Home BOEKEN: Steven Nadler, Spinoza

BOEKEN: Steven Nadler, Spinoza

  • Gepubliceerd op: 23 oktober 2001
  • Laatste update 29 mrt 2023
  • Auteur:
    Jan Dirk Snel
  • 6 minuten leestijd

Bestaan ze nog? Vroeger zag je in speeltuinen wel eens lachspiegels waarin je er ineens absurd dun of dik, lang of kort uitzag. Op zo’n lachspiegel die de werkelijkheid grotesk vertekent, lijkt de geschiedwetenschap soms ook. Keurig en evenwichtig weergeven waar mensen zich in vroeger eeuwen druk over maakten? Ho maar. Voor zaken waarvan toen vrijwel iedereen in vuur en vlam raakte, loopt nu bijna niemand meer warm. Maar verschijnselen die zich ooit aan de rand van de samenleving afspeelden, trekken hordes historici aan.

De idiootste vorm van geschiedschrijving tref je aan in handboeken over de geschiedenis van de filosofie. Die gaan per se niet over wat men in vroeger tijden als wijsbegeerte beschouwde. Het maakt niet uit welk boek je pakt, voor de tijd tussen de Renaissance en de Franse Revolutie tref je altijd ongeveer hetzelfde rijtje namen aan. Voor een groot deel betreft het lieden die in hun eigen tijd omstreden waren, min of meer in de marge van het intellectuele leven vertoefden, en wier geschriften nogal eens verboden werden. Onruststokers. Outsiders.

Sommigen zijn overigens terecht bekend gebleven. Descartes bijvoorbeeld, die zo graag met rust gelaten werd. Zijn denkbeelden vonden na enkele decennia ruime ingang aan de universiteiten. Ook al vergiste hij zich in menig opzicht, hij was een wetenschapper die serieus zijn best deed in de wiskunde, de optica en nog wat disciplines.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Dat kun je van Spinoza niet zeggen. Zijn denken valt slechts te begrijpen tegen de achtergrond van de Wetenschappelijke Revolutie van de zeventiende eeuw, en zelf leverde hij geen enkele fundamentele bijdrage aan de voortgang van de wetenschap. Het is eerder andersom. Spinoza behoort tot het soort lieden dat erin slaagt uit de helderheid van de wetenschap een buitengewoon troebel mengsel te brouwen. Je hebt ze ook tegenwoordig bij bosjes: types die niet beseffen waar de grenzen van de menselijke kennis liggen en daarom aan de lopende band overtrokken, niet waar te maken conclusies trekken. In Spinoza hebben ze een prachtige beschermheilige.

Joodse namen

Benedictus Spinoza (1632-1677) deelt het lot van de schilders Rembrandt en Vermeer. Over hun persoonlijk bestaan is heel weinig bekend, maar toch willen vooral Angelsaksische historici graag hun leven beschrijven. Het enige wat er opzit, is veel context te geven. Dat hoeft geen nadeel te zijn. Menig Amerikaan of Engelsman zal niet gauw een handboek over de Nederlandse geschiedenis pakken, maar vindt het best aardig en passant wat over dat merkwaardige landje aan de Noordzee te horen.

Bij Spinoza kunnen de auteurs daarbij ook nog eens uitvoerig uitpakken over joodse geschiedenis. De Spinoza-literatuur vertoont opvallend veel joodse namen en de biografie van Steven Nadler, hoogleraar wijsbegeerte te Wisconsin, kreeg vorig jaar zelfs de ‘Koret Jewish Book Award’. Toch is het de vraag in hoeverre Spinoza iets met het jodendom te maken heeft. Hij groeide weliswaar op in de ex-marraanse gemeenschap in Amsterdam waarin Portugees de moedertaal was. Maar het meest dramatische gegeven in zijn leven is dat hij in 1656, op er-jarige leeftijd, uit de synagoge werd gegooid en geen enkele poging deed om weer in de gemeente te worden opgenomen.

Door zijn verbanning uit de synagoge mochten joden geen contact meer met hem hebben en daarom moest Spinoza zijn bestaan als koopman opgeven. Hij ging over tot het slijpen van microscooplenzen, een respectabel ambacht met wetenschappelijke allure. Het vreemde is dat hij, terwijl hij zo praktisch bijdroeg aan de empirische kennis van de werkelijkheid, daar in zijn filosofie helemaal niets mee deed, maar al zijn kaarten op de rede zette. Hij zat er met zijn eigen ogen bovenop, maar zag niet waar de toekomst van de wetenschap lag!

