Home Dossiers Romeinen De brand die Nero achtervolgde

De brand die Nero achtervolgde

  • Gepubliceerd op: 20 juli 2021
  • Laatste update 19 jul 2023
  • Auteur:
    Eric Palmen
  • 9 minuten leestijd
De brand die Nero achtervolgde
Cover van
Dossier Romeinen Bekijk dossier

Na de dood van Nero juichte de elite, maar treurde het volk. Wie was deze keizer werkelijk? Een gek met grootheidswaan of een vaardig crisismanager? En heeft hij de Grote Brand van Rome in 64 n.Chr. nu wel of niet aangestoken?

Van alle booswichten uit de wereldgeschiedenis spreekt keizer Nero wellicht het meest tot de verbeelding. In 59 n.Chr. liet hij – al dan niet om politieke redenen – zijn moeder doden. Drie jaar later gelastte hij, op grond van overspel, de dood van zijn eerste vrouw. Velen zagen in hem een verwijfde megalomaan, die droomde van een nieuw Rome met zijn naam, Neropolis. Daarom stak hij in 64 n.Chr. moedwillig de fik in de oude stad. Toen hij vanuit de veilige Toren van Maecenas op de Esquilijn, de noordoostelijke heuvel van Rome, extatisch naar de vuurzee keek, zou hij ook nog een lied hebben gezongen.

Meer lezen over Nero? Schrijf u in voor onze gratis nieuwsbrief.

Ontvang historische artikelen, nieuws, boekrecensies en aanbiedingen wekelijks gratis in uw inbox.

Maar er schuilt een probleem in deze voorstelling van zaken. Veel van wat Nero wordt toegedicht heeft gewoonweg niet plaatsgevonden. Archeologisch onderzoek ondersteunt de heersende opvatting onder moderne historici dat de Grote Brand van Rome naar alle waarschijnlijkheid niet is aangestoken. Er was maar één brandhaard: een van de winkeltjes in de bedrijvige passage rond de Circus Maximus. De extreme noordenwind in de nacht van 19 juli deed de rest.

4000 gebouwen brandden af, zeker een kwart van de inwoners raakte dakloos

Het vuur verspreidde zich van de houten constructies van de Circus Maximus naar de Palatijn, de meest prestigieuze onder de zeven heuvelen van Rome. Daar woonde de elite van de stad en waren de keizerlijke paleizen te vinden, waaronder dat van Nero zelf, de Domus Transitoria. Van daaruit zette de vuurstorm koers naar de lagere regionen van Rome, de suburra, waar het vulgus woonde, het gewone volk. Volgens Tacitus maakten de vigiles, verantwoordelijk voor de brandpreventie in de stad, ondersteund door pretorianen van de keizerlijke garde, in de overbevolkte, chaotische wijken van de stad de nodige brandgangen, al moesten daarvoor woningen preventief worden gesloopt. Tot groot afgrijzen van de huiseigenaren uiteraard. En toen ze dachten dat ze de brand meester waren, gebeurde het ongelooflijke: het vuur laaide weer op. Al met al duurde de Grote Brand van Rome – daarover zijn de bronnen niet eenduidig – zes tot negen dagen.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De gevolgen waren verbijsterend. De wijken rond de Circus Maximus – regio III, X en XI volgens de indeling die keizer Augustus in 7 v.Chr. had ingevoerd – waren volledig in de as gelegd. Rondom het centrum van de brandhaard lag een ring van zeven wijken die aanzienlijk beschadigd waren. Alleen de zuidelijke regio’s en het Trans Tiberium, het kwartier ten westen van de Tiber, waar traditioneel veel Joden woonden, bleven gespaard.

Suetonius spreekt van 4000 gebouwen die in de as werden gelegd; Tacitus rouwde in zijn Annalen vooral om de reddeloos verloren tempelcomplexen aan het Forum Romanum, het politieke, economische en culturele hart van de stad. Naar het aantal slachtoffers blijft het gissen. Volgens een ruwe schatting had Rome tussen de 500.000 en 1 miljoen inwoners tijdens de brand. Een kwart tot een derde van hen zou dakloos geworden zijn.

