Home Een mislukte democratie

Een mislukte democratie

  • Gepubliceerd op: 2 maart 2017
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    James Kennedy
Een mislukte democratie

De eerste jaren dat de Fransen in Nederland de dienst uitmaakten, werd volop geëxperimenteerd met meer democratie. Maar alle pogingen mislukten. Wel legden ze de basis voor de huidige inrichting van ons land.

Na de inval van de Fransen en de vlucht van stadhouder Willem V in 1795 waren de Nederlandse revolutionairen het aanvankelijk zeer met elkaar eens. Ze waren blij om verlost te zijn van het Huis van Oranje. Gevormd door de Verlichting en de ideeën van de Franse Revolutie benadrukten ze gelijkheid voor de wet. Dit werd duidelijk in de eerste verkiezingen waarin vertegenwoordigers werden gekozen voor de Nationale Vergadering, die voor het eerst samenkwam in maart 1796.

Alle mannen boven de twintig jaar hadden stemrecht, tenzij ze afhankelijk waren van de armenzorg of trouw hadden gezworen aan het Huis van Oranje. Religie en afkomst speelden geen rol meer als criterium voor stemrecht, wat resulteerde in een voor die tijd opvallend breed electoraat. Maar er waren ook grenzen. Hoewel vrouwen sinds de omwenteling vaak werden aangesproken als burgeressen, werden ze zonder discussie buitengesloten bij de verkiezingen. In Nederland kwam ook geen vrouwenbeweging van de grond die politieke rechten eiste, zoals in Frankrijk, waar die overigens niet succesvol was.

Maar de democratische effecten waren na de verkiezingen meteen zichtbaar: ruim een kwart van de Nationale Vergadering bestond uit handels- en ambachtsmannen – ongewone beroepen voor parlementsleden. Ongeveer een kwart van de 126 volksvertegenwoordigers was katholiek. Hoewel dit een ondervertegenwoordiging suggereert gezien hun aantallen in de Nederlandse samenleving, was het een radicale wending in hun lot vergeleken met de situatie in de oude Republiek, toen ze van openbare ambten werden uitgesloten. Protestanten met een afwijkende mening, zoals de doopsgezinden en remonstranten, waren zelfs oververtegenwoordigd in de volksvertegenwoordiging. Ook Joden konden verkozen worden in de Nationale Vergadering. Dit was de eerste keer dat dit in Europa werd toegestaan.
 

Napoleon veranderde ons land met een pennenstreek van een republiek in een monarchie

Het nieuwe parlement wijzigde direct een aantal wetten. Zo verloor de gereformeerde kerk haar bevoorrechte positie en werden alle denominaties voor de wet gelijk behandeld. Door een wet uit september 1796 kregen Joden dezelfde rechten als andere burgers in Nederland. De revolutie ontketende een debat over de inrichting van de nieuwe staat. Grote vragen over de vormgeving van de volksvertegenwoordiging en de grondwet werden vol vuur besproken in allerlei nieuwe tijdschriften en kranten, die als paddenstoelen uit de grond schoten. Maar de praktische politiek bleek een teleurstelling. De Nationale Vergadering was diep verdeeld en de kloof bleek onoverbrugbaar.

Een van de weinige volksvertegenwoordigers met politieke talenten en het gezag om de Vergadering te kunnen leiden, de Rotterdamse advocaat Pieter Paulus, stierf helaas vrijwel direct na aanvaarding van het voorzitterschap. Een fractie van de unitaristen of radicalen streefde naar een sterk gecentraliseerde staat, in navolging van de Franse Republiek. Ze stonden tegenover de federalisten, die meer autonomie wilden voor de regio’s van de oude republiek.

Moderaten waren veelal afkomstig van buiten Holland en vormden een derde groep in het parlement. Zij namen een gematigde positie in, maar slaagden er niet in om de groeiende kloof en de politieke impasse te doorbreken. Andere kwesties verbreedden de kloof. Unitaristen vonden dat een sterke staat de wil van het volk moest uitvoeren, terwijl federalisten en moderaten geloofden in gekozen lichamen, die de volkswil op afstand konden houden.

