• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    Historisch Nieuwsblad 1/2014

    De Russisch-orthodoxe kerk en het ontstaan van Rusland

    De machtige monniken van Rusland

    Door: Maurice Blessing

    De orthodoxe kerk speelde een cruciale rol in de ontstaansgeschiedenis van Rusland. Zonder de inzet van de geestelijkheid had het onaanzienlijke middeleeuwse prinsdom Moskovië nooit kunnen uitgroeien tot het latere machtige Russische Rijk. En de tsaren waren zich daar terdege van bewust.
     

    We schrijven het voor Europese potentaten verontrustende jaar 1573. Aan de Noordzee begint de opstand tegen Filips II handen en voeten te krijgen, en het tsaardom Moskovië kraakt in zijn voegen. Het is een luttele 26 jaar eerder in het leven geroepen door toen nog groothertog Ivan IV van Moskovië. Maar in Rusland is de chaos niet het directe gevolg van de opstandigheid van burgers en edelen, zoals in de Nederlanden.

    De Russische edelen zijn de afgelopen jaren pijnlijk effectief in het gareel gedwongen door de oprichniki: met zwarte pijen uitgedoste leden van een quasireligieuze militie, samengesteld uit een opmerkelijk eensgezind allegaartje van bureaucratische pennenlikkers, professionele beulen en sadistische vechtersbazen. Ze hebben van de tsaar carte blanche gekregen om elke vorm van oppositie tegen zijn bewind de kop in te drukken.

    Dat is wonderwel gelukt. Maar het succes kan de oprichniki niet bevredigen: ze hebben de smaak van terreur en bovenwettelijkheid geproefd, en die is hun uitstekend bevallen. Zeven bijbelse jaren lang trekken de ‘zwarte monniken’ een spoor van gedwongen volksverhuizingen, landonteigeningen en redeloze moord- en folterpartijen, tot in de verste uithoeken van Rusland.

    In hun kielzog volgen dankbaar de oude vijanden van Moskovië: de feitelijk nog heidense Litouwers, de enthousiast-katholieke Polen en de geïslamiseerde Tataarse khans. Moskou zelf wordt in 1571 overvallen, geplunderd en in de as gelegd door de Krim-Tataren.

    Uiteindelijk moet tsaar Ivan IV, die van westerse geschiedschrijvers de bijnaam ‘de Verschrikkelijke’ zal krijgen, zich wel tegen zijn eigen duivelse schepping keren. Maar de eliminatie van de oprichniki kan het lijden van het Russische volk en zijn gedecimeerde aristocratie, de bojaren, niet verzachten.
     
    En wat doet de tsaar of caesar van ‘het derde Rome’, in de wetenschap dat al dit bloed in zijn naam is vergoten? Hij schrijft een berouwvolle brief aan de abt van zijn favoriete klooster, in Beloozero. ‘Ik, een stinkende hond,’ aldus Ivan IV, ‘wie kan ik iets leren, wat kan ik prediken, en waarmee kan ik anderen verlichten?’

    Dat Ivan IV zich gedurende zijn onstuimige carrière ernstig zorgen maakte over zijn zielenheil, daar zijn de toonaangevende historici het wel over eens. Ter onderbouwing wijzen zij onder meer op het feit dat Ivan na 1581, het jaar waarin hij zijn eigen zoon liet ombrengen, een opvallend groot deel van zijn kapitaal in de bouw van nieuwe kloosters stopte. Het zou een duidelijk bewijs zijn van zijn wroeging – of op z’n minst van enig geestelijk ongemak.

    De invloed van de orthodoxe kerk is niet weg te denken uit het leven van Ivan IV. De meest bepalende persoon in zijn jeugd was hoogstwaarschijnlijk de monnik Makarii. Deze hofgeestelijke was niet alleen Ivans meest intieme vertrouwensman, die hem een levenslange liefde voor de verstilde Russische iconografie zou bijbrengen. Hij was als metropoliet van Moskovië ook de machtigste functionaris binnen de Russische kerk. En het was Makarii die Ivan na diens zeventiende verjaardag overhaalde zich te laten kronen tot tsaar of ‘keizer’ van Rusland.
     
