• Afrekenen
  • Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 1/2013

    De Grote Trek in Zuid-Afrika (1835-1845)

    Trek naar een beter leven

    Door: Bas Kromhout

    In Zuid-Afrika vond tussen 1835 en 1845 de Grote Trek plaats: duizenden Nederlandse kolonisten verlieten de Britse Kaapkolonie en stichtten nieuwe republieken in de binnenlanden. De ‘Voortrekkers’ zijn door latere generaties bejubeld als nationalisten en beschimpt als achterlijke slavenhouders. Maar boven alles waren zij pioniers, die probeerden op de Afrikaanse savanne een bestaan op te bouwen.

    Veldcommandant Piet Retief en zijn chef Andries Stockenström, de luitenant-gouverneur van de Oostelijke Provincie van de Kaapkolonie, waren elkaars tegenpolen. Stockenström was een bedachtzame bestuurder, serieus en een tikje hautain. Retief daarentegen stond bekend als een warmbloedig man met een groot charisma. De twee hadden vaak tegenover elkaar gestaan in politieke kwesties. Toch nam Retief begin 1837 de moeite naar Grahamstown te reizen om Stockenström vaarwel te zeggen. Retief zou zich aansluiten bij de Voortrekkers, die de kolonie verlieten om zich in het noorden te vestigen.

    Stockenström deed gereserveerd tegen Retief. Hij was fel gekant tegen de emigratie van de Voortrekkers. Hoe dachten deze pioniers op de gevaarlijke savanne te overleven zonder de bescherming van het Britse gezag? Sarcastisch merkte Stockenström op dat ze zich blijkbaar liever onder protectie stelden van Afrikaanse chiefs zoals Dingane, de koning van de Zoeloes.

    Retief vond deze laatste opmerking getuigen van ‘ongepaste humor’. Hij kon niet weten dat Stockenströms woorden profetisch waren, en dat hij een jaar na zijn vertrek tijdens een audiëntie bij Dingane zou worden vermoord. Op dit moment stond zijn besluit vast. Hij zette zijn vrouw, kinderen en slaven op twee ossenwagens en sloot zich aan bij een karavaan van dertig huifkarren die in februari de Oranjerivier overstak.

    Zoals Retief vertrokken tussen 1835 en 1845 ongeveer 15.000 Nederlandse emigranten in wat later de Grote Trek is gaan heten. In het noorden stichtten de pioniers nieuwe republieken, zoals Natalia, Oranje-Vrijstaat en Transvaal.

    De Voortrekkers zochten vooral veiligheid en bestaanszekerheid, hoe tegenstrijdig dat ook lijkt. De meesten waren afkomstig uit het oosten van de Kaapkolonie, waar het leven hard en gevaarlijk was. In de achttiende eeuw hadden zich hier de eerste Nederlanders gevestigd. Zij waren veehouders en hadden grote stukken graasland nodig voor hun schapen en runderen.

    Dit bracht hen in conflict met de oorspronkelijke bewoners, de Khoikhoi (Hottentotten). In een reeks oorlogen wisten de Nederlanders hen te verslaan, mede doordat velen bezweken door westerse ziektes. Veel Khoikhoi zagen geen andere bestaansmogelijkheid meer dan als knechten in dienst te treden van de nieuwe, witte meesters, die hen behandelden als slaven.

    Maar al hadden de blanke kolonisten de overhand, hun levenspeil was laag. De grond was schraal en de veehouderij bracht zelden meer op dan nodig was om te overleven. Veel gezinnen woonden in hutjes met één of twee kamers, samen met hun knechten. Uit relaties tussen kolonisten en inheemse vrouwen kwamen kinderen voort, die eveneens moesten worden onderhouden. Veilig was het evenmin, want sommige Khoikhoi trokken als veedieven van de ene boerderij naar de andere.

    In de uiterste oosthoek van het gekoloniseerde gebied lag het Zuurveld. Hier woonden Xhosa (Kaffers), een Afrikaans volk dat eveneens leefde van veeteelt. De Nederlanders wezen de Grote Visrivier aan als staatsgrens, maar de Xhosa hadden hier weinig boodschap aan. Bovendien kenden zij geen persoonlijk landeigendom; al het land was van de stam. Dit verschil in opvatting zorgde voor een reeks van gewapende conflicten.