Daarnaast zette de zeer hoge staatsschuld politici onder grote druk. Unitaristen wilden dat de nationale overheid de staatsschuld zou overnemen, terwijl federalisten en moderaten vonden dat die bij de provincies moest blijven. Moderaten en federalisten waren het talrijkst in de Nationale Vergadering, maar alle fracties waren versplinterd en geen ervan had de touwtjes in handen. De resultaten van de grondwettelijke deliberaties werden in januari 1797 gepresenteerd in een concept-‘staatsregeling’ die bekend kwam te staan als ‘het dikke boek’, bestaande uit niet minder dan 918 artikelen.

Dit warrige compromis werd meteen door de kiezers verworpen. Velen uitten hun ongenoegen dat het document niet ver genoeg ging. Er werd een tweede Nationale Vergadering bijeengeroepen om opnieuw vanaf het begin een grondwet op te bouwen, maar in de loop van 1797 werd duidelijk dat ze in een onoplosbare impasse verzeild waren geraakt.
 
Op dit punt besloot een groep radicale unitaristen die impasse te doorbreken om te voorkomen dat de voortgang van de revolutie geblokkeerd werd. Gesteund door de Fransen, die liever een effectieve overheid wensten waarmee ze zaken konden doen, grepen deze radicalen op 22 januari 1798 met een gewapende staatsgreep de macht. Ze arresteerden onmiddellijk 28 moderaten en federalisten. Alle tegenstanders werden afgezet en de overblijvers vormden de Constituerende Vergadering, die de grondwet zonder tegenstand kon goedkeuren. Die grondwet werd vervolgens aan de kiezers voorgelegd.

De uitslag was voorspelbaar, met 154.000 stemmen voor en slechts 11.500 tegen. Maar hierdoor kreeg Nederland wel zijn eerste geschreven grondwet, waardoor het land uiteindelijk zou veranderen in een eenheidsstaat en alle belangrijke besluiten genomen zouden worden door de overheid in Den Haag. Een nationaal belastingstelsel, een nationaal onderwijsstelsel, uniforme wetboeken, de afschaffing van gilden (en daarmee lokale privileges) en de scheiding tussen Kerk en Staat waren nu in de grondwet verankerd.

De samenzweerders die de staatsgreep hadden gepleegd konden snelle en opmerkelijke successen boeken en het land daardoor voorzien van een grondwet. Ze slaagden er ook in om Holland en alle voormalige soevereine staten binnen de Republiek in navolging van Frankrijk te vervangen door departementen en een gecentraliseerde nationale overheid te vormen, die de staatsschuld overnam en de overheidsfinanciën weer stabiliseerde.

Maar in andere aspecten faalde hun beleid. Hun poging om de democratie van zichzelf te redden kwam hun op fikse kritiek te staan, omdat de politieke basis waarop de overheid het land probeerde te regeren te smal geworden was. Het misbruik van publieke ambten door enkele leidende politici gooide ook olie op het vuur.

Om de politieke basis voor de nationale revolutie te verbreden werd een tweede coup gepleegd door generaal Herman Willem Daendels, die ook een van de leidende figuren was achter de eerste staatsgreep in januari. Hij verdreef de impopulaire regering van het Uitvoerend Bewind in juni 1798. De grondwet bleef wel gehandhaafd. Maar de coup van Daendels slaagde er niet in om het vertrouwen van de bevolking in de regering te herstellen. Veel burgers concludeerden dat het experiment in democratische zelfregering had gefaald.
 
Maar het zou nog erger worden. Tussen 1798 en 1815 zou Nederland niet minder dan zeven verschillende grondwetten goedkeuren. Politieke instabiliteit, electoraal trammelant en ondemocratische regeringen zouden het Nederlandse publieke leven nog enige tijd karakteriseren, de idealen van de revolutionairen ten spijt. Al deze factoren zouden leiden tot ontgoocheling en vervreemding van de democratische politiek, die zo enthousiast was omarmd aan het begin van de revolutie.

De grondwet van 1798 was het begin van belangrijke hervormingen, zoals het standaardiseren van belastingen en onderwijs. Maar verschillende hervormingen faalden omdat ze praktisch niet uitvoerbaar waren of op verzet stuitten. De pogingen van de Bataafse Republiek, zoals het land zich nu noemde, om alle kerkgenootschappen gelijk te behandelen konden ook niet geheel werkelijkheid worden.

