• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 9/2009

    Franz Josef Strauß (1915-1988)

    Flamboyant politicus uit Beieren

    Door: Willem Melching

    De carrière van de Beierse politicus Franz Josef Strauß loopt parallel met de hoogte- en dieptepunten in de eerste veertig jaar van de Bondsrepubliek. De combinatie van groot politiek talent en manische onberekenbaarheid maakt hem tot een van de intrigerendste naoorlogse politici in Duitsland.


    Als politicus was Franz Josef Strauß direct betrokken bij de (atomaire) herbewapening. Hij speelde een centrale rol in de Spiegel-affaire, was vier keer minister, gevreesd oppositieleider, mislukt Kanzlerkandidat in 1980 en tien jaar Beiers minister-president.

    Naast dit drukke bestaan had hij een onverzadigbare zucht naar – in willekeurige volgorde – drank, eten, vrouwen, snelle auto’s en vliegtuigen. Zijn exuberante levensstijl stond garant voor talloze schandalen en artikelen in de pers. Strauß beledigde iedereen, maar hij kon slecht incasseren. Om het minste of geringste daagde hij tegenstanders voor het gerecht.

    De lange politieke loopbaan van Franz Josef Strauß is daarom een aaneenschakeling van conflicten en schandalen. Of, zoals Vrij Nederland-journalist Martin van Amerongen in 1980 schreef: Strauß is een ‘Formule 1-wagen met de remmen van een step’.

    Franz Josef Strauß groeide op in een katholiek gezin. Zijn vader dreef een bescheiden slagerswinkel aan Schellingstraße 49 in de Münchense studentenwijk Schwabing. Zijn ouders waren goede katholieken en Strauß kreeg van hen al vroeg een gezond wantrouwen mee jegens Pruisen en nazi’s.

    De jonge Franz was een bijzonder kind. Als negenjarige misdienaar leerde hij zichzelf Latijn. Zijn cijfers op het eindexamen van 1935 waren de hoogste van heel Beieren sinds 1910. Met een studiebeurs studeerde hij germanistiek, klassieke talen, geschiedenis en economie aan de universiteit van München. Tijdens de oorlog vocht hij zowel in West-Europa als aan het oostfront. Vanwege bevriezingsverschijnselen verliet hij in 1943 met een van de laatste vliegtuigen het ingesloten Stalingrad.

    In zijn memoires vertelt Strauß wel over de Duitse gruweldaden aan het oostfront, maar die werden volgens hem niet begaan door Wehrmacht-soldaten, maar door SS’ers. Zo hield ook Strauß de mythe van de ‘onschuldige’ Wehrmacht en haar ‘onwetendheid’ van de vernietigingskampen in stand. Strauß was geen nazi, maar de suggestie in zijn memoires dat hij eigenlijk bij het verzet hoorde is volstrekte onzin.

    Nucleaire dolleman
    Na de oorlog maakte Strauß snel carrière. Hij sloot zich aan bij de Christlich-Soziale Union. De CSU opereert alleen in Beieren, maar werkt op landelijk niveau intensief samen met de Christlich Demokratische Union; zo hebben de CSU en de CDU een gemeenschappelijke fractie in de Bondsdag. In 1949 werd Strauß gekozen in de Bondsdag; hij zou tot en met 1978 onafgebroken lid zijn.

    In 1952, midden in de Korea-oorlog, wist hij met een grote rede over defensiepolitiek de aandacht te trekken. Strauß’ ideeën waren helder en zouden nauwelijks nog veranderen: de Sovjet-Unie was per definitie agressief en de Verenigde Staten waren het ‘fundament van de verdediging van de vrije wereld’. Daarnaast hamerde hij op het belang van Europese samenwerking.

    In 1955 maakte Adenauer hem minister voor Atoomzaken. Strauß verdiepte zich in nucleaire strategie en raakte overtuigd van het belang van een eigen Duits kernwapen. In oktober 1956 wist hij de felbegeerde post van minister van Defensie in de wacht te slepen.

    Midden jaren vijftig bestond er zowel in de Verenigde Staten als in Europa grote twijfel over de strategie van de NAVO. Zouden de Verenigde Staten werkelijk zelfvernietiging riskeren door in een Europees conflict atoomwapens in te zetten? De Britten losten deze twijfels op door de aanschaf van een atoomwapen. Ook Strauß en Adenauer wilden koste wat kost in het bezit komen van een eigen kernbom. Al was het alleen maar om op voet van gelijkheid met de Britten te worden behandeld.

