• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 9/2012

    De Republiek maakte het nieuws

    Door: Luc Panhuysen

    De Nederlandse Republiek vervulde een pioniersrol in de ontwikkeling naar moderne media. Aan het begin van de Gouden Eeuw, ergens tussen de kaden van de Amsterdamse haven en de Beurs, werd de krant geboren: een dichtbedrukt stuk papier met nieuws uit alle windrichtingen.

    In de snikhete zomer van 1604 bevond Broer Jansz zich in het leger van prins Maurits, dat de vesting Sluis belegerde in Zeeuws-Vlaanderen. Jansz was een ambitieuze jongeman van 24 lentes uit Amsterdam, met een wervelende toekomst in de nieuwsvoorziening van de Republiek. Zover was het nog niet; hij had nog veel te leren. Maar uit zijn boekje over het beleg van Sluis, zijn vroegst bekende geschrift, wordt duidelijk dat hij gevoel had voor journalistiek.

    Over het beleg van Sluis, meende hij in het voorwoord van het boekje, waren ‘verscheyden leugentydinghen’ in de wereld geholpen. Dat kwam ongetwijfeld doordat men niet ter plekke was geweest. Hijzelf, verzekerde hij, pakte het anders aan: ‘want ick de meeste tijt van den Somer tot het overgaen van Sluys selver daer geweest ben.’ Om dicht bij de bron te komen was Jansz oorlogscorrespondent geworden. Als journalist wist hij dat zijn standplaats bepalend was voor de kwaliteit van zijn berichtgeving.

    Vesting Sluis was omgeven door een gordel van kleinere schansen, die door het Nederlandse leger een voor een moesten worden overmeesterd. Het verloop was telkens hetzelfde: eerst kanonnades, daarna een stormloop, en vervolgens stuurde Maurits zijn trompetter Hans naar de poort om de eisen tot overgave bekend te maken.

    Toen de trompetter voor de schans IJzendijke zijn instrument aan de mond zette, weerklonk als antwoord een musketschot. Maurits – en Broer Jansz niet minder – was woedend over deze lafhartige moord. Als de schuldige niet werd uitgeleverd, dreigde de prins, was er voor het Spaanse garnizoen geen genade. Ook nadat de man was overgedragen gunde Maurits de Spanjaarden geen eervolle aftocht; de zeshonderd man mochten de schans verlaten, echter niet met rokende lonten, vliegende vaandels en tromgeroffel.

    Terwijl de vijand zwijgend langs de te paard gezeten overwinnaar sjokte, tekende Broer Jansz uit diens mond een sarcastisch grapje op over de vernederende voorwaarden. Maurits sneerde tegen de tamboers, zeulend met hun slaginstrumenten, dat zij hem wel dankbaar mochten zijn nu ‘sy de trommel niet behoefden te slaan in dit hete weder’.

    Broer Jansz verstond zijn vak. Hij wist dat zijn patriottische lezers net zo verbolgen waren over de dood van een trompetter. De opmerking van de prins duwde de eerloos verslagen vijand namens hen allen nog wat dieper in het stof. Tegelijkertijd bewees hij door dergelijke details ter plekke te zijn en benadrukte daarmee zijn geloofwaardigheid.

    Verder kon zelfs deze kundige journalist nauwelijks verhullen dat een beleg een even tijdrovende als eentonige onderneming was. Maar dat deed er niet toe. Waar het om ging was dat dit beleg de werkelijkheid was van een land in oorlog. Het Journael ofte Dagh-register vant’t Principaelste in Vlaenderen geschiet etc. vertelde zijn publiek in 22 bladzijden precies wat het weten wilde: er wordt hard en kundig geknokt aan de buitengrenzen, de vijand heeft het nakijken en u, beste lezer, kunt gerust zijn.

    Jansz stond pas aan het begin van zijn loopbaan. Twintig jaar later zou hij een van de courantiers worden die van de Nederlandse Republiek in Europa de bakermat maakten van de regelmatig verschijnende, internationaal georiënteerde nieuwsvoorziening, die de directe voorloper was van onze krant.

    Hij kon daarvoor gebruikmaken van unieke omstandigheden rond het breukvlak van de zestiende en de zeventiende eeuw. Ondernemende types als hij, met een scherpe neus voor nieuws en geld, ontketenden een revolutie in het verzamelen en vooral het vermenigvuldigen en verspreiden van informatie, waardoor de Republiek in de zeventiende eeuw het best geïnformeerde land ter wereld werd.