In tegenstelling tot de antiklerikale Franse revolutionairen konden de Batavieren wel waardering opbrengen voor de waarde van kerken in de samenleving als instellingen die deugdzame burgers konden vormen voor de Republiek. Maar ze wilden af van de voorkeurspositie van de gereformeerde kerk, die volgens hen op gespannen voet stond met zowel de inhoud van de ware religie als het politieke ideaal van gelijkheid. Daarom besloten ze de staatssteun aan deze kerk te verminderen, door niet langer de salarissen van nieuwe predikanten te betalen.

Kerken moesten voortaan hun eigen broek ophouden. Ook mocht beslag gelegd worden op alle kerkelijke bezittingen die voor de Reformatie verkregen waren, die beschouwd konden worden als gemeenschappelijk bezit voor alle inwoners van de burgerlijke gemeente, ongeacht religie. De gemeentelijke overheid mocht besluiten hoe die bezittingen in de toekomst gebruikt zouden worden. In gebieden met veel katholieken werden de kerken door de gemeente al snel weer overgedragen aan de katholieken.

Maar de idealen bleken in veel opzichten te ambitieus. Eigendomsrechten waren complex en bleken soms moeilijk over te dragen. En hoewel veel gereformeerden in theorie geloofden in gelijke behandeling van verschillende religies, bleken ze in de praktijk tegenstander van de nieuwe plannen. Door hun bezwaren werden de plannen uitgesteld. Uiteindelijk zou de verbeterde positie van de katholieken zoveel wrevel veroorzaken onder protestanten dat hun ongenoegen een belangrijke onderstroom werd in de Nederlandse politiek na 1798. De wens om de revolutionaire veranderingen te matigen door ze minder egalitair en democratisch te maken werd steeds sterker in de samenleving.
 
Na de eeuwwisseling werden politieke veranderingen in Nederland direct bepaald door de specifieke politieke en economische behoeften van Napoleon Bonaparte. Onder druk van Napoleon werd er in 1801 een derde coup gepleegd, omdat hij de antirevolutionaire vorstenhuizen van Europa wilde laten zien dat de revolutionaire periode voorbij was en hij bereid was om vrede te sluiten met de oude gevestigde orde. De coupleiders schreven een nieuwe grondwet, die veel minder democratisch was. Het referendum om de grondwet goed te keuren was een schijnvertoning; driekwart van de bijna 70.000 stemmers stemde tegen, maar de nieuwe regering riep de overwinning uit door te claimen dat de 330.000 kiezers die hun stem niet hadden uitgebracht door weg te blijven hun instemming hadden gegeven.

In de grondwet van het nieuwe Bataafse Gemenebest werd meer macht in handen gegeven van een staatsbewind van twaalf personen. Vrijheid van pers en vergadering werd ingeperkt. Niet alleen moderaten, maar ook prinsgezinden kregen de ruimte om deel te nemen aan het publieke leven. Vanuit zijn Duitse woning Oranienstein erkende de oude stadhouder de nieuwe overheid in Den Haag en hij dwong zijn volgers niet langer een eed van trouw aan het Huis van Oranje te zweren.

In ruil hiervoor stond Napoleon toe dat de zoon van de stadhouder het kleine Duitse vorstendom van Nassau-Oranje-Fulda mocht regeren. De veranderingen in 1801 beëindigden dus de ban op prinsgezinden in publieke ambten, waardoor veel oude elites terug konden keren naar gezagsposities. De tijd van democratische experimenten was duidelijk voorbij.

Napoleon had gehoopt dat de reorganisatie van de Nederlandse overheid door nationale verzoening het land geen windeieren zou leggen. Hij wilde dat Nederland opnieuw zou opbloeien en inkomsten genereren om zijn oorlogen mee te kunnen betalen. Maar hij werd teleurgesteld; de financiële situatie van Nederland verslechterde nadat de oorlog in 1803 was hervat.

Hij besloot dat het land een strakkere en effectievere regering nodig had, met een staatshoofd dat beter zou luisteren naar zijn wensen. Zijn keuze viel in 1804 op Rutger Jan Schimmelpenninck, een revolutionair vanuit de moderaten, die Nederland had vertegenwoordigd in Amiens en het vertrouwen van Napoleon had gewonnen toen hij de Nederlandse ambassadeur in Parijs was. Het politieke ideaal van Schimmelpenninck was lang de Verenigde Staten geweest, en hij had zichzelf graag de titel van president gegeven.