    Een Alleingang was voor de Bondsrepubliek niet mogelijk; daarvoor was de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog nog te vers. Strauß en Adenauer zagen daarom twee reële opties. De eerste was samenwerking met Frankrijk en Italië. De drie landen waren diep beledigd door het eigengereide optreden van de Britten en wilden ook een eigen atoomwapen. In het diepste geheim sloten de Fransen, Italianen en Duitsers in het voorjaar van 1958 een samenwerkingsverdrag. Helaas voor Strauß kwam op 1 juni 1958 de nieuwe Franse president De Gaulle aan de macht. Hij trok zich direct terug uit het samenwerkingsverband en verordonneerde de bouw van een Franse atoombom.

    Daarmee was de Europese route afgesloten en bleef alleen de Amerikaanse optie over. Strauß en Adenauer drongen er bij de Verenigde Staten in alle toonaarden op aan dat de Bondsrepubliek eigen nucleaire wapens moest hebben. Maar de in januari 1961 aangetreden regering-Kennedy piekerde er niet over om de Duitsers een atoomwapen te geven. Volgens de Amerikanen was er een riskant scenario denkbaar: bij het uitbreken van een volksopstand in de DDR zou de Bondsrepubliek wellicht proberen de Sovjet-Unie nucleair te chanteren om zo de Duitse vereniging af te dwingen. Zij achtten Strauß hier zeker toe in staat.

    Het populaire beeld van Strauß als een nucleaire dolleman is echter te simpel. Strauß en Adenauer zagen al snel dat nucleaire pariteit tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten op afzienbare termijn een feit zou zijn. De ontwikkeling van een Sovjet-waterstofbom en de lancering van de Spoetnik in oktober 1957 toonden dit aan. De Suez-crisis, de Hongaarse Opstand en de Berlijn-crisis stemden niet erg optimistisch over het Amerikaanse gedrag in crisistijd.

    De uiteindelijke oplossing was na alle verhitte fantasieën van Strauß een anticlimax. De Bundeswehr zou worden voorzien van Amerikaanse atoomwapens, maar de beslissingsbevoegdheid over gebruik ervan lag bij de Amerikaanse president. De droom van een eigen Duits nucleair wapen was op niets uitgelopen.

    Nepotisme
    Strauß had een onbedwingbare neiging tot corruptie. Hij beschouwde het publieke ambt als zijn persoonlijk eigendom en deinsde niet terug voor zelfverrijking. Zijn hele leven zou hij in verband worden gebracht met omkooppraktijken, nepotisme en zelfverrijking. Zelfs in de Duitse politiek, waar corruptie een tamelijk alledaags verschijnsel is, liep de geldzucht van Strauß in de gaten.

    Hij rolde van het ene financiële schandaal in het andere. Als minister van Defensie deed hij een aantal zeer omstreden wapenaankopen, zoals die van de Starfighter. In Duitsland stond deze straaljager bekend als de Witwenmacher, met meer dan tweehonderd crashes, waarvan ruim honderd met dodelijke afloop. Het zal niet verbazen dat de naam van Strauß, samen met die van prins Bernhard, opdook in de beruchte affaire rond de firma Lockheed, die begin jaren zestig kwistig met geld had gestrooid om de aanschaf van de Starfighters te promoten.

    De meest extreme vorm van deze vermenging van het persoonlijke en het openbare was wel het Spiegel-schandaal. Het weekblad Der Spiegel voerde een vendetta tegen Strauß en bracht met veel leedvermaak talloze onthullingen over zijn politieke en persoonlijke affaires. Strauß was vastbesloten om wraak te nemen. Zijn wraakexpeditie eindigde in een politiek schandaal zonder weerga, dat een keerpunt vormde in de geschiedenis van de Bondsrepubliek.

    Aanleiding was een tamelijk saai artikel met de titel ‘Bedingt abwehrbereit’, waaruit bleek dat de toestand van de Bundeswehr niet optimaal was. Siegfried Buback, een overijverige officier van justitie (en later slachtoffer van de RAF), vroeg aan het ministerie van Defensie of Der Spiegel zich met het artikel wellicht schuldig had gemaakt aan landverraad. Strauß’ ministerie mocht aantonen dat daar inderdaad sprake van was. Dit buitenkansje liet hij zich niet ontgaan.