Nero was een goede crisismanager

Nero was toen de brand uitbrak niet in de stad. Hij vertoefde in Antium (Anzio) aan de kust van de Middellandse Zee, zestig kilometer zuidelijk van Rome. Volgens Tacitus zou hij pas van zins zijn geweest het vakantieoord te verlaten toen zijn eigen bezittingen op de Palatijn bedreigd werden, maar hij vergeet dat de heuvel al snel na het uitbreken van de brand in lichterlaaie stond.

Eigenlijk sloeg Nero, eenmaal huiswaarts gekeerd, niet eens zo’n pover figuur als crisismanager. De daklozen liet hij onderbrengen in de gebouwen van Agrippa op de Campus Martius, het Marsveld ten noorden van de oude stad. Hij legde noodwoningen aan en stelde zijn tuinen open voor de meest behoeftigen die huis en haard verloren hadden. Vanuit omringende steden importeerde hij de nodige proviand en hij verlaagde per decreet de graanprijs.

Partijdige bronnen

Er zijn drie belangrijke bronnen over Nero bewaard gebleven. De Annalen van Tacitus (gedateerd tussen 100-120 n.Chr.), Over het leven van de 12 Caesars (rond 121) van Gaius Suetonius Tranquillus en De geschiedenis van Rome (rond 230) van Cassius Dio. De auteurs hebben met elkaar gemeen dat ze hun informatie vooral van horen zeggen hebben. Vooral Plinius de Oudere, van wie de geschiedkundige werken grotendeels verloren zijn gegaan, was een belangrijke primaire bron.

Volgens Plinius behoorde Nero tot ‘het brandhout van het menselijke ras’ en staat zijn schuld aan de ramp van 64 buiten kijf. Alleen Tacitus schijnt zich enigszins rekenschap te geven van de partijdigheid van zijn bronnen. In ‘het praatgrage Rome’ was de tong een machtig wapen. Die kon politieke carrières maken en breken. Toch maakte ook Tacitus dankbaar gebruik van alle roddel en achterklap. Hij stelde Nero voor als de moordenaar van zijn stiefbroer, moeder en twee echtgenotes. Een incestueuze biseksueel, die publiekelijk trouwde met zijn schandknaap Pythagoras. Een over het paard getilde lierspeler, die zich liet aanmoedigen door het klapvee dat hij ter meerdere eer en glorie van zijn kunsten had aangesteld. Volgens senator en stoïcijn Thrasea Paetus, slachtoffer van de grote zuivering na de samenzwering van 65, zong hij nog vals ook.

Tijdens de wederopbouw stonden brandpreventie en veiligheid voorop. Het chaotische stratenplan van de oude stad maakte plaats voor een uitgekiend patroon van veel licht en brede avenues, zodat er voortaan genoeg brandgangen waren. Nero stelde paal en perk aan de hoogte van de gebouwen en bekostigde, bij wijze van brandpaden, de nodige zuilengalerijen uit eigen zak. Particuliere woningen moesten aan de voorkant van een plat dak zijn voorzien, want dat vergemakkelijkte bluswerkzaamheden bij een eventuele nieuwe calamiteit. Hij verordende de toepassing van vuurvaste stenen, zoals de Alban en de Gabine; hout mocht alleen in uiterste noodzaak worden gebruikt.

Rond de Circus Maximus stelde hij een verbod in op de verkoop van gekookte etenswaren. Twee stadsarchitecten, Severus en Ceres, moesten zijn planologische visie realiseren. Ze werden onder andere belast met de bouw van een nieuw keizerlijk paleis, het Gouden Huis, dat de afgebrande Domus Transitoria in alles moest overtreffen. In het dal tussen de Esquilijn en de Caelius legden ze een kunstmatig meer aan – zo groot als de zee, overdreef Suetonius. Een kanaal vanaf het Avernus-meer naar de monding van de Tiber moest het nieuwe Rome van het nodige water voorzien. Ze bouwden, kortom, een stad waarin een ramp als de Grote Brand van 64 niet meer zou kunnen plaatsvinden. Nero had van de nood een deugd gemaakt.