Maar Napoleon stond op de titel raadpensionaris, als pretentieuze verwijzing naar de Gouden Eeuw. De kiezers waren minder enthousiast over de vervanging van het staatsbewind door de raadpensionaris, en ook niet over de grondwet die Schimmelpenninck op verzoek van Napoleon opnieuw schreef. Slechts 4 procent van de kiezers bracht een stem uit; de meesten zagen de raadpensionaris slechts als de zaakwaarnemer van Napoleon.
 

80 procent van de Joden werd werkloos, omdat ze niet meer konden handelen

Toch was de kortdurende regering van Schimmelpenninck – slechts dertien maanden (1805-1806) – bijzonder productief. Hij bouwde voort op de hervormingen uit 1798 en wist grote en duurzame verbeteringen aan te brengen op het gebied van onderwijs en financiën. In zijn onderwijsbeleid werd hij bijgestaan door hervormers uit het ‘Nut’, die al lang hadden geijverd voor een nationaal onderwijsstelsel. Dankzij deze samenwerking en het voorwerk dat al tijdens eerdere regeringen was gedaan, werden onderwijshervormingen in Nederland veel sneller gerealiseerd dan in omringende landen. Onder Schimmelpenninck werden de plannen uiteindelijk geïmplementeerd.

De Onderwijswet van 1806 stelde nationale normen vast waaraan het onderwijs moest voldoen, waardoor orde werd geschapen in de lappendeken van publieke en private onderwijsinitiatieven in het land. Het onderwijs moest klassikaal gegeven worden door bevoegde leerkrachten. Religieus onderwijs werd verboden, hoewel veel openbare scholen het religieuze karakter van hun omgeving zouden overnemen. De opdracht aan scholen om ‘maatschappelijke en christelijke’ deugden te onderwijzen op een brede en inclusieve manier zou later veel controverse veroorzaken, omdat interpretaties verschilden. Maar na deze wet zou een nationaal onderwijsstelsel met openbare scholen opstarten.

Dit gold ook voor de belastingen. De radicale unitarist Alexander Gogel was een getalenteerde minister van Financiën, die een nationaal belastingstelsel invoerde, waarmee hij zich de woede van veel provincies op de hals haalde, die tot die tijd lagere belastingen hoefden af te dragen dan de inwoners van Holland. Hij schafte ook de speciale belastingstatus af van geprivilegieerde groepen.

De vorming van een centrale belastingdienst die alle belastingen zou innen bleek de grootste prestatie. Daarnaast werden nieuwe normen voor publieke verantwoording en transparantie vastgesteld; al in 1804 werden voor het eerst wetten afgekondigd waarin corruptie onder ambtenaren strafbaar werd gesteld.

Maar dit alles was niet voldoende voor Napoleon. Gogels belastinghervormingen waren bedoeld om faillissementen van overheden tegen te gaan. Ze zouden de overheid een stabiel belastingstelsel geven dat een halve eeuw zou voortbestaan. Maar op de korte termijn zakte het land toch dieper in de schulden; in 1807 was de staatsschuld een kolossale 225 procent van het nationaal inkomen.
 
Na de dood van de verbannen stadhouder Willem V in het begin van 1806 zag Napoleon kans om Nederland verder in te lijven. Hij veranderde Nederland met een pennenstreek van een republiek in een monarchie, en dat zou permanent zo blijven. De inwoners werden nauwelijks geconsulteerd over deze fundamentele verandering en hadden geen keus. Amsterdam – niet Den Haag – werd de formele hoofdstad van het nieuwe koninkrijk.

Het indrukwekkende stadhuis op de Dam werd nu in bruikleen gegeven aan koning Lodewijk Napoleon, de broer van Napoleon, die er ging wonen. Hij werd nooit formeel gekroond uit angst voor een opstand door de republikeinen (die niet kwam door de nu apathische politieke houding van de bevolking) en zijn legitimiteit als koning van Nederland was dus onzeker. Onder zijn regering werden handhaving en controlemechanismen door politie en geheime dienst sterker.

Ook kwam er een strengere censuur op de pers en moesten inwoners een reispas kunnen tonen. Tegelijkertijd probeerde Lodewijk de harten van zijn onderdanen te winnen. Hij maakte goede sier bij de Nederlanders door rampgebieden persoonlijk te bezoeken; in 1807 bezocht hij Leiden, waar het centrum van de stad was verwoest na de ontploffing van een boot met munitieopslag. En hij inspecteerde het rivierengebied in 1809 toen ijsschotsen dammen hadden opgeworpen in de rivieren, waardoor de doorstroming naar zee werd geblokkeerd en grote gebieden onder water liepen.