    De invloed van de orthodox-christelijke kerk op het Russische hof had ten tijde de regeerperiode van Ivan IV al een lange traditie. Over de details van het ontstaan van het vroege Rusland bestaat onder historici overigens weinig overeenstemming. Het algehele beeld is daarentegen duidelijk: de vroege Russen – wie dat ook precies geweest mogen zijn – waren geobsedeerd door de pracht en praal van Constantinopel.

    Volgens twaalfde-eeuwse Russische kronieken waren de eerste Rus’ (spreek uit: Roes) Vikingen uit Scandinavië die in 859 over de grote rivieren van Noordoost-Europa naar het zuidoosten afzakten. Zij zouden op weg zijn geweest naar de hoofdstad van het Byzantijnse Rijk, voordat ze bleven steken in Slavisch gebied.

    De Rus’ die zich zo in het land van de Slaven vestigden en geleidelijk aan hun taal overnamen, vergaten Constantinopel echter niet. Dat kon ook moeilijk anders, want met grofweg 400.000 inwoners was de Oost-Romeinse hoofdstad in de negende eeuw met afstand de grootste en rijkste stad van Europa en West-Azië.

    Gedurende de negende en tiende eeuw voerden de Russische hoofdmannen of ‘prinsen’, met Kiev aan de Dnjepr als uitvalsbasis, tal van roofaanvallen uit op Byzantijns grondgebied. Soms verschenen de Russische krijgers zelfs voor de muren van Constantinopel. Ze veroverden de stad echter niet, maar sloten wel lucratieve handelsverdragen met de Byzantijnse keizers.
     
    Het was in deze periode van vroege handelscontacten tussen Constantinopel en Kiev dat het christelijke geloof langzaam maar zeker voet aan de grond begon te krijgen in het land van de Rus’. Zo zou de legendarische regentes Olga zich reeds door de patriarch van Constantinopel hebben laten dopen. Zij deelde van 944 tot 963 in Kiev en omstreken de lakens uit in naam van haar minderjarige zoon, prins Syatoslav I.

    Olga, ook bekend onder haar christelijke naam Helena, zou in eerste instantie voor een handelsmissie naar Constantinopel zijn afgereisd. Mogelijk had ze reeds voor haar vertrek het plan opgevat zich te laten kerstenen, met het oog op een bestendiging van de niet altijd even gesmeerd lopende politieke en economische betrekkingen tussen het heidense Kiev en het christelijke Byzantium. In de late Oudheid en vroege Middeleeuwen bekeerden tal van vorsten en stamleiders zich, in navolging van Constantijn de Grote, tot een van de monotheïstische religies.

    Het lijkt erop dat het veelgodendom in deze periode steeds vaker werd beschouwd als een achterhaalde, en dus ‘barbaarse’ religieuze traditie. De keizers en kaliefen van nieuwe machtige, uitgestrekte multi-etnische staten zoals het Byzantijnse Rijk, de Ommajadische en Abbasidische kalifaten en het Karolingische Rijk legitimeerden hun absolute macht door zich te beroepen op de ongelimiteerde autoriteit van één universele God – die geen onderscheid maakte tussen de diverse etnische groepen binnen de vorstelijke domeinen.

    Helaas voor de heilige Helena moest haar übermannelijke zoon Svjatoslav I – die op zijn veldtochten het liefst in de openlucht sliep, met zijn zadel als kussen – niets van het christendom hebben. Of hij had gewoon een tekort aan strategisch inzicht. Maar zijn zoon Vladimir I koos wel voor het christelijk geloof, als eerste prins van het Kievse Rusland.

    Het verhaal dat hierover is opgetekend vormt een heerlijke illustratie van de keuzes waarvoor de vroegmiddeleeuwse vorsten zich gesteld zagen, in theologisch, spiritueel én praktisch opzicht.
     
