Dit jaar ben ik naar vijf uitvaarten geweest. Vijf keer naar dat kleine, ongemakkelijke toneelstuk waarin we het leven dat net voorbij is, projecteren op een scherm. De oudste foto’s zijn verbijsterend scherp. Zwart-wit, professioneel, met de ernst van toen. Kinderen met strakke gezichtjes, jongeren met glimlachen die de toekomst beloven, meisjes in stijve jurken, jongens in pakken. Vaak poseren ze bij een auto – bijzonder genoeg om statussymbool te zijn. Of ze fietsen naar het vaderlandse strand, tevreden met het natuurvriendenhuis, alsof dat alles is wat geluk kon bieden.
De jaren zestig brengen kinderen en kleur. De stellen op de fiets die elkaar goed genoeg hebben leren kennen om te trouwen, ontdekken dat fotografie niet langer zwart-wit hoeft te zijn. Kleding wordt beter: lichtere vezels, minder gedoe, voor vrouwen een lichte glans van elegantie. Mannen krijgen langere kapsels, de ernst blijft, maar de vrijheid sluipt binnen. Foto’s in huiskamers tonen feesten, verjaardagen, een leven dat je vastlegt omdat je plotseling de middelen hebt. Iedereen kan een camera kopen, en iedereen wil zich alles herinneren.
Langzaam verandert alles van kleur, van vorm, van ambitie. Bruin kruipt in de foto’s, de jaren zeventig zijn begonnen. Lang haar, lage banken, nieuwbouwhuizen, vakanties. Frankrijk met een flapperend dekzeil op de imperiaal, wijn in rieten mandjes, sigarettenrook die over tafels kringelt. Kinderen krijgen vrijheid, volwassenen krijgen geld. De camera gaat overal mee naartoe: pretparken, winkelcentra en vakantie. Nederland heeft geld te besteden en wil alleen maar meer.
Begin jaren tachtig verandert Kodak het recept. Foto’s kleuren beige, alsof het decennium wordt geteisterd door zandstormen. Auto’s zijn gestroomlijnder, dekzeilen maken plaats voor caravans of het Vrijheidsbeeld, de Borobudur, de Akropolis – souvenirs op film van een rijk geworden land dat het hele wereldtoneel opeist. Vrijheid komt binnen bereik, het maakt niet uit wat het kost, we betalen de prijs.
Kijkend naar de foto’s van mensen die ons zijn ontvallen, vraag ik me af hoe het ooit zover is gekomen, die snelle veranderingen, de grote toename in welvaart. Fotografie is niet alleen een herinnering; het is een manier om te zien hoe we ons hebben ontwikkeld. En soms hoe we de verandering probeerden tegen te houden, net zo wanhopig als futiel.
Ik ben benieuwd hoe onze levens ooit op een scherm terecht zullen komen. De overgang van analoog naar digitaal heeft veel stukgemaakt, veel foto’s staan op oude computers. Het maakt ze vluchtiger, minder waardevol. Wat zal de mensen in de zaal opvallen, over de jaren nul, tien, twintig en dertig? Zijn we tevreden met wat we zijn geworden of zullen ze spijt zien? Uiteindelijk is het leven niets meer dan een diashow: wij flitsen voorbij, scherp of beige, terwijl iemand achterin zachtjes op volgende drukt.