Lodewijk deed nog meer. Hij schafte in 1808 de gilden voorgoed af. Als groot voorstander van religieuze gelijkheid gaf hij katholieken in meerdere plaatsen waar ze een grote meerderheid vormden hun middeleeuwse kerken terug, die in protestantse handen waren gekomen. Net als andere vorsten in die tijd vond hij religie noodzakelijk als basis voor een stabiele morele en politieke orde. Daarom vestigde hij in 1808 een ministerie van Eredienst, dat de kerken in het land zou reguleren en financieren. De daaropvolgende zestig jaar zou de overheid de verantwoordelijkheid nemen voor het bouwen van kerken, vooral voor katholieken, die weinig eigen kerkgebouwen bezaten.

Lodewijk wilde ook voorzien in de behoefte van Nederlanders om hun eigen nationale identiteit verder te ontwikkelen. Hij liet onderzoek doen naar regionale klederdrachten, tradities en verhalen. Rond 1800 werd de politieke mythe van de vrijheidslievende Batavieren vervangen door de culturele mythe van de Gouden Eeuw. Verwijzingen naar dit tijdperk in de Nederlandse geschiedenis konden overigens wel het verzet voeden tegen de Franse dominantie. Andere culturele ambities, zoals het standaardiseren van de taal door invoering van de zogeheten spelling-Siegenbeek in 1805, dienden het politieke doel om tot een meer gecentraliseerde overheid te komen.

Nieuwe initiatieven waren ook bedoeld om koning en land dichter bij elkaar te brengen. Als beschermheer van de kunsten en wetenschap richtte Lodewijk koninklijke instituten op die de nationale trots en wetenschappelijke en culturele prestaties zouden moeten opstuwen. Zo ontstonden de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), de Koninklijke Bibliotheek en de Nationale Konst-Gallerij (later het Rijksmuseum).
 

Alle Nederlanders moesten opeens een achternaam hebben

Lodewijk verdedigde Nederlandse rechtspraak en verzette zich tegen de wens van zijn broer om de Code Napoleon in Nederland in te voeren. In plaats daarvan zette hij Nederlandse rechtsgeleerden aan het werk om een eigen wetboek te schrijven. Hoewel het in veel opzichten overeenkwam met de Franse versie, waren er opvallende verschillen, zoals de gelijke rechten van man en vrouw bij een scheiding en de grotere wettelijke bescherming van buitenechtelijke kinderen – waarschijnlijk een indicatie van een iets gelijkwaardiger samenleving.

Omdat Lodewijk de Nederlandse belangen serieus nam, kwam hij al snel in conflict met zijn broer. Zijn weigering om de dienstplicht in te voeren zorgde voor irritatie bij de keizer, die wanhopig op zoek was naar nieuwe soldaten. De Britse invasie van het Zeeuwse eiland Walcheren in 1809 versterkte de twijfels die Napoleon had over de regering van zijn broer. Met 40.000 soldaten was dit de grootste invasie van Britse troepen op het continent, en dus een serieuze bedreiging voor de regering van Napoleon in Europa.

Maar het ging de Britten niet voor de wind. Al vanaf het begin stierven er veel soldaten, van wie slechts honderd in de strijd en vierduizend door malaria opgelopen in de muggenrijke moerassen. Na vier verkwistende maanden zeilden de Britten verslagen weer terug naar hun eigen land. Maar voor Napoleon was het zwakke optreden van Lodewijk tijdens deze invasie zeker niet vertrouwenwekkend.

De meeste serieuze aanklacht van Napoleon tegen Lodewijk was zijn onwil om het zogenoemde continentaal stelsel volgens de regels ten uitvoer te brengen. In november 1806 legde Napoleon deze wet op in alle delen van Europa die onder zijn gezag stonden. Alle handel met zijn aartsvijand Groot-Brittannië werd verboden om zo de economie van dat land te ruïneren. Dit bracht ook de zeehandel van Nederland tot stilstand en leidde tot een zeer ernstige economische depressie, die begon in 1807 en duurde tot de vrede van 1814.