    De legende gaat als volgt. In het jaar 986 verschijnen de vertegenwoordigers van maar liefst vier verschillende religies voor de imposante deuren van Vladimirs hof. Als eerste arriveert een groepje islamitische Bulgaren. Het vooruitzicht dat ze na hun dood straffeloos ontucht mogen bedrijven met maar liefst zeventig jonge vrouwen wekt Vladimirs warme belangstelling op, maar het absolute verbod op alcohol stuit de Russische vorst tegen de borst. ‘Voor de Russen is het een vreugde te drinken,’ zegt hij. ‘Wij kunnen niet zonder leven.’

    Dan verschijnt een groepje Duitse missionarissen, gestuurd door de paus in Rome. Zodra zij laten vallen dat een volgeling van de paus regelmatig dient te vasten, wordt hun subiet de deur gewezen. Ook de Turkse Joden die zich hierna bij Vladimir aandienen, vangen bot. De Kievse vorst is vooral ontzet over de verdrijving van de Joden uit Israël. ‘Als God van jullie en jullie wet zou houden, dan zouden jullie niet verstrooid zijn over vreemde gebieden. Willen jullie dat ons dat ook overkomt?’

    Tot slot dient zich een ‘Griekse filosoof’ aan, die uitgebreid en geduldig oreert over de finesses van het ware, orthodoxe geloof. Vladimir is diep onder de indruk van het beschaafde voorkomen en de welsprekendheid van de Byzantijn. Maar hij wil pas een beslissing nemen over zijn spirituele oriëntatie nadat enkelen van zijn naaste vertrouwelingen een eredienst in de Hagia Sofia te Constantinopel hebben bijgewoond.

    De gezanten zijn verbijsterd over wat ze daar aantreffen. ‘Wij wisten niet of we in de hemel waren of op aarde,’ berichten ze Vladimir. ‘Wij weten alleen dat God daar bij de mensen verblijft en dat hun eredienst beter is dan in alle andere landen. Wij kunnen die schoonheid niet vergeten.’ Ze hebben hun verslag nog niet beëindigd of Vladimir vraagt hoe en wanneer hij zich kan laten dopen.
     
    Voor alle duidelijkheid: het zou de middeleeuwse Russen danig tekortdoen te veronderstellen dat zij uitsluitend geïnteresseerd waren in de uiterlijkheden van de orthodoxe eredienst of de macht en rijkdom van het Byzantijnse hof. De christelijk-Byzantijnse beschaving zou de Russische cultuur diepgaand beïnvloeden. De opvolgers van Vladimir hebben niet nagelaten de christelijk-Russische kunst te stimuleren.

    Literatuur, architectuur, de liturgieën en rituelen van de (latere) Russisch-orthodoxe kerk: ze dragen het onmiskenbare stempel van hun Byzantijnse voorgangers, maar het zijn zeker geen zielloze imitaties. De sprookjesachtige Basilius-kathedraal die Ivan IV aan het Rode Plein in Moskou heeft laten optrekken, de sereniteit van de iconen van Andrej Roebljov (1360-1430) en zijn navolgers: ze geven nog altijd uitdrukking aan de vitaliteit en het zelfbewustzijn van de laatmiddeleeuwse Russische cultuur.

    Maar er gingen wel enkele eeuwen overheen voordat de Russisch-orthodoxe cultuur haar zelfbewuste eigenheid vond. Zoals het ook eeuwen zou duren voordat de relatie tussen de Russische staat en de orthodoxe kerk zou uitkristalliseren. Het huwelijk was gesloten op initiatief van de staat, en die zou nog lange tijd de bovenliggende partij vormen.

    De vooralsnog bijna uitsluitend Griekse metropolieten – hoofden van de Russische kerkprovincie – hadden het maar te accepteren wanneer prinsen hun bisschopsbenoemingen ongedaan maakten en hun eigen kandidaten naar voren schoven. En de twaalfde-eeuwse bisschop die een prins durfde te bekritiseren omdat hij het vasten tijdens de christelijke feestdagen had verzaakt, werd zonder pardon uit zijn ambt ontheven.
     