    Strauß had twee motieven voor zijn actie. Het eerste was wraak op hoofdredacteur Rudolf Augstein voor de schandalen die Der Spiegel aan het licht had gebracht. Maar er was nog een tweede drijfveer. Na vijf jaar bij Defensie was het tijd voor een nieuwe carrièrestap. Met zijn doortastende optreden wilde Strauß duidelijk maken dat hij de juiste opvolger was voor de hoogbejaarde Adenauer. Als het hem zou lukken om de oppositionele macht van Der Spiegel te breken, zou hij voortaan onaantastbaar zijn.

    Er is veel, lang en hardnekkig gelogen over de ware toedracht rond de Spiegel-affaire. Uit recent onderzoek blijkt dat zowel Strauß als kanselier Adenauer het onderzoek zelf aanstuurde en overal van op de hoogte was. Adenauer gaf Strauß al op 18 oktober, dus tien dagen na de publicatie van het artikel over de Bundeswehr, een blanco volmacht om korte metten te maken met het blad.

    In hun ijver om met Der Spiegel af te rekenen maakten de twee samenzweerders een grote fout. Op de avond van de 26ste oktober viel de politie de redactiekantoren van Der Spiegel binnen. Conrad Ahlers, de auteur van het artikel, was op vakantie in Spanje. Op bevel van Strauß riep de militair attaché van de Duitse ambassade in Madrid de hulp in van de Spaanse politie. Blijkbaar drong het niet tot Strauß door dat het weinig elegant en bovendien onrechtmatig was om een Duitse journalist door de politie van een fascistische dictatuur zonder uitleveringsverdrag van zijn bed te laten lichten.

    Het optreden van Strauß en Adenauer getuigde van zo weinig respect voor de rol van de pers in een democratie dat in het hele land een golf van verontwaardiging opsteeg. De oppositie rook bloed en riep de ministers ter verantwoording. Nadat de ministers van de liberale coalitiepartner hun ontslag hadden ingediend, liet Adenauer Strauß als een baksteen vallen. Strikt genomen werd hij niet uit de regering gezet, maar hij kwam eenvoudigweg niet meer terug in het nieuwe kabinet. Tot een proces tegen Der Spiegel kwam het nooit. De klacht werd ongegrond verklaard. Der Spiegel en de persvrijheid kwamen als morele winnaars uit de bus.

    Strauß’ verdediging in zijn memoires is buitengewoon sneu. Hij legt alle schuld bij anderen; de affaire was te wijten aan een complot tussen officieren uit de Bundeswehr en Der Spiegel, ‘aber auch die Ostblockpropaganda und Teile der Massenmedien’. Zoals gewoonlijk trof hemzelf geen enkele blaam. De affaire vormde een omslag in de Duitse politieke cultuur. De gewoonte uit het Keizerrijk en de Republiek van Weimar om de pers te breidelen en met processen te bedreigen behoorde na 1962 definitief tot het verleden. In zekere zin werd de Bondsrepubliek in 1962 volwassen.

    Ostpolitik
    Voor Strauß was de Spiegel-affaire een ramp, die hij over zichzelf had afgeroepen. Hij wist dat hij voorlopig niet voor het kanselierschap in aanmerking zou komen. De CDU-fractie vertrouwde hem niet meer en zelfs binnen zijn eigen partij waren twijfels te horen over zijn leiderschap. Strauß raakte in een diepe geestelijke crisis. Hij werd tot over zijn oren verliefd op Ulrike Pesch, een beeldschone 17-jarige scholiere uit Keulen. Franz Josef gaf haar een Volkswagentje cadeau voor haar eindexamen. Het was een tweedehandsje, maar Marianne Strauß, moeder van zijn drie kinderen, was woedend en maakte persoonlijk een einde aan de affaire.

    In december 1966 keerde Strauß terug als minister van Financiën in de Grote Coalitie van Kiesinger (CDU) en Brandt (SPD). Maar in de Machtwechsel van 1969 kwam er een einde aan twintig jaar onafgebroken regeren door de christen-democraten: de sociaal-democraten en de liberalen van de FDP namen het roer over en zouden dit tot 1982 niet meer uit handen geven.

    De nieuwe kanselier Willy Brandt bracht in adembenemend tempo een aantal fundamentele veranderingen in de Duitse buitenlandse politiek tot stand. Dit diplomatieke hoogstandje staat bekend als de neue Ostpolitik. De kern van zijn politiek was het sluiten van verdragen met de belangrijkste Oost-Europese landen en het ondertekenen van het Grundlagenvertrag met de DDR. Dit complex van de Ostverträge werd afgerond met een verdrag tussen de vier geallieerden over de status van en toegang tot West-Berlijn.