    Kranten, of ‘couranten’, bestonden al in de zestiende eeuw en daarvoor. Het woord was afgeleid van het Franse woord voor ‘lopen’ (courir). Couranten werden met de hand geschreven door lieden die informatie verzamelden voor speciale klanten. Zulke nieuwsagenten leverden op regelmatige basis en moesten beschikken over een leesbaar handschrift. Als ze veel klanten hadden, konden ze klerken inhuren om kopieën af te schrijven.

    Vaak hadden ze kooplieden als klant. Voordat een koopman een schip uitreedde, wilde hij graag weten hoe de vlag erbij hing op de Middellandse Zee, in het Baltische gebied of waar dan ook langs de gevaarvolle handelslijnen. Ook regeringen van landen en van steden aasden op informatie, nodig om hun politiek erop af te kunnen stemmen. Grote en kleine handelshuizen, diplomaten en regeringsinstellingen stonden daarom in doorlopend contact met nieuwsagenten.

    Hendrik van Bilderbeek en zijn zoon Hendrik, beiden Nederlanders, waren grootleveranciers van dit soort nieuwsbrieven. Hendrik senior noemde zichzelf tegenover een klant een ‘arme, schamele, gerefugieerde patriot’, maar het feit dat hij zijn zoon in Heidelberg een rechtenstudie kon laten volgen doet vermoeden dat het wel meeviel met dat aandoenlijke beeld.

    De Advisen uut Italien ende Duytslandt van vader en zoon waren aan het einde van de zestiende eeuw in trek bij Nederlandse overheden. De Staten-Generaal, de grootste vergadering van de Republiek, was vanaf 1591 abonnee en zou dat bijna zestig jaar blijven; de Generaliteits Rekenkamer zo’n dertig jaar, de regeringen van Leiden en Den Haag bijna twintig jaar, de Staten van Utrecht ruim tien jaar. Kopieën van de Bilderbeekse nieuwsbrieven zijn gevonden in meer dan tien plaatsen in Nederland, maar ook in Zweden, Marburg (Duitsland) en Frankrijk, alsmede in de papieren van prins Maurits.

    Met Keulen als standplaats zat hun nieuwsbedrijf als een spin in een weids en voedzaam web. De bisschopsstad Keulen, aan de verkeersader de Rijn gelegen en ook een belangrijke bestemming van veel postverkeer, was een stapelplaats van internationale berichten. Postboden met brieven uit Dantzig en Hamburg, en epistels uit Moskou die over Krakau waren gekomen, berichten uit Hongarije via Wenen, uit de grote handelsstad Frankfurt am Main, post uit Praag, maar natuurlijk ook uit nabijer gelegen oorden als München en Erfurt kwamen hier bij elkaar.

    Wat Keulen extra interessant maakte was de verbinding met Venetië en Rome. Rome dekte het hele Italiaanse nieuws; uit de dogestad kwam de belangrijkste informatie uit Constantinopel, zetel van de Turkse sultan. Al deze brievenstromen kwamen samen in een aantal kantoren, waar onscrupuleuze postmeesters de hand lichtten met het briefgeheim. Ze smolten de was boven een vlammetje, openden de envelop en sloten die na lezing weer keurig. In Duitsland ontpopte menige postmeester zich tot persbureau.

    De Bilderbeeken waren geen postmeesters; zij moesten netwerken om aan hun informatie te komen. Vanzelfsprekend cultiveerden ze de omgang met postmeesters, met wie ze nieuwtjes ruilden. Daarnaast groeven ze zich naar binnen in de kennissenkring van de Keulse burgemeesters, die tot de best geïnformeerde bestuurders van het noordelijk halfrond behoorden. Ze bezochten de haven, struinden de kaden af en frequenteerden bepaalde taveernes om kooplieden aan te spreken.

    Soms ging Bilderbeek junior praten met vluchtelingen wier dorp door Zweedse soldaten was verwoest of met marskramers die een lange reis achter de rug hadden. Informanten kwamen en gingen, zoals een oude soldaat in het leger van prins Maurits, die sneuvelde tijdens het beleg van Sluis. Maar de basis van de Bilderbeekse nieuwsbrieven werd geleverd door hun eigen agenten, die wekelijks hun nieuwsbrieven stuurden uit de belangrijke steden in vooral Italië en Duitsland.

    Bilderbeek senior stierf in 1608, op het hoogtepunt van zijn handel. Zijn zoon heeft de tijden geleidelijk zien verslechteren. In de eerste decennia van de zeventiende eeuw namen de klanten nog gewoon jaarlijkse abonnementen op zijn Advisen. Daarna kwam er geleidelijk de klad in. Bilderbeek junior moest toezien dat zijn handgeschreven couranten langzaam maar zeker werden verdrongen door een nieuw verschijnsel: de gedrukte krant.

