezoekers trokken, uit alle lagen van de bevolking, die graag lachten om de niet zo heel erg andere ander.

Meer weten

  • Migratie als DNA van Amsterdam, 1550-2021 (2021) door Jan Lucassen en Leo Lucassen beschrijft hoe vreemdelingen de stad vormden.
  • Migrantenstad (2005) door Erika Kuijpers behandelt immigratie en sociale verhoudingen in zeventiende-eeuws Amsterdam.
  • Hekelen met humor (2021) door Johanna Ferket, over maatschappijkritiek in het zeventiende-eeuwse komische toneel in de Nederlanden.

Openingsafbeelding: Bezembinders. Ets door Jan Gillisz. van Vliet, 1635.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 2 - 2024