Alles wat bekend is over het leven van Spinoza, kan waarschijnlijk in twintig bladzijden uitputtend worden weergegeven. Hij verhuisde van Amsterdam naar Rijnsburg en schoof vervolgens nog twee keer een stukje verder op langs de bekende trekschuitroute. Via Voorburg kwam hij in Den Haag terecht. Overal woonde hij bescheiden op kamers. In zijn vrije tijd studeerde hij ijverig en soms schreef hij brieven. Twee boeken, waaronder de Tractatus theologico-politicus, publiceerde hij bij leven; enkele andere titels, waaronder zijn hoofdwerk, de Ethica, verschenen een jaar na zijn dood. Veel meer valt er niet te melden.

Maar omdat Spinoza in later eeuwen zo bekend is geworden, is elke archiefsnipper die over hem gevonden wordt een sensatie, die onmiddellijk tot een afzonderlijk artikel leidt. Nadler heeft al die publicaties bekwaam op een rijtje gelegd en vertelt ze onopgesmukt na. Zo krijgen ook een vechtpartijtje of getuigenhandtekening onder een willekeurige notarisakte al gauw enkele alinea’s.

Het geestesleven in de Republiek komt in het boek juist totaal niet uit de verf. Theologen als Jacobus Arminius en Johannes Coccejus worden doodleuk ‘vrijzinnig’ genoemd, wat natuurlijk nonsens is. Nadler wekt de indruk dat Spinoza met een paar medestanders als enige bij zijn verstand was. De rest van zijn de tijdgenoten, en vooral de dominees, lijken allemaal compleet van lotje getikt. Fanatiek zijn ze steevast. Hoe de Republiek met zoveel loslopende gekken toch zo tolerant kon zijn, blijft onduidelijk. Nadler geeft daarentegen wel weer veel overbodige informatie. Zo legt hij eerst uitvoerig uit op hoeveel soorten manieren sefardische joden iemand in de ban konden doen, waarna hij vervolgens meedeelt dat die onderscheidingen in Amsterdam niet werden toegepast.

Arrogant

De hoofdlijnen van Spinoza’s filosofie, vooral van de Ethica, vertelt Nadler duidelijk na. Ik doe dat hier niet nog eens dunnetjes na. Natuurlijk schreef Spinoza interessante dingen over religie, politiek, natuur, en menselijke emoties, maar het essentiële punt lijkt me toch, dat de man te veel meende te weten. Zijn denken valt alleen te begrijpen vanuit de sensationele vorderingen die de natuurwetenschap in zijn eeuw maakte. Het was ook niet niets dat wiskunde, een product van het menselijk verstand, tot kennis van de natuur leidde. En dat de natuur mechanisch begrepen kon worden! En dus draafde Spinoza braaf door en dacht hij dat alles vanuit de rede begrepen kon worden. Hij verwarde causaliteit met noodzakelijkheid. En ethiek probeerde hij wiskundig te funderen.

Spinoza dacht nog dat de hele natuur en het hele leven uiteindelijk met even grote precisie gekend konden worden. Wij hebben leren leven met de indeling van de wereld in twee of meer wetenschappelijke culturen. Er is zachte en harde kennis. Er zijn feiten en meningen. Sommige dingen weten we tamelijk zeker, veel is in principe voor verbetering vatbaar. Veel is hypothetisch en ongelooflijk veel zullen we nooit weten. Noch de methodische twijfel van Descartes noch de arrogante metafysische betweterij van Spinoza heeft nog waarde.

In zijn eigen tijd, de vroege Verlichting, heeft Spinoza’s rationalistische religiekritiek enige invloed gehad. Later werd hij door Hemsterhuis en Nieuhoff, Lessing en Hegel herontdekt. Het negentiende-eeuwse atheïsme ontdekte hem nog eens. Toen hadden zijn denkbeelden een functie. Spinoza is een vader van het moderne denken. Nu is hij het alleen nog interessant voor dogmatische geesten.

Het is niet eerlijk. Elektronische database Picarta telt alleen dit jaar al 33 titels over Spinoza. Gisbertus Voetius, de Utrechtse theoloog die enkele maanden voor Spinoza overleed krijgt maar één hit, terwijl die man voor kennis van het zeventiende-eeuwse geestesleven zeker vijftig keer zo belangrijk is. Nadler schreef een aardig boek, maar de geschiedwetenschappers maken een zootje van het verleden.

Steven Nadler, Spinoza

535 p. Atlas ƒ 69,90