    In het afgelegen en dunbevolkte gebied was de overheid zwak. De VOC oefende er het gezag uit en verdeelde het gebied in twee districten, Graaff-Reinet en Swellendam, bestuurd door een landdrost. Hij werd bijgestaan door heemraden, afkomstig uit de plaatselijke kolonistengemeenschap. Een staande politiemacht was er niet. De kolonisten moesten zelf hun gezinnen en hun bezittingen beschermen. Als er vee werd gestolen door Khoikhoi of Xhosa, wees de landdrost een zogenoemde veldkornet aan, die met een commando van gewapende boeren de dieven moest achterhalen.

    Omdat de kolonisten op zichzelf waren aangewezen, waren ze nogal anarchistisch ingesteld. In 1795 brak in Graaff-Reinet een opstand uit tegen de VOC. Aanleiding was een conflict tussen kolonist Adriaan van Jaarsveld en de landdrost, Honoratus Maynier. Van Jaarsveld wilde in het noorden nieuw land in bezit nemen, maar de landdrost verbood dit. Toen Van Jaarsveld toch ging, maar wegens droogte moest terugkeren, werd hij opgepakt en naar Kaapstad gezonden om te worden berecht.

    Hierop verjoegen medestanders van Van Jaarsveld landdrost Maynier en zijn Swellendamse ambtsgenoot. Ze hielden een ‘Nationale Conventie’ en verklaarden zich onafhankelijk van de Compagnie. De rebellen hadden de kunst afgekeken van de Bataafse Revolutie, die kort tevoren plaatshad in Nederland, maar ze hadden nooit gehoord van de verlichtingsidealen die daaraan ten grondslag lagen. Ze waren simpele rouwdouwers, die zich door niemand de wet lieten voorschrijven.

    Ook niet door de Britten, die in september 1795 de Kaap veroverden. De nieuwe machthebbers sneden de bevoorradingsroutes van de opstandelingen af en dwongen hen zo het Britse gezag te accepteren. Maar de onrust zou blijven bestaan en ook nu was Van Jaarsveld erbij betrokken. Toen hij per arrestantenkoets op weg was naar Kaapstad, ditmaal om te worden berecht wegens fraude, werd hij bevrijd door gewapende kolonisten onder leiding van Marthinus van Prinsloo. Samen smeedden zij een complot tegen de Britse autoriteiten.

    De opstandige kolonisten riepen de hulp van de Xhosa in. Daarvoor benaderden ze Coenraad de Buys, een legendarische figuur die als adviseur in dienst was getreden van Xhosa-chief Ngqika. De Buys had een hekel aan de Britten, die hij ‘de Bosjesmannen van de zee’ noemde, en beloofde dat de Xhosa de rebellen zouden steunen.

    Het Britse gouvernement wist de opstand echter te smoren door een leger van driehonderd Khoikhoi-soldaten naar Graaff-Reinet te sturen. Voor hun stamgenoten die knecht waren op een blanke boerderij was dit het moment om in opstand te komen. Ze doodden of verjoegen hun bazen, staken boerderijen in brand en stalen het vee. Ongeveer 470 huizen gingen in vlammen op.

    De Khoikhoi-rebellie stopte pas toen de autoriteiten betere arbeidsvoorwaarden beloofden. Vanaf 1809 waren boeren verplicht om papieren contracten af te sluiten met hun knechten. Wel bleven de knechten gebonden aan het land van hun baas, dat ze alleen met een pasje mochten verlaten.

    De Britten wilden law and order brengen in het wilde oosten van de Kaapkolonie. Rijdende rechters deden eens per jaar de grotere plaatsen aan. Knechten die werden mishandeld door hun meesters konden – mits ze waren gedoopt – een klacht indienen. In de regel woog het woord van een Khoikhoi minder dan dat van een blanke, maar toch zette deze rechtspraktijk kwaad bloed bij de kolonisten. Als zij iets vreesden, was het ‘gelijkstelling’ van vrije burgers met inheemsen en slaven.