    De producenten van deze gedrukte kranten volgden voor hun nieuwsgaring dezelfde methoden als de Bilderbeeken, maar een paar dingen waren fundamenteel veranderd. De gedrukte nieuwsbrieven hadden dankzij hun machinale productiewijze een prijsvoordeel. Bovendien hadden ze een andere standplaats. Het drukkersgilde in Keulen was niet zo geavanceerd; in elk geval kwam Bilderbeek niet op het idee zijn nieuwsbrieven te laten drukken.

    Aanvankelijk namen abonnees van zijn Advisen nog gewoon af naast de gedrukte couranten. De Staten-Generaal, de provinciale staten en de stedelijke regeerders lieten hun klerken Bilderbeeks berichten vermenigvuldigen voor distributie onder hun leden; van de gedrukte couranten bestelden ze direct in één keer een pakket van verscheidene exemplaren. Maar gaandeweg haakte de ene na de andere abonnee af en gaf men de voorkeur aan de handzamere en minder bewerkelijke bedrukte bladen. De machinaal geproduceerde media begonnen de handmatige uit de markt te dringen. Bilderbeek zou het afleggen tegen Jansz.

    Deze ontwikkeling hield verband met een eerdere, nogal bloedige fase van de strijd tegen Spanje, die Broer Jansz waarschijnlijk heel wat minder graag had willen bijwonen dan het tamelijk tamme beleg van Sluis. In deze fase hadden de Spanjaarden alle Zuidelijke Nederlanden op de opstandelingen veroverd – een Reconquista die in 1585 had geculmineerd in de val van Antwerpen, de grootste havenstad van noordwestelijk Europa.

    Antwerpen was nog korte tijd hoofdstad van de Opstand geweest, maar na de Spaanse verovering moesten alle protestanten en nieuwlichters vertrekken. De Nederlandse opstandelingen sloten daarop de Schelde af, waardoor de havenstad niet meer bereikbaar was voor het handelsverkeer over zee.

    Al deze gebeurtenissen hadden plaatsgevonden toen Broer Jansz nog een peuter was, maar ze zouden hem op rijpe leeftijd de ideale situatie opleveren om zowel op grote schaal informatie te winnen als te distribueren. De Europese nieuwsstromen begonnen te verschuiven, zochten nieuwe punten om samen te komen en deden dat uiteindelijk in een stad waar toevallig een ongeëvenaard aantal drukkers en boekverkopers gereedstond: Amsterdam.

    Voor veel tijdgenoten was het na de val van Antwerpen spoedig duidelijk dat de handelsmetropool zijn beste tijd achter zich had: van circa 100.000 inwoners kromp de stad in korte tijd tot een middelgrote plaats van 45.000. Wat minder snel tot de tijdgenoten doordrong waren de gevolgen voor de Nederlanden boven de grote rivieren.

    Natuurlijk hoorden inwoners van tal van steden in de Noordelijke Nederlanden ineens overal ‘kromspraeck’ bezigen: Frans, Vlaams en Brabants in alle toonaarden. Pas in de loop van de jaren twintig werd de reusachtige omvang van de migratie duidelijk. De bevolking van Haarlem en van Middelburg was met de helft toegenomen; die van Leiden met tweederde.
    Hoewel Amsterdam naar schatting ‘slechts’ zo’n 35.000 nieuwkomelingen absorbeerde, vond er naast bevolkingstoename nog iets anders plaats. De Amsterdamse handel veranderde dramatisch. Door de komst van tal van gefortuneerde en wereldkundige inwoners uit Antwerpen, Brugge, Gent en andere Vlaamse en Brabantse steden kreeg de koopmansstad er ineens volkomen nieuwe ondernemingen – en nieuwe handelsbestemmingen – bij.

    In korte tijd wierpen Amsterdamse kooplieden het net van hun handelsbetrekkingen verder uit dan ze ooit hadden gedaan: voorbij Dantzig en de vertrouwde Baltische regio naar Moskou en Archangelsk, en dankzij de explosieve groei van de handel op Italië en het Turkse Rijk ook over de hele Middellandse Zee. De oprichting in 1602 van de eveneens met veel Zuid-Nederlands geld gefinancierde Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), waardoor het aanbod van producten de driehonderd verre overschreed, maakte van de stad het marktplein van Europa.