In 1805 hadden nog 2400 koopvaardijschepen de haven van Amsterdam aangedaan; in 1810 waren dat er slechts 210 en bijna geen enkel schip meer het jaar daarop. Ongeveer 80 procent van de Joodse bevolking van Amsterdam werd werkloos, omdat handeldrijven hun voornaamste bron van inkomsten was. Volgens Napoleon was Lodewijk veel te toegeeflijk tegenover smokkelaars en andere schendingen van de handelsblokkade. In 1809 had hij er genoeg van; hij annexeerde de zuidelijke delen van Nederland en een jaar later lijfde hij het hele land in.
 
Annexatie was overigens niet een lot dat alleen de Nederlanders ten deel viel. Tussen 1808 en 1811 breidde Napoleon de grenzen van zijn rijk uit door annexatie van delen van Italië (zelfs de paus verloor zijn pauselijke staten), Spanje, Duitsland en de oostelijke Adriatische kust tot het huidige Montenegro. Zo probeerde hij meer controle te krijgen over belangrijke delen van zijn imperium.

Ondertussen waren de Nederlanders bijna al hun koloniën kwijtgeraakt aan de Britten. Al in 1807 waren de Nederlandse Caribische eilanden in Engelse handen gekomen, nadat hun oorlogsschepen de Nederlandse handel lange tijd hadden verstoord. En ondanks de krachtige militaire en bestuurlijke hervormingen van de onbedwingbare Daendels onderging de belangrijkste kolonie, Java, hetzelfde lot in 1811.

Hoewel de internationale zeehandel werd geblokkeerd, kon Nederland nog een beetje handeldrijven over land met het door Frankrijk gedomineerde Duitsland, waarbij wegen werden verbeterd en de rivieren intensiever voor de handel werden gebruikt. En in 1812 openden de Franse markten zich eindelijk ook weer voor Nederland.

Maar in het eigen land werd het regime onderdrukkend. Wat gevolgen had voor iedereen was de invoering van de Burgerlijke Stand-registratie in de jaren 1811 en 1812, die alle inwoners van het land verplichtte om geboorte, overlijden, huwelijk en scheiding te laten registreren bij de gemeentelijke overheid. Dit is nu een algemeen geaccepteerde praktijk, en was dat toen ook al in Frankrijk, maar veel Nederlanders vonden het ergerlijk dat ze moesten laten registreren waar ze woonden. In het verlengde daarvan behoorden ze allemaal een achternaam te hebben. Hoewel dit in de verstedelijkte en dichtbevolkte westelijke delen van Nederland al vrij normaal was, was het nieuw voor de oostelijke en noordelijke delen. Het zou nog jaren en soms zelfs decennia duren voordat alle Nederlanders de achternaam die ze formeel hadden gekregen in het dagelijks leven zouden gebruiken.

Sommige gevolgen van deze maatregelen waren onmiddellijk merkbaar. Door de registratie kon de dienstplicht eindelijk ingevoerd worden in Nederland, waardoor in sommige plaatsen onrust en soms zelfs rellen ontstonden. Als gevolg van deze dienstplicht moesten in 1812 ongeveer 15.000 soldaten mee met Napoleon in zijn noodlottige veldtocht naar Moskou. Slechts 500 kwamen levend terug.

Al die tijd hielden Franse toezichthouders en de geheime politie de bevolking nauwlettend in de gaten. Ook werd het hele juridische stelsel hervormd volgens Franse normen – een verandering die na het vertrek van Napoleon intact zou blijven. Franse heerschappij bracht daarnaast het metrieke stelsel naar Nederland, hoewel Nederlanders weer een tijdje terugkeerden naar hun eigen gewichtsmaten toen ze af waren van de keizer.

De vijftien jaar na 1798 brachten ongekende veranderingen in Nederland. Een gecentraliseerde overheid met veel macht en invloed regeerde over een volk dat zichzelf steeds meer begon te zien als inwoners van een natiestaat, en niet alleen van hun eigen regio. Maar wat burgerschap in de praktijk betekende was nog onduidelijk; lokale uitingen van burgerschap als de gilden en de schepenbanken waren afgeschaft, zonder dat er iets voor in de plaats kwam. Toen Napoleon aan het einde van 1813 macht verloor, zou de toekomst van deze erfenis snel een urgente nationale kwestie worden.
 

***
 

Dit artikel is een bewerking van een hoofdstuk uit Een beknopte geschiedenis van Nederland van de Amerikaanse-Nederlandse hoogleraar James C. Kennedy (400 p. Prometheus, € 29,99). 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.