    De knecht Booy was een van de Khoikhoi die bescherming zochten bij de wet. Begin 1813 diende hij een klacht tegen zijn meester in bij Andries Stockenström. Diens Zweedse vader had bij de VOC gediend. Zelf beschouwde hij zich als een Afrikaner, zoals de Nederlandstalige kolonisten zichzelf steeds vaker noemden.

    Als bestuurder probeerde Stockenström een brug te slaan tussen de Britse overheid en de lastige veeboeren in het oosten. Hij nam het geregeld op voor zijn mede-Afrikaners, die door de Britse handelselite in Kaapstad voor halve wilden werden versleten. Anderzijds liet hij er geen misverstand over bestaan dat voor iedereen, Boer of Brit, meester of knecht, dezelfde wetten golden.

    Stockenström hoorde Booy aan en besloot diens meester Freek Bezuidenhout op te roepen. Maar Bezuidenhout – een echte takhaar (redneck) avant la lettre – weigerde te komen. Twee Britse officieren en twaalf Khoikhoi-soldaten werden naar zijn boerderij gestuurd. In de schermutseling die volgde werd Bezuidenhout gedood.

    Op de begrafenis zwoer zijn broer Hans wraak. Bij bevriende kolonisten wierf hij steun voor een nieuwe rebellie, die als Slagtersnek-opstand de geschiedenis in zou gaan. De rebellen probeerden weer een verbond te sluiten met de Xhosa en overwogen buiten de Kaapkolonie een eigen republiek te stichten.

    Rebellenleider Hendrik Prinsloo, zoon van Marthinus, klaagde dat de Britten de Khoikhoi voortrokken. Er waren echter meer grieven. Doordat de Britse gouverneur het landeigendomsrecht had veranderd, was het moeilijker geworden om grond te verwerven. Het aandeel blanke mannen in het district Graaff-Reinet dat land bezat, daalde van 39 procent in 1798 naar 25 procent in 1812. Steeds meer boeren moesten van een kleine kudde rondkomen en sommigen zagen zich gedwongen de Grote Visrivier over te steken om als onderdanen van een Xhosa-chief verder te boeren. Deze verarmde kolonisten waren vatbaar voor rebellie.

    De Slagtersnek-opstand kwam echter niet van de grond, dankzij Stockenström. Op een dag begaf hij zich alleen en onbeschermd in een menigte boze boeren en overtuigde hen ervan zich niet bij de opstandelingen aan te sluiten. De beter gesitueerde kolonisten kozen de kant van de regering. Uiteindelijk werden, zonder dat er een schot was gelost, de rebellenleiders gearresteerd en opgehangen.

    Hoewel de meeste Afrikaners de pax britannica verkozen boven opstand en anarchie, vertrouwden ze de Britten nooit helemaal. Dit was wederzijds. Een parlementaire commissie uit Londen die in 1823-1825 een inspectiereis naar de Kaap maakte, rapporteerde dat de Nederlanders de moderne vooruitgang tegenhielden.

    Volgens de liberale Britten moest de Kaap een open en vrije markteconomie worden. Privileges en heffingen uit de VOC-tijd werden afgeschaft. In 1825 stopte de Britse overheid met de protectie van Kaapse wijn, wat een economische crisis veroorzaakte.

    Het liberalisme schreef ook voor dat er een eind moest komen aan de slavernij, die immers een vrij verkeer van arbeid verhinderde. John Fairbairn, hoofdredacteur van de South African Commercial Advertiser, schreef: ‘Het is veel voordeliger om van vijandige inboorlingen vredige consumenten te maken dan hen uit te roeien of tot slavernij te brengen.’ De meeste slaven waren overigens afkomstig uit West-Afrika en Indië.

    De Schotse zendeling John Philip veroorzaakte in 1828 een sensatie met zijn boek Researches in South Africa. Daarin portretteerde hij de Afrikaners als ‘despoten’ wie ‘de Britse waarden van menselijkheid en rechtvaardigheid’ moesten worden bijgebracht. Hét symbool voor de Hollandse achterlijkheid was de sjambok, waarmee meesters hun slaven afranselden.

    Om excessen tegen te gaan, kreeg iedere slavenhouder twee keer per jaar een ambtenaar op bezoek die het strafregister inkeek en de slavenverblijven inspecteerde. Veel Afrikaners voelden zich hierdoor aangetast in hun autonomie. De krant De Zuid-Afrikaan wees dreigend op ‘de rechten van Nederlandse burgers en de lengte van hun geweren’.