    Je hoorde er niet alleen kromspraak, maar ook mediterraans staccato en Arabische keelklanken. Op straat zag je bontmutsen, flapmutsen, tulbanden. Jan Hermansz Krul dichtte in 1636 over de uitwisseling van geld, goed en informatie in de Amsterdamse Beurs: ‘Duysent zielen méér bijeen/ groote, kleyne, laeghe, hooge/ mannen van een groot vermoghe/ schipper, coopman en factoor/ van den Rus en van de Moor/ Schots en Enghels, Spanjaert, Fransse…’

    De gevolgen voor de informatievoorziening waren ernaar. Het nieuws dat Nederlandse kooplui mee naar huis namen kreeg aanvulling van de berichten die buitenlanders meebrachten. Amsterdam was een plek geworden met een horizon van 360 graden. Een nieuwsjager hoefde zich niet langer in Keulen op te houden. ‘Ja hier erfähret man den zustand aller königreiche und länder der gantzen welt,’ schreef een Duitser enthousiast over Amsterdam.

    Niet alleen de hoeveelheid informatie nam in Amsterdam een hoge vlucht, achter de toegenomen kennis van de wereld daagde ook nog iets anders: het inzicht dat er oneindig veel meer te weten viel. Een geïnformeerd mens erkent immers dat de werkelijkheid niet statisch is, maar dat die voortdurend verrassingen in petto heeft. Een geïnformeerd mens weet eveneens dat die verrassingen hem beïnvloeden. Nergens was de nieuwshonger groter dan op het kruispunt van nieuwsstromen.

    Broer Jansz was tegen deze tijd al een poos bezig met het uitgeven van zijn krant Tijdinghen uyt verscheyde Quartieren. Hij pronkte graag met zijn verleden als oorlogscorrespondent, reden waarom hij zich ‘out courantier in ’t Leger van Syn Pr. Excell’ noemde. Maar hij had de veranderingen begrepen.

    Het leger was niet langer de centrale nieuwsbron, en al helemaal niet na ingang van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), dat de vijandelijkheden met de Spanjaarden opschortte. De Republiek was veilig, de feiten vielen niet meer op te tekenen aan de buitengrenzen. Daarom had Jansz zijn winkel midden in het kakofonische openbare domein van de wereldstad aan de Amstel, op een steenworp afstand van de Beurs.

    In zo’n vruchtbaar klimaat kon hij moeilijk de enige courantier zijn. Een zekere Joris Veselaar maakte de Courante uyt Italien, Duytslandt, &c. Veselaar had net als Jansz zijn standplaats en verkooppunt goed gekozen: tegenover het Beursgebouw. Historici vermoeden dat Veselaar in 1618 de eerste Nederlandse gedrukte krant het licht liet zien, en daarmee de eerste ter wereld; Jansz was in 1619 een goede tweede.

    Jansz en Veselaar begonnen beiden met een eenzijdig bedrukt en wekelijks te verschijnen vel, maar gingen al in 1620 over tot een dubbelzijdige uitgave. Het waarom hiervan is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk speelde het toegenomen nieuwsaanbod een hoofdrol.

    Weliswaar was de oorlog met de Spanjaarden door het Twaalfjarige Bestand een stille fase in gegaan, maar in het nabije Duitsland was een grote godsdienstoorlog uitgebroken, waarin katholieken en protestanten elkaar op leven en dood bestreden. Half Europa was bij dit verwoestende conflict – de Dertigjarige Oorlog – betrokken, waardoor het centrum van Amsterdam automatisch veranderde in een veilinghal voor oorlogsnieuws.

    In het midden van de zeventiende eeuw bevonden zich alleen al in Amsterdam negentig drukkerijen. De snelheid waarmee kon worden gezet, gedrukt en uitgevent was groot – een dag nadat de laatste informatie bij de courantier was binnengekomen lag zijn nieuwsbrief al in de winkel. Door het grote aantal drukkers gingen de kosten omlaag, en daarmee ook de prijs. Met een oplage van hooguit 500 exemplaren was de krant nog geen medium voor het massapubliek. De distributie beperkte zich waarschijnlijk tot hooguit een paar winkels in dezelfde stad.

    Maar het was een groeimarkt. De toevloed van berichten, en de invloed van de Dertigjarige Oorlog in het aanpalende Duitse Rijk, gaf voedsel aan steeds weer nieuwe kranten, zoals de Euroopse Donderdaegs Courant, waarin vrijwel alleen nog maar buitenlands nieuws voorkwam. Meer kranten volgden.

