• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 2/2021

    Britten riskeren oorlog om kabeljauw

    Door: Max van Duijn

    In de jaren zestig en zeventig hadden IJsland en het Verenigd Koninkrijk een conflict over de grenzen van de viswateren rond IJsland. De gemoederen liepen hoog op. Er hoeft op een Engels schip maar één slachtoffer te vallen en dan is het een echte oorlog.’ Hoe kon een ruzie tussen twee NAVO-lidstaten midden in de Koude Oorlog zo uit de hand lopen?

    Na de Tweede Wereldoorlog werd overbevissing een serieus probleem. De daling van de visstand was vooral voor IJsland dramatisch, want een groot deel van de economie was op visserij gebaseerd. Ondertussen werd ruim de helft van de vis rondom de IJslandse kust door buitenlandse schepen gevangen. In 1952 claimde IJsland daarom een exclusieve zone van 4 mijl buiten de kust: buitenlandse schepen mochten niet meer in die wateren vissen.

    De Britten reageerden fel, omdat ze sterk hechtten aan het idee van de vrije zee. Een opvatting die in de zeventiende eeuw was geformuleerd door Hugo de Groot. De zee was volgens hem van iedereen; niemand kon die voor zichzelf opeisen. Ook in het internationaal recht was dit denken diep verankerd. De Britten stelden een embargo in tegen IJsland, waardoor dat op zoek moest naar andere markten voor zijn vis.

    In 1953 sloot IJsland een handelsverdrag met de Russen. Dit riep bij de Amerikanen grote zorgen op: zij zagen de communistische invloed in de uiterst strategische regio niet zitten. De VS wisten met succes de Britten over te halen het embargo los te laten. De International Law Commission van de Verenigde Naties verklaarde bovendien dat het was toegestaan wateren tot 12 mijl uit de kust te claimen. Hierin zag IJsland een stimulans om verdere expansie voor te bereiden.

    ‘Britse invasie’

    Toen bleek dat internationale consensus over het zeerecht ontbrak en er ronduit sprake was van inconsistentie, nam IJsland in 1958 de volgende stap. Het wilde politiek munt slaan uit de verwarring, ook omdat de binnenlandse publieke opinie om actie vroeg. Eind juni kondigde IJsland aan dat het per 1 september van dat jaar overging op de 12-mijlszone. Deze unilaterale actie werd niet op prijs gesteld, met name niet door de Britten, die een precedent vreesden en het idee van de vrije zee hoog wilden houden. Maar er speelden ook belangen: vissersplaatsen als Hull verdienden hun geld met de visserij rondom IJsland.

    De Britten lieten het er niet bij zitten en rustten de marine uit. De vloot kreeg de naam the boats of August. Pogingen om vlak voor de deadline nog overeenstemming te bereiken bleven zonder resultaat. IJsland op zijn beurt had geen marine en kon zijn gezag op zee alleen via de kustwacht doen gelden. De volgende dag waren de IJslanders dan ook woedend toen er Britse oorlogsschepen aan de horizon opdoemden: een IJslandse krant sprak van een ‘Britse invasie’ en ’s avonds werd het huis van de Britse ambassadeur belaagd door demonstranten.

    ‘We onderhandelen niet met Britten, we verslaan hen’

    Op zee deden zich de eerste incidenten voor: zo probeerde een IJslands schip een Brits vissersschip aan te vallen, maar het lukte de bemanning niet om aan boord te komen. Uiteindelijk bekoelden de emoties. Het bleek een grove inschattingsfout van de Britten om een vloot te sturen. De IJslanders radicaliseerden daardoor en sloten de gelederen. Er volgde een daverend applaus toen een parlementslid de befaamde woorden sprak: ‘We onderhandelen niet met Britten, we verslaan hen.’

    Het Verenigd Koninkrijk stond internationaal alleen doordat Amerika noch de NAVO ervoor voelde betrokken te raken bij het conflict. De kosten voor de marine waren bovendien fors, en schoorvoetend moest de Britse regering erkennen dat visserij ook buiten de 12-mijlszone rendabel zou blijven, waardoor de economische schade meeviel. In 1961 gingen de Britten overstag en accepteerden ze de IJslandse expansie tot 12 mijl uit de kust. Ook werd afgesproken dat eventuele nieuwe uitbreidingen van de territoriale wateren aan het Internationaal Hof in Den Haag zouden worden voorgelegd.

    Daarmee kwam een eind aan de ‘Eerste Kabeljauwoorlog’ – met een bittere nasmaak voor de Britten, die eigenlijk weinig te verliezen hadden, maar door eigen handelen toch flink averij hadden opgelopen.

    Geen zin in compromissen

    Internationaal brokkelde de consensus steeds verder af. Een toenemend aantal landen liet de 12-mijlszone los. In Zuid-Amerika hadden sommige landen zelfs al besloten tot 200 mijl uit de kust unilateraal op te eisen. Gesterkt door deze internationale ontwikkelingen en onder druk van de publieke opinie – de visstand daalde nog steeds – besloot de IJslandse regering haar exclusieve zone per 1 september 1972 uit te breiden van 12 tot 50 mijl.