Boze belastingbetalers

En daar zat ’m de kneep. De financiële lasten voor de politieke en economische elite van de stad, die sowieso al treurde om haar verloren vastgoed, werden enorm omdat Nero extra belastingen invoerde, ook voor de provincies van het rijk. Zijn plannen voor een open en veilig Rome vereisten de nodige onteigeningen van privébezit. Daarbij greep Nero naar een ongekende monetaire maatregel om zijn zucht naar liquide middelen te bevredigen: geldontwaarding. Vanaf het bewind van keizer Augustus bestond de denarius uit 100 procent zilver, maar in nasleep van de Grote Brand zakte dat percentage naar een schamele 80.

Nero, met ‘zijn passie voor het onmogelijke’ (Tacitus), beperkte zich niet tot een simpele reconstructie van de oude stad, maar nam de gelegenheid te baat om een nieuw Rome te bouwen, uit de zak van de belastingbetaler. Die begon zich in arren moede af te vragen of de ambitieuze keizer de goden wellicht een handje geholpen had om al die pracht en praal gestalte te kunnen geven. Hij had de schijn tegen zich. De Grote Brand was niet de eerste calamiteit die de stad overkomen was; het zou ook niet de laatste zijn.

Volgens Plinius behoorde Nero tot ‘het brandhout van het menselijke ras’

Maar de datum – 19 juli – herinnerde wel heel toevallig aan een andere grote ramp die in het collectieve geheugen van de Romeinen gegrift stond. Op 19 juli 390 v.Chr. plunderden de Galliërs Rome en lieten grote delen van de stad in as achter. Een ijverig rekenaar merkte op dat het interval tussen de twee evenementen precies 412 jaar, 412 maanden en 412 dagen bedroeg. De numerologie sprak voor zich. Er stak een kwaadaardige genius achter de ramp, al dan niet van kosmische aard.

Suetonius en Dio waren volledig overtuigd van de schuld van Nero, maar Tacitus liet in het midden of de Grote Brand een ongeluk (forte) was of het gevolg van boosaardige opzet (dolus). In elk geval stond voor hem buiten kijf dat de decadente levenswandel van Nero de toorn van de goden had gewekt. Nero was ‘bezoedeld door alles wat mag en niet mag’ en ‘had geen schanddaad nagelaten voor een nog perversere levensstijl’, aldus Tacitus in zijn Annalen. En schuldig of niet, ook Tacitus was ervan overtuigd dat de keizer niet echt rouwig was om de ramp. Vooral het oplaaien van de brand na de zesde dag wekte argwaan.

Nero doodt samenzweerders

Een jaar na de Grote Brand kreeg Nero met een heus complot te maken. Leden van de pretoriaanse garde spanden samen met wraakzuchtige senatoren om hem te vermoorden en te vervangen door publiekslieveling Gaius Piso. Zij gingen een eedverbond aan, een conspiratio, maar de beroerd opgezette aanslag lekte uit voordat die ten uitvoer was gebracht. Toen Nero tribuun en samenzweerder Subrius Flavius vroeg wat hem bezield had om tegen zijn keizer in opstand te komen, antwoordde die onomwonden: ‘Ik haatte u! Niemand was u trouwer, zolang u genegenheid verdiende. Met haten begon ik toen u moordenaar werd van uw moeder en echtgenote, en wagenmenner, acteur. En brandstichter.’