    Slavenhouders wachtten met angst en beven op het moment dat de slavernij werd afgeschaft. Velen dachten dat dit het einde van de Kaapse landbouw zou betekenen. Ook vreesden zij de wraak van hun slaven. Toen de slaven op een boerderij in de Westkaap met de veelzeggende naam Houd-den-bek hun meester en zijn gezin doodden, in de verwachting dat afschaffing aanstaande was, ging er een schokgolf door de blanke gemeenschap.

    Uiteindelijk verliep de afschaffing op 1 december 1834 zonder incidenten. De slavenhouders, die financiële compensatie kregen van de overheid, pasten zich aan de nieuwe situatie aan. De meeste voormalige slaven hadden weinig andere keus dan voor hun oude baas te blijven werken. Na enkele jaren was de economie weer op het oude peil.

    In de Engelstalige literatuur is gesuggereerd dat de afschaffing van de slavernij de belangrijkste aanleiding was voor de Grote Trek. Inderdaad waren sommige Voortrekkers ontevreden over de compensatie die ze kregen. Trekkersvrouw Anna Steenkamp, een nicht van Piet Retief, gaf als reden voor haar emigratie dat de Britten christenen en slaven op één lijn stelden. Dit was ‘strijdig met de wetten van God en het natuurlijke onderscheid van afkomst en geloof’, en daarom waren zij en haar mede-emigranten vertrokken, ‘om ons geloof en onze leer in zuiverheid te bewaren’.

    Toch was de afschaffing niet de voornaamste beweegreden. In de oostelijke districten, waar de meeste Voortrekkers vandaan kwamen, waren relatief weinig slaven. Het meeste werk op de veehouderijen werd verricht door Khoikhoi-knechten. Ook zij kregen meer rechten.

    In 1828 werden de pasjes afgeschaft, zodat zij vrij waren te gaan en staan waar ze wilden. Voor de Khoikhoi was dit een geweldige bevrijding. De boeren klaagden echter dat sommige knechten hun baas verlieten om veedieven en rovers te worden. De kolonisten konden daar weinig tegen uitrichten, omdat het hun voortaan verboden was om daders zelf op te sporen en te straffen.

    Decennialang waren de Nederlanders gewend geweest aan zelfbestuur en eigenrichting, maar de Britten maakten hier een eind aan. Vanaf 1828 schaften zij de ambten van landdrost en heemraad af. De nieuwe provinciehoofden en magistraten waren alleen verantwoording verschuldigd aan de gouverneur. De taak van de burgercommando’s werd grotendeels overgenomen door het leger, dat gehuisvest werd in nieuwe garnizoensplaatsen zoals Cradock en Grahamstown.

    De Britse overheid beschikte echter over onvoldoende menskracht. Vanuit Cradock moesten één politieagent en één vrederechter de orde handhaven in een gebied groter dan Nederland. De kolonisten op hun afgelegen boerderijen voelden zich onbeschermd. Als zij aangifte wilden doen van een misdrijf, moesten ze vaak twee tot drie dagen reizen naar de hoofdplaats. Intussen legde de overheid de vrije verkoop van kogels en buskruit aan banden.

    Om een eind te maken aan de cirkel van geweld tussen kolonisten en Xhosa bepaalde Stockenström dat commando’s niet langer veedieven mochten achtervolgen tot over de grens. Met deze beperking werd Piet Retief als veldcommandant geconfronteerd toen hij in 1822 met zijn mannen het spoor van vierhonderd gestolen schapen volgde tot aan de Grote Visrivier. Hij kon de dieren aan de overkant zien grazen, maar moest tot zijn ergernis rechtsomkeert maken.

    Hoe goed beargumenteerbaar dit soort bepalingen ook was, ze kwamen de boeren onrechtvaardig voor. Een Voortrekker schreef aan Stockenström: ‘We verlaten de kolonie omdat we geen regering of wet kennen – van een regering merken we niets, behalve dat we geld moeten betalen, en de wet bereikt ons nooit, behalve om ons te beboeten of te straffen voor dingen waarvan we niet wisten dat ze verkeerd waren. Wij zijn als verloren schapen.’