    Maar in IJsland was niet iedereen voorstander van expansie. De oppositie stelde dat de regering haar bondgenoten bewust provoceerde en de internationale reacties waren ook niet mals: alle West-Europese staten en zelfs het Warschaupact keurden de IJslandse expansie af. Het Internationaal Hof in Den Haag oordeelde bovendien dat deze expansie in strijd was met internationale bepalingen.

    Maar IJsland besloot zich niets van de uitspraak aan te trekken. Het land stuurde niet eens een vertegenwoordiger naar het Hof om zijn zaak te bepleiten; een woordvoerder van het IJslandse ministerie van Buitenlandse Zaken zei botweg dat visserij een binnenlandse aangelegenheid betrof en het Hof daar geen jurisdictie over had.

    De weg naar een Tweede Kabeljauwoorlog lag zodoende open. Van de IJslandse regering viel weinig bereidheid tot compromissen te verwachten. ‘De minister van Visserij is een communist en in totaal zijn er vier communisten in het IJslandse kabinet van zeven man,’ schreef het Nederlandse dagblad Tubantia. De communisten drongen al langer aan op het vertrek van Amerikaanse soldaten uit IJsland, waardoor de strijd om visserijrechten ook een geopolitieke dreigde te worden. Op 31 augustus deelde Einar Agustsson, minister van Buitenlandse Zaken, mede dat IJsland besprekingen wenste te voeren over de toekomst van de NAVO-basis op het eiland. ‘Niemand ziet graag buitenlandse troepen op zijn grondgebied,’ verklaarde de minister.

    Ankers met weerhaken

    De vraag was nu hoe IJsland zijn gezag op zee zou doen gelden. Premier Olafur Johannesson zei dat de kustwacht de eigen wateren ‘met standvastigheid en op afdoende wijze’ zou verdedigen. Wat verborgen werd gehouden was dat de IJslandse kustwacht met een nieuw wapen werd uitgerust: de Togvíraklippur. Dit was een soort anker met weerhaken, dat verborgen onder water de visnetten van Britse vissers doorsneed. Met name in 1973 werd het wapen gretig gebruikt: zestig Britse schepen werden toen beroofd van hun visnetten. Daarop stuurden de Britten weer hun marine en een van de woordvoerders van de Britse visserij zei: ‘Er hoeft nu aan boord van een Engels schip maar één slachtoffer te vallen en dan is het een echte oorlog.’

    Weer leidde dit tot hevige verontwaardiging in IJsland. Maar de VS noch de NAVO lieten van zich horen, waardoor de verhouding met Amerika verder bekoelde. De IJslandse dreigementen om de NAVO-basis in IJsland te sluiten waren niet slechts retoriek; premier Johannesson was serieus bereid risico te nemen. Voor IJsland stond er immers veel op het spel. De regering voelde bovendien de hete adem van de publieke opinie. De communistische minister van Visserij, Ludvik Josepsson – in Tubantia omschreven als ‘de drijvende kracht achter het eindeloos voortgaande visdrama’ – was ondertussen populairder dan ooit. Daarnaast kreeg het nationalisme een boost, wat de jonge natie verenigde. Daaraan afbreuk doen zou politieke zelfmoord betekenen, en zo werd het conflict steeds meer op de spits gedreven.

    Toch wisten beide partijen tot elkaar te komen nadat IJsland had gedreigd de diplomatieke banden met de Britten te verbreken: de twee landen sloten een soort bestand voor twee jaar. Het conflict werd dus niet beslecht, alleen maar uitgesteld.

    Ongeloofwaardige Engelsen

    In 1973 begon een conferentie over het zeerecht om nu eindelijk eens tot internationale afspraken te komen. Niet alleen visserij, maar ook gas- en olieboringen maakten dat het concept ‘vrije zee’ geen stand meer kon houden. Het werd geleidelijk duidelijk dat de 12-mijlszone fors vergroot zou worden en dat de 200-mijlszone steeds meer internationale steun kreeg. IJsland anticipeerde daarop: minister van Buitenlandse Zaken Agustsson kondigde na afloop van de conferentie aan dat zijn land de exclusieve zone zou uitbreiden.

    Op 15 juli 1975 was het zover. IJsland was daarmee het eerste land in Europa dat zijn maritieme grens tot 200 mijl had verlegd. Zoals verwacht reageerden de Britten uiterst fel, maar ze dreigden het pleit te verliezen. Het internationale recht dat de Britten in de Tweede Kabeljauwoorlog nog aan hun zijde hadden gehad verschoof steeds meer ten gunste van IJsland. Daarnaast waren de Britten verre van consequent. Voor de eigen olie- en gaswinning paste het Verenigd Koninkrijk wél de 200-mijlszone toe om andere landen te kunnen weren. Maar bij IJsland negeerden de Britten deze grens – natuurlijk omdat het niet in het belang van de Britse visserij was. Daardoor raakten de Britten hun geloofwaardigheid kwijt. Tijdens de onderhandelingen legde de nieuwe IJslandse premier Geir Hallgrimsson hier sterk de nadruk op in een poging een volgend conflict af te wenden.