    Maar het elfde-eeuwse Holen-klooster van Kiev ontwikkelde zich tot luis in de pels van Russische prinsen en metropolieten. De monniken en abten van dit nog altijd bestaande klooster waren geen wereldvreemde kluizenaars. Zij waren veelal afkomstig uit machtige bojarenfamilies, en voor die tijd bijzonder hoog opgeleid. Het waren de Russische kloosters die fungeerden als centra voor cultuur en wetenschap, niet de prinselijke hoven. Aan de hoven was geletterdheid eerder uitzondering dan regel, en was discipline een vies woord.

    In vooraanstaande kloosters werd bovendien op het scherpst van de snede politiek bedreven. Prinsen kwamen er hun vetes uitvechten en abten intervenieerden bij dreigende burgeroorlogen. Voor hun onontbeerlijke diensten als bemiddelaars werden de abten rijkelijk beloond, in klinkende munt of in natura. Schenkingen bestonden doorgaans uit landgoederen, inclusief dorpen vol lijfeigenen, die zo onder direct bestuur van de kerk kwamen te staan. De invloed van de kloosters op de Russische bevolking nam bovendien toe naarmate de monniken zich meer op sociale taken toelegden, met name op de armen- en ziekenzorg.

    Maar boven alles bezaten de kloosters de sleutel tot wat wellicht het belangrijkste machtsmiddel van de staat was: de rechtspraak. De bisschoppen en de metropoliet stonden aan het hoofd van de kerkelijke rechtbanken, die de meeste voor burgers relevante zaken behandelden, vooral op het gebied van familie- en strafrecht. En de monniken beheerden de overgenomen Byzantijnse rechtstraditie en vertaalden die naar de Russische situatie.

    Zo kregen zij relatief vroeg invloed op de Russische publieke moraal – waarmee overigens niet gezegd is dat die invloed absoluut was. Verre van dat, zoals de ontwikkeling van steeds weer nieuwe wetten tegen ernstige overtredingen als incest, overspel, magie, lijkenroof of seks met Joden of moslims overtuigend aantoont.
     
    De macht van de Russische kerk nam nog verder toe na de verovering van Rusland door de Tataars-Mongoolse legers van Djengis Khans kleinzoon Khan Baty, tussen 1237 en 1240. De animistische Tataarse khans, die later de islam zouden omarmen, versplinterden de Russische staat, maar lieten opmerkelijk genoeg haar kerkelijke instituties intact.

    De tot vazallen van de khans gedegradeerde prinsen in het noorden, die elkaar de volgende eeuwen de erfenis van Kiev zouden betwisten, beconcurreerden elkaar hevig om invloed bij zowel de Tataren als de kerk. Dat waren de autoriteiten die ertoe deden, en die met hun gunsten individuele prinsdommen boven zichzelf konden laten uitstijgen.

    De prinsen die uiteindelijk kwamen bovendrijven, van het ooit zo onbeduidende Moskovië, waren exceptioneel bedreven in het lijmen van zowel khans als metropolieten. Ze bezochten de khans regelmatig, waarbij ze hun zonen als gijzelaars achterlieten. Daarnaast droegen ze tijdig schattingen en belastingen af, en zorgden ze dat de lofprijzing van de khan een vast onderdeel werd van de liturgie in de Moskovische kerken. De khan waardeerde Moskovië dan ook op van prinsdom tot het veel prestigieuzere ‘groothertogdom’.

    Ten slotte spanden de Moskoviërs zich in om de metropoliet van de Russische kerk naar Moskovië te halen. Dat zou een gigantische symbolische overwinning zijn, en een erkenning van de vooraanstaande positie die Moskovië ambieerde. De prinsen spaarden daarom kosten noch moeiten om de verhuizing te bewerkstelligen. Daartoe moest niet alleen de vigerende metropoliet worden bewerkt, maar ook de patriarch in Constantinopel die deze functionaris formeel aanwees.