Antichrist

Toen de grond hem te heet onder de voeten werd, zocht Nero naar een zondebok voor de Grote Brand. Hij gaf de arme christenen de schuld van zijn goddeloze daden. Dat vermeldt althans Tacitus in de Annalen. Ze ‘werden aan het kruis genageld en bij schemering in brand gestoken bij wijze van avondlicht’. Tacitus is de enige bron die de christenvervolging in relatie brengt met de Grote Brand. Zelfs een vroegchristelijk schrijver als Eusebius deed dat niet, terwijl martelaarschap in zijn Kerkelijke geschiedenis nota bene een centraal thema is. Curieus is ook dat het begrip ‘christenen’ in de jaren zestig van de eerste eeuw nog nauwelijks was ingeburgerd, zodat het niet aannemelijk is dat zij in Rome als een afzonderlijke sekte werden aangemerkt.

Sommige historici menen dat Tacitus zich baseerde op de eschatologische literatuur zoals die rond 100 n.Chr. opkwam. Daarin werd Nero inmiddels als de antichrist opgevoerd. (Het teken van het beest – 666 – in de Openbaringen van Johannes zou het numerologische equivalent zijn van de Hebreeuwse letters ‘Neron Caesar’). Anderen menen dat Tacitus helemaal niet de auteur is van de bewuste passage, maar dat een kopiist die aan de Annalen heeft toegevoegd, wellicht in de derde eeuw na Christus. In elk geval beklijfde het beeld van Nero als de antichrist. Zo voerde Geoffrey Chaucer de vermaledijde keizer op in de Canterbury Tales (circa 1380) en verklankte Georg Friedrich Händel hem in Nero (1705), zijn eerste opera.

Er werden uiteindelijk negentien samenzweerders ter dood veroordeeld en dertien verbannen. Tijdens de jacht op de complotteurs rekende Nero ook af met zijn grootste criticasters. Die waren met name onder de stoïcijnen van Rome te vinden. Hun appel voor een eenvoudige en deugdzame levensstijl, geënt op de wetten van de natuur, stond haaks op Nero’s kunstmatig aangelegde meren, gigantische kanalen en kaarsrechte avenues. Zo dwong hij Seneca, zijn oude leermeester, de hand aan zichzelf te slaan. Op de avond van 12 april 65, in gezelschap van zijn vrouw Pompeia Paulina en enkele vrienden, sneed de stoïcijn zijn polsen door, waarna hij een bad nam om het stervensproces te versnellen. Zijn geliefden riep hij op ‘het verhaal van zijn leven’ (imago vitae suae) te gedenken en flink te zijn, conform de filosofische principes die hij hun had bijgebracht.

In 68 n.Chr. was het de beurt aan Nero zelf. In het nauw gedreven door de pretoriaanse garde, gaf hij zijn persoonlijk secretaris Epaphroditos opdracht hem dood te steken. Nero jammerde dat aan hem een groot kunstenaar verloren ging, toen Epaphroditos een dolk door zijn keel dreef. Onder de patriciërsfamilies van de stad heerste een jubelstemming, maar het gewone volk treurde om de dood van zijn geliefde keizer. Hij had zoveel brood en spelen gebracht.

Met de val van Nero kwam er een einde aan de Julisch-Claudische dynastie, die met keizer Augustus was ingezet. Na het tumultueuze Vierkeizerjaar 69, waarin vier troonpretendenten om de macht streden, trok de Flavische dynastie uiteindelijk aan het langste eind. Die was er alles aan gelegen om de herinnering aan Nero uit te wissen. Op de plek van het kunstmatige meer verrees het Colosseum. Marcus Valerius Martialis schreef voor de opening een aantal gelegenheidsgedichten. ‘Rome heeft zichzelf terug! Door Caesars gunst vermaakt het volk zich waar de tiran dat deed.’

Meer weten

  • Rome is Burning. Nero and the Fire that Ended a Dynasty (2020) door Anthony A. Barret debunkt mythen rond de Grote Brand.
  • Nero (2003) door Edward Champlin is een herwaardering van de keizer.
  • Conspiracy Narratives in Roman History (2009) door Victoria Emma Pagán, over complottheorieën in het Romeinse Rijk.