    ‘We weigeren ons met de loop van een kanon naar de conferentietafel te laten dwingen’

    Dit liep echter op niets uit: weer besloten de Britten hun marine noordwaarts te sturen. De vechtlust van de IJslanders werd er niet minder om. De ambassadeur van IJsland te Londen, Niels Sigurdsson, uitte scherpe kritiek: ‘We voelen ons aangevallen, maar we weigeren ons met de loop van een kanon naar de conferentietafel te laten dwingen.’ Voorlopig waren onderhandelingen nog ver weg, helemaal toen IJsland in januari dreigde de betrekkingen met de Britten te verbreken. Die roemruchte stap werd uiteindelijk op 19 februari gezet. Voor het eerst verbrak een lidstaat van de NAVO alle diplomatieke banden met een andere bondgenoot.

    De druk op de Britten nam toe. De inzet van de marine had averechts gewerkt en de kosten voor de vloot stonden in geen enkele verhouding tot de belangen. IJsland kon zich bovendien voortdurend voordoen als slachtoffer van ‘Britse agressie’.

    Het dispuut kwam op de agenda van de NAVO terecht. Deze organisatie regelde informele ontmoetingen en werkte onder leiding van secretaris-generaal Joseph Luns toe naar een vreedzame oplossing. Eind mei 1976 kwamen de ministers van Buitenlandse Zaken van de NAVO-lidstaten in Oslo bijeen. De Amerikanen zetten de Britten onder druk om in te binden. Ook de invloedrijke Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henri Kissinger was in Oslo aanwezig, waar hij door linkse demonstranten – die pal achter IJsland stonden – voor ‘oorlogsmisdadiger’ en ‘internationaal terrorist’ werd uitgemaakt.

    Het zou het slotakkoord van een jarenlange strijd worden. Premier Hallgrimsson sprak van ‘een overwinning voor IJsland’ nadat op 1 juni een voorlopige overeenkomst was bereikt. Het werd de bezegeling van de IJslandse overwinning: de Britten moesten de 200-mijlszone erkennen. De kabeljauwoorlogen waren voorbij.

    Max van Duijn is lokaal politicus en politicoloog. 

     

    Waarom is dit verhaal nog steeds relevant?

    Visserij is op het ogenblik een kernthema bij de Brexit-onderhandelingen. De Britse visserij heeft zware klappen gehad. De afgelopen decennia verloren veel vissers in bijvoorbeeld Grimsby en Hull hun werk, onder meer doordat ze door de 200-mijlszone rond IJsland veel minder vis konden vangen. De werkloosheid is er nog steeds hoog. In 2016 stemde bijna 70 procent van de inwoners van Hull voor de Brexit, fors meer dan gemiddeld. De boodschap van take back control sloeg hier aan.

    NAVO-basis in Keflavik

    IJsland is een klein land, maar met een uiterst strategische ligging. Er was daarom tot 2006 een NAVO-basis in Keflavik, waar ook Amerikaanse soldaten gelegerd waren. De IJslanders waren zich van dit strategische belang bewust. De linkse regering van Johannesson was uitgesproken kritisch en liet in de Tweede Kabeljauwoorlog zien dat de militaire basis niet onaantastbaar was. Hierdoor ontstond een perfect storm,waarbij economische belangen (visserij) en geopolitiek samensmolten. De IJslanders kregen zo een stevige onderhandelingspositie – ondanks de overmacht van het veel grotere Verenigd Koninkrijk.

    IJsland verklaart zich onafhankelijk

    IJsland was onderdeel van Denemarken toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Toen het moederland werd bezet, wilden de Britten vanwege de strategische ligging niet dat IJsland in Duitse handen viel. Daarom bezetten ze het land in 1940. Een jaar later ontstond de vreemde situatie dat Amerikaanse troepen de bezetting overnamen, ook al waren de VS toen nog neutraal. Dit verklaart het wantrouwen van de IJslandse bevolking tegenover Amerika. In 1944 greep het eiland zijn kans om zich onafhankelijk te verklaren en stelde Denemarken daarmee voor een voldongen feit.

    Meer weten

    The Cod and the Cold War (2006) door G.J. Gudmundsson in: Scandinavian Journal of History 31:2.

    How ‘cod war’ came: the origins of the Anglo-Icelandic Fisheries Dispute, 1958-61 (2004) door G.T. Johannesson in: Historical Research 77.

    The United States and Western Europe Since 1945. From Empire by Invitation to Transatlantic Drift (2005) door G. Lundestad.