    Veel verschil tussen de kranten was er niet. In alle berichtgeving lag de nadruk op de handelingen van gekroonde hoofden, geboorten van prinsjes, ondertekening van verdragen, aankomst en vertrek van ambassadeurs, overlast van Algerijnse zeerovers, beraadslagingen van talmende vergaderingen, de bewegingen van en botsingen tussen legereenheden.
    Soms sprong er een bericht uit. Broer Jansz mocht graag de monotonie van het wereldgebeuren onderbreken met een vreemd verhaal of een wonderlijke geschiedenis. Er was een kalf met acht poten geboren, of zeelieden hadden een monster met een menselijk gezicht en een kroon uit de golven zien oprijzen. Zijn correspondent uit Kopenhagen rapporteerde ‘dat een jongh ongeboren Kint in Moeders Lichaem geschreyt ende ghesproken hadde, oock noch eenige wonder-teeckenen verthoont zijn’.

    Rond het midden van de zeventiende eeuw waren kranten een niet meer weg te denken verschijnsel in de Nederlandse Republiek. Amsterdam had inmiddels zo’n tien verschillende uitgaven langs zien komen, met Broer Jansz als een van de weinige volhouders. Ook in andere steden waren courantiers opgestaan. In Delft verscheen vanaf 1623 een periodiek met Nederlands en buitenlands nieuws, dat zeker tot 1630 heeft bestaan. In Arnhem werd tussen 1621 en 1636 wekelijks een tweezijdig kleinood van 15 bij 25 centimeter gedrukt, hoofdzakelijk met nieuws uit Keulen. In de tweede helft zouden meer steden volgen, zoals Utrecht en Den Haag.

    Een gulzig nieuwsconsument was de dichter, toneelschrijver en auteur van de Nederlandsche Historiën Pieter Cornelisz Hooft. Als zoon van een Amsterdamse burgemeester, wiens broer bovendien ooit de eerste steen van de Amsterdamse Beurs had mogen leggen, was nieuwshonger bij hem een familietrek. Hooft las zowel gedrukte kranten als handgeschreven berichten en was dus uitstekend geïnformeerd. Hij kreeg veel aanloop, die, zo bekende een bezoeker, werd aangetrokken ‘door de smaak der tijdingen’.

    Hooft kon zijn vrienden dan ook nauwelijks een groter plezier doen dan door voor te lezen uit zijn meest recente nieuwsbrieven en couranten. Het liefst had hij de geschreven nieuwsbrieven zoals van Bilderbeek; die vond hij geloofwaardiger. En als hij moest kiezen tussen de twee Amsterdamse pioniers, dan had hij liever ‘de loopmaren van Vezelaar, die zinniger zijn dan die van Broer Jansz’.

    Hooft was duidelijk van de oude stempel. De handgeschreven kranten hadden hun langste tijd gehad, de minder ‘zinnige’ loopmaren van Broer Jansz hadden het tij mee. Broer Jansz werd zelfs de stamvader van de eerste Nederlandse courantiersdynastie. Zijn zoon Joost Broersz begon de Ordinaris Dingsdaegchse Courante, die eenmaal in de week uitkwam. Hij bracht eveneens een Franstalige versie van zijn vaders Tijdinghen uit.

    Schoonzoon Jan Jacobsz Bouman, getrouwd met Jansz’ dochter Aeltje, gaf de Europische tijdingen uyt verscheyden Quartieren uit. Dit blad was met twee verschijningsdagen per week een ingrijpende vernieuwing. Het wees vooruit naar de toekomst, naar een onverzadigbaar publiek dat weet dat de wereld altijd verandert en dat nieuws is verouderd zodra het is gedrukt.

    Meer weten
    De meest gezaghebbende literatuur over dit onderwerp is bijna een eeuw oud. Met betrekking tot de overgang van geschreven nieuwsbrieven naar gedrukte kranten schreef Annie Stolp in 1938 De eerste couranten in Holland. Een jaar later publiceerde Folke Dahl over de eerste gedrukte kranten in de Republiek: ‘Amsterdam, earliest newspaper centre of western Europe. New contributions to the history of the First Dutch and French Corantos’, in Het Boek 25 (1939). Dahl was de ontdekker van meer dan honderd oude Nederlandse kranten in het koninklijke archief van Stockholm, waaronder de exemplaren die tot de allereerste worden gerekend. Clé Lesger schreef in Handel in Amsterdam ten tijde van de Opstand (2001) een informatief hoofdstuk over de concentratie van nieuwsbronnen in Amsterdam. In mijn Rampjaar 1672 (2009) besteed ik de nodige aandacht aan de nieuwsvoorziening in de tweede helft van de zeventiende eeuw.