    Het complete pakket werd in 1972 door de Bundestag geratificeerd. De christen-democraten onthielden zich van stemming. De vervroegde verkiezingen van 19 november 1972 waren feitelijk een referendum over Brandts Ostpolitik. Het werd een historische overwinning voor de coalitie. Voor het eerst in de geschiedenis van de Bondsrepubliek was de SPD groter dan de CDU/CSU-fractie.

    Strauß zelf kwam pas in 1983 tot een nieuw standpunt over de DDR. Als Beiers minister-president kwam hij in contact met de gewiekste Oost-Duitse onderhandelaar Alexander Schalck-Golodkowski. De DDR wilde geld lenen en Strauß zag zijn kans om een eigen Beierse Ostpolitik te voeren. Hij bemiddelde bij een krediet van 3 miljard Duitse mark aan de DDR. In ruil hiervoor zou de DDR de automatische machinegeweren aan de grens demonteren en de reizigers op de Transitstrecke naar Berlijn voortaan wat vriendelijker te woord staan.

    Natuurlijk kwamen er onmiddellijk geruchten op gang dat Strauß en passant zichzelf en zijn vriendenkring had verrijkt. Maar zijn optreden maakte wel duidelijk dat de uitgangspunten van Brandts Ostpolitik inmiddels gemeengoed waren.

    Wienerwald-rede
    Ondertussen was de positie van Strauß zeker niet onomstreden. Typerend voor zijn polariserende aanpak waren de fameuze redevoeringen waarin hij korte metten maakte met politiek vijanden én vrienden. Een retorisch hoogtepunt was de fameuze Wienerwald-rede van 24 november 1976, die zijn naam dankt aan het gelijknamige gebraden-hanenrestaurant van Strauß’ boezemvriend Friedrich Jahn. De rede was een aaneenschakeling van bloemrijke beledigingen: ‘Die politischen Pygmäen der CDU, diese Zwerge im Westentaschformat, diese Reclam-Ausgabe von Politikern.

    Helmut Kohl, zei Strauß bij deze gelegenheid, ‘zal nooit kanselier worden. Hij is totaal incompetent, zijn karakter, zijn intelligentie en zijn beleid schieten volkomen tekort.’ Strauß vergiste zich zelden, maar in het geval van Kohl liet zijn instinct hem wel jammerlijk in de steek. Kohl zou onafgebroken regeren van 1982 tot en met 1998, en daarmee de langst regerende kanselier uit de Duitse geschiedenis worden.

    Ondanks deze interne conflicten kreeg Strauß – inmiddels 65 jaar – in 1980 een laatste kans om een gooi te doen naar het kanselierschap. De SPD was intern verdeeld over de plaatsing van kruisraketten en het economisch beleid van de sociaal-democraat Helmut Schmidt. Strauß boekte echter een mager resultaat – de noordelijke stemmers bleken niet bereid hun stem aan de man uit Beieren te geven. Strauß vertrok voorgoed naar de deelstaat, waar hij tot zijn dood in 1988 minister-president zou zijn.

    In Beieren kwam hij tot rust. Dat zijn tijd voorbij was, werd niet erg subtiel onder woorden gebracht door die andere slagerszoon in de politiek, Joschka Fischer: ‘Strauß is toch al lang een fossiel. Met fossielen ga ik niet in discussie.’

    In 1988 stierf Strauß onverwacht, maar wel in stijl. Op 1 oktober liet hij zich van het Oktoberfest per helikopter naar een adellijke jachtpartij vervoeren. Na aankomst zakte hij bewusteloos in elkaar en raakte in coma. Op 3 oktober overleed hij zonder nog bij kennis te zijn gekomen. Op 7 oktober werd hij te München met koninklijke allure begraven. Vanaf de Odeonsplatz trok een stoet over de monumentale Ludwigstraße door de stad. De Beierse leeuw had in de loop der jaren al wat tanden verloren, maar was nu definitief uitgebruld.

    Zelfvernietiging
    Twintig jaar na zijn dood hangt rond Strauß nog steeds een geur van corruptie en schandalen. Paradoxaal genoeg was zijn grootste bijdrage aan de Duitse politiek zijn eigen ondergang in de Spiegel-affaire, die bevestigde dat regeringsmacht moet wijken voor een grondrecht als vrijheid van de pers.

