Home BEROOID. DE BEROOFDE JODEN EN HET NEDERLANDSE RESTITUTIEBELEID SINDS 1945 door Gerard Aalders, 464 p. Boom ƒ49,90; na 1 mei ƒ 59,90 DE KLEINE SJOA. JODEN IN NAOORLOGS NEDERLAND door Isaac Lipschits,

BEROOID. DE BEROOFDE JODEN EN HET NEDERLANDSE RESTITUTIEBELEID SINDS 1945 door Gerard Aalders, 464 p. Boom ƒ49,90; na 1 mei ƒ 59,90 DE KLEINE SJOA. JODEN IN NAOORLOGS NEDERLAND door Isaac Lipschits,

Regina Grüter

Gepubliceerd op: 8 mei 2001

Update 7 april 2020

Wat doet een historicus die al enkele jaren op een onderwerp zit waar niemand belangstelling voor heeft, als historici, juristen, politici en journalisten over de hele wereld het plotseling ontdekken en overnemen? Dat overkwam Gerard Aalders. Hij pioneerde al vanaf 1991 in het onderzoek naar roof en rechtsherstel, toen in 1995 de internationale discussie over het in de nazi-tijd geroofde joodse bezit losbarste. Aalders ging stug door; hij maakte gebruik van zijn voorsprong en presenteerde zich tijdens de discussies als expert.

In 1999 publiceerde hij zijn eerste boek over het onderwerp, Roof, over de roof van joods bezit tijdens de Tweede Wereldoorlog. Bij het onlangs verschenen vervolg, Berooid. De beroofde joden en het Nederlandse restitutiebeleid sinds 1945, blijken de scherpe kanten van de discussie inmiddels te zijn weggeslepen. Er zijn inmiddels honderden rapportpagina’s over het rechtsherstel van geroofde joodse bezittingen gepubliceerd door onderzoekers van de commissies Kordes, Van Kemenade en Scholten. Daarnaast hebben overheid, verzekeraars, banken en effectenbeurs miljoenen ter beschikking gesteld om wat met het rechtsherstel niet goed was gegaan alsnog enigszins recht te zetten.
De vraag dringt zich op wat nog de verdienste is van Aalders’ boek, ruim een jaar na het verschijnen van al die rapporten en financiële regelingen. Die is voornamelijk dat hij heel veel feiten bij elkaar heeft gezet en gepubliceerd, zodat iedereen ervan kennis kan nemen. Zeer uitvoerig schetst Aalders de achtergronden, voorbereiding en uitvoering van het Nederlandse rechtsherstel. Vooral op het rechtsherstel van effecten en de opsporing van geroofde kunst gaat hij zeer uitgebreid in. Hij behandelt ook de restitutie van andersoortig bezit, zoals banksaldi, verzekeringen, onroerend goed, hypotheken, bedrijven en allerlei materiële zaken. Hiervoor heeft hij duidelijk minder belangstelling; dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat hij maar weinig bronnen uit de verschillende bedrijfstakken zelf heeft geraadpleegd.
Aalders besteedt ook aandacht aan de hype rond de joodse tegoeden die in 1995 begon, en de totstandkoming van de regelingen tussen de joodse organisaties en verzekeraars, overheid, banken en Amsterdamse effectenbeurs. Maar op de prangende vraag hoe komt het dat de kwestie van roof en rechtsherstel pas vijftig jaar na dato op de politieke, journalistieke en historische agenda kwam, gaat hij helaas niet in.