    De Grote Trek volgde op een van de bloedigste oorlogen tussen blanken en inheemsen. Directe aanleiding hiervoor was het optreden van de Britse legerbevelhebber Henry Somerset, die bij een strafexpeditie tegen de Xhosa in 1828 niet alleen duizenden dieren buitmaakte, maar bovendien honderd vrouwen en kinderen als gevangenen mee terug voerde.

    Zes jaar later kwam het antwoord van de Xhosa: 12.000 krijgers overspoelden als een allesverwoestende golf het Zuurveld. Bijna alle 7000 kolonisten vluchtten. Retief speelde een heldenrol door leiding te geven aan het enige laager – een cirkelvormig verdedigingswerk bestaande uit karren – dat de aanval doorstond. Maar zijn boerderij was verbrand en zijn kudde was hij kwijt.

    Gouverneur Benjamin D’Urban gelastte de tegenaanval. Britse troepen, Khoikhoi-soldaten en boerencommando’s slaagden er gezamenlijk in de Xhosa tot ver in hun gebied terug te drijven. D’Urban riep de Keirivier uit tot nieuwe grens en noemde het veroverde gebied Province of Queen Adelaide. De kolonisten hoopten dit nieuwe land in bezit te mogen nemen ter compensatie van hun oorlogsschade. De regering in Londen draaide de annexatie echter terug – mede op advies van Stockenström, die de voorkeur gaf aan duurzame vrede met de Xhosa.

    Voor mensen als Retief was de maat vol. In de Grahamstown Journal van 2 februari 1837 somde hij de redenen op waarom hij en andere Voortrekkers hun geluk buiten de kolonie zochten. Hij noemde het voortdurende gevaar door vrije Khoikhoi te worden beroofd en vermoord, en het onvermogen van de overheid om de kolonisten te beschermen. Hij wees op de laatste oorlog, die hem en vele anderen had geruïneerd. Hij had het ook over de ‘ergerlijke’ slavenwetten en de investering die slavenhouders verloren door de afschaffing van de slavernij. Tot slot deed hij zijn beklag over de Engelstalige pers, die geen gelegenheid liet passeren om de Nederlanders uit te schelden.

    Met dit laatste gaf Retief voorzichtig uiting aan een groeiend besef onder de Afrikaners dat zij anders waren dan de Britten en anders wilden blijven. In juli 1837, toen hij al per huifkar het binnenland doorkruiste, schreef hij aan de Britse regering: ‘Wij wensen als een vrij en onafhankelijk volk te worden beschouwd.’

    Een andere illustere Voortrekker, Hendrik Potgieter, schreef aan de gouverneur in Kaapstad: ‘Ik wens mij niet te onderwerpen aan enige Britse macht […] Ik ben niet Brits, en hoop en vertrouw dit nooit te worden.’

    Maar al hebben nationalistische Afrikaners later de Grote Trek aangemerkt als de geboorte van hun volk, de fundamentele reden voor de emigratie van ongeveer 10 procent van de Nederlandse bevolking was prozaïsch. Zoals Potgieter schreef aan de Britse gouverneur: ‘We hebben de kolonie niet verlaten vanwege Uwe Excellentie’s wetten, maar omdat het onmogelijk was om te overleven en onze vrouwen en kinderen te onderhouden.’

    Meer weten

    Boeken

    De voorgeschiedenis van de Grote Trek is uitgebreid geanalyseerd door de Zuid-Afrikaanse historicus Hermann Giliomee in The Afrikaners, A Biographie (2006). Zijn stelling dat materiële nood de belangrijkste motivatie was voor de Voortrekkers is al in 1974 geponeerd door C.F.J. Muller in Die Oorsprong van die Groot Trek.

    Onder de Voortrekkers bevond zich het predikantenechtpaar Erasmus en Susanna Smit. Beiden hebben een dagboek (in het Nederlands) nagelaten. Erasmus’ dagboek is bezorgd onder de titel Journaal van ’n trek. Uit die dagboek van Erasmus Smit (1988). Dat van zijn vrouw vormt de basis van Die wêreld van Susanna Smit, 1799-1863 (1995) door Karel Schoeman. 

    Afbeelding: Andries Stöckenstorm. Cape Archives