    Strauß wist in zijn publieke functies bij herhaling geen onderscheid te maken tussen privé- en staatsbelang. Hij omringde zich met mensen van twijfelachtig allooi en was ondanks zijn hoge intelligentie niet opgewassen tegen verleiding en kritiek. Bovendien leek hij te lijden aan een zekere drang tot zelfvernietiging. Zoals Willy Brandt het ooit fijntjes uitdrukte: ‘Hij is weliswaar een van de grootste talenten in de politiek, maar wel iemand die telkens met zijn kont of mond stukmaakt wat hij met zijn handen heeft opgebouwd.’

    Er was nog iets aan de hand. Door zijn Beierse machtsbasis was Strauß een insider en tegelijkertijd een outsider in de West-Duitse politiek. Zijn vrijwel onbetwiste machtspositie in Beieren, gebaseerd op zijn enorme populariteit en zijn netwerk binnen de partij, maakte hem tot een machtig politicus. Binnen zijn eigen CSU-partij kon hij zich elke misstap en uitspatting veroorloven, hij bleef de baas. Voor de CDU was hij bovendien een onmisbare coalitiepartner.

    Maar omdat hij niet over een solide nationale machtsbasis beschikte, zou Strauß nooit het hoogste ambt bereiken. Niet voor niets was zijn lijsttrekkerschap in 1980 een van de dieptepunten in zijn carrière. Anders dan politici van landelijke partijen als Brandt, Schmidt en Kohl kon Strauß nooit écht de sprong van de lokale naar de nationale politiek maken.

    Dit moet hem voortdurend hebben dwarsgezeten. Wellicht vormt het ook een verklaring voor zijn manische gedrag. De beste van de klas was gedoemd om voor altijd de tweede viool te spelen. Dat was een ondraaglijke last, juist voor een hoogbegaafd zwaargewicht als Strauß.

    Met Frits Boterman verzorgde Willem Melching de redactie van het net verschenen Het wonder Bondsrepubliek in 20 portretten (Nieuw Amsterdam)


    Meer informatie

    Boeken
    De meeste biografieën van F.J. Strauß zijn ofwel zeer polemisch, ofwel lijden onder hagiografische dweperij. Slechts een enkel werk kan daarom worden aanbevolen. De beste biografie is van Wolfram Bickerich: Franz Josef Strauß. Die Biographie (1996). Strauß is tijdens het werken aan zijn memoires overleden. Toch zijn ze gepubliceerd onder de titel Die Erinnerungen (1989). Bepaalde episodes zijn weinig uitgewerkt, zoals de Spiegel-affaire. Het is helaas niet duidelijk of dat zijn bedoeling was.

    De Berlijnse historicus Henning Köhler heeft een tweetal voortreffelijke boeken gepubliceerd. In zijn Adenauer-biografie komt ook Strauß geregeld ter sprake: Adenauer. Eine politische Biographie (1994). Ook het beste (Duitstalige) overzicht over de moderne geschiedenis is van zijn hand: Deutschland auf dem Weg zu sich selbst. Eine Jahrhundertgeschichte (2002). Over Beieren in deze jaren is de moeite waard: Mark S. Milosch, Modernizing Bavaria. The Politics of Franz Josef Strauß and the CSU/CSU, 1929-1969 (2006).

    Lees over de positie van de Bondsrepubliek in het bondgenootschap Marc Trachtenbergs A Constructed Peace. The Making of the European Settlement, 1945-1963 (1999) en de bundel onder zijn redactie: Between Empire and Alliance. America and the Cold War (2003), of: John Lewis Gaddis e.a. (red.), Cold War Statesmen Confront the Bomb. Nuclear Diplomacy since 1945 (1999).

    Een klassieke roman over de sfeer in Bonn is van Wolfgang Koeppens, Das Treibhaus uit 1953. Verfilmd en nog steeds in talloze herdrukken verkrijgbaar.


    Internet
    Over alle Duitse geschiedenis is het Duitsland-web de plaats om te beginnen: www.duitslandweb.nl/.

    Het archief van bladen als Der Spiegel en Die Zeit staat compleet online en is behoorlijk (op datum) te doorzoeken: http://wissen.spiegel.de/ en www.zeit.de/2009/index.

    Bovendien is er de Strauß-stichting, met op de website www.fjs.de/ veel beeldmateriaal en cartoons. Zeer vermakelijk zijn de ‘sterke’ uitspraken over én van F.J.S.