    Zo doneerden de grootvorsten in 1346 grote sommen geld voor de restauratie van de ingestorte koepel van de Hagia Sofia, en spekten ze de machtige abten van Athos. Zo lukte het de Moskovische vorsten uiteindelijk hun minder daadkrachtige concurrenten af te troeven. Halverwege de vijftiende eeuw, enkele jaren voor de definitieve val van Constantinopel, stelde grootvorst Vasilii II eigenhandig de ‘metropoliet van heel Rusland’ aan. Zelf noemde hij zich vanaf die tijd ‘soeverein over heel Rusland’.
     
    Dit nieuwe ‘Moskovische’ Rusland, dat zich langzaamaan machtig genoeg voelt om ‘het Tataarse juk’ te kunnen afwerpen, was een absolute autocratie waarin Kerk en Staat meestal twee handen op één buik vormden. Priesters en bisschoppen predikten er vol overgave de christelijke plicht van absolute gehoorzaamheid aan zowel metropoliet als grootvorst. Opvallend was daarbij dat de politieke machtsuitbreiding van Moskou in (vooral) noordoostelijke richting het spoor volgde van de kloosters die zich daar eerder als koloniserende pioniersgemeenschappen hadden gevestigd. Tegelijkertijd zetten de prinsen handig de kloosters rondom Moskou in als militaire steunpunten in geval van een invasie of binnenlandse opstand.

    In 1480 kondigde grootvorst Ivan III aan dat hij niet langer tribuut zou betalen aan de inmiddels sterk verzwakte khans. Ivan nam ook de tweekoppige adelaar over als nationaal symbool van het in 1453 door de Turken omvergelopen Byzantijnse Rijk. ‘U bent de enige keizer voor christenen waar ook ter wereld,’ schreef de monnik Filofei van Pskov in 1520, in een beroemd geworden brief aan Ivans zoon en opvolger Vasilii III. ‘Twee Romes zijn gevallen, het derde houdt stand. Een vierde zal niet verschijnen.’

    In 1552 bracht Vasilii’s zoon Ivan IV de Tataarse khans de genadeslag toe. Ter ere van deze overwinning liet Ivan de beroemde Basilius-kathedraal optrekken, aan het huidige Rode Plein. Die zal de bewoners van het Kremlin voor altijd herinneren aan de onmisbare rol die metropolieten en monniken hebben gespeeld in de vorming van het Russische Rijk.
     
    Meer lezen
     
    A History of the Russian Church to 1448 van Oxford-slavist John Fennell (1995) is nog altijd een uitstekende inleiding in de (vroege) kerkgeschiedenis van Rusland. Een vergelijkbaar overzicht in het Nederlands, waarin ook de periode na 1448 wordt behandeld, staat in Diarmaid MacCullochs meer dan verteerbare boek De geschiedenis van het christendom (2009).

    Voor bovenstaande weergave van de legende rondom Vladimirs bekering is dankbaar gebruikgemaakt van een vertaling van de oudste teksten door Wil van den Bercken in De mythe van het Oosten. Oost en West in de religieuze ideeëngeschiedenis van Rusland (1998).

    Wie meer wil weten over de belangrijke rol die kloosters speelden in de Russische staatsvorming, kan het best terecht bij Saint Sergius of Radonezh. His Trinity Monastery, and the Formation of the Russian Identity van David B. Miller (2010). De belangrijkste biografie van Ivan IV is van Isabel de Madariaga en – uiteraard – getiteld Ivan the Terrible (2005).

    Wilt u meer geschiedenisverhalen lezen?

    Ontdek de duizenden verhalen die we voor onze abonnees beschikbaar stellen, lees de nieuwste artikelen uit Historisch Nieuwsblad en ontvang iedere week leestips van de redactie in uw mailbox. Met Historisch Nieuwsblad Online krijgt u altijd de juiste historische context om het nieuws van nu te begrijpen.
    Registreer nu en lees de eerste maand voor slechts 1 euro!

    Al abonnee? Log dan in en lees direct alle geschiedenisverhalen online. Heeft u nog geen account of is uw emailadres niet bij ons geregistreerd? Lees dan hier hoe u verder kunt lezen.

    Word lidInloggen