Economische belangen
Aalders’ conclusies verbazen niet, gezien zijn eerdere uitspraken in het publiek debat: het rechtsherstel is goed verlopen, ‘onder voorbehoud’ dat bezit dat was verdwenen of waarvan de roof niet goed was geadministreerd, niet kon worden gerestitueerd. Het rechtsherstel was tenslotte geen smartengeld- of schadevergoedingsregeling. De Raad voor het Rechtsherstel krijgt een pluim, maar op de overheid en vooral minister van Financiën P. Lieftinck heeft Aalders veel kritiek. Zij stelden de `haute finance’ in de gelegenheid de wetgeving inzake het effectenrechtsherstel te beïnvloeden ten gunste van beurs en banken. Vooral Lieftinck heeft zijn oren laten hangen naar ‘verzekeraars, banken en effectenbeurs’.
Dat is zeer zeker waar voor de laatste twee. Maar het is opmerkelijk dat Aalders zich hier laat leiden door de anachronistische nadruk die sinds 1995 wordt gelegd op de triade van de ‘haute finance’, waarbij de verzekeraars in één adem worden genoemd met beurs en banken. De Nederlandse verzekeringsmaatschappijen speelden in de jaren veertig een veel kleinere rol dan de grote, internationaal opererende bank-verzekeringconcerns van nu. Hier wreekt zich zijn onevenwichtige behandeling van de deelgebieden van het rechtsherstel: net als in zijn boek Roof gaat hij maar oppervlakkig in op de problematiek rond de geroofde verzekeringen.
Uit het verzekeringenrapport van de Commissie Scholten blijkt dat Lieftinck de verzekeraars juist niet erg ter wille is geweest. De minister van Financiën had veel minder belang bij steun aan de verzekeringsbranche, omdat het bij de geroofde verzekeringen ging om ‘maar’ 25 miljoen gulden. Bij de effecten ging het om enkele honderden miljoenen, en de problematiek rond het effectenrechtsherstel zorgde voor complicaties op de internationale markt. De historicus P.W. Klein veronderstelt in het rapport van de Commissie Van Kemenade dat naar mate de economische belangen groter waren er meer misging met het rechtsherstel. Aalders laat in zijn boek overigens wel overduidelijk zien hoezeer de wederopbouw de praktijk van het rechtsherstel bepaalde.

Met ambachtelijk archiefonderzoek heeft Aalders een enorme hoeveelheid feiten bij elkaar gezet, waardoor zijn boek vooral constaterend is. Hij heeft de kans niet aangegrepen om de vele door de commissies verzamelde feiten te gebruiken in een diepergaande analyse en synthese. Ook gaat hij niet in discussie met historici die tot andere conclusies komen dan hijzelf. Zo negeert hij het oordeel van rechtshistoricus W. Veraart, auteur van het `deelrapport Effecten’ van de Commissie Scholten, dat het effectenrechtsherstel uiteindelijk wel degelijk heeft gefaald. Volgens Veraart voldeed het niet aan de kerngedachte van de herstelwetgeving, dat degene die tijdens de bezetting willens en wetens had geparticipeerd in de roofpraktijken het geroofde moest teruggeven aan de oorspronkelijke eigenaar of de geleden schade aan hem moest vergoeden. Aalders gaat er niet op in en noemt zelfs het rapport van Veraart niet in zijn literatuurlijst, wat een vertekend beeld geeft van het onderzoek op dit terrein.

Vleesgeworden verbittering
Bijna gelijktijdig met Aalders’ boek verscheen De kleine sjoa. Joden in naoorlogs Nederland van Isaak Lipschits. Deze emeritus hoogleraar eigentijdse geschiedenis uit Groningen is de vleesgeworden verbittering over de vervolging die zijn volk door de nazi’s is aangedaan. Hij onderscheidt zich duidelijk van iemand als de historicus Jacques Presser, auteur van Ondergang, de in 1965 verschenen studie naar de jodenvervolging in Nederland. Die liet zijn emoties in zijn onderzoek doorschemeren, maar hij streefde tegelijkertijd objectiviteit na. Daardoor won zijn geschiedschrijving, ondanks een enkele misser, aan geloofwaardigheid.

Lipschits zegt in zijn voorwoord dat hij met zijn boekje geen wetenschappelijke en objectieve pretenties heeft: het is recht uit zijn hart geschreven. Voetnoten ontbreken dan ook, om de schijn van wetenschappelijkheid te vermijden.
In 36 paragrafen somt Lipschits evenzovele misstanden op. Het gebied dat hij behandelt is ruimer dan het rechtsherstel: de schadevergoedingsregelingen uit naoorlogs Duitsland, de strijd om de oorlogsweeskinderen, vergelijkingen met de behandeling van NSB-ers en verzetsstrijders. Alles wat er mis ging voert hij aan om te bewijzen dat de Nederlandse overheid een ‘kleine sjoa’ uitvoerde – wat iets betekent als kleine vernietiging, verwoesting, duisternis of ondergang. Zo suggereert hij dat de Nederlandse overheid ervoor koos om het rechtsherstel lang te laten duren en de controle van joodse aanvragen voor schade-uitkeringen nauwkeurig te controleren vanwege de werkgelegenheid van al die ambtenaren die met dit werk bezig waren. Geld dat voor de joden bestemd was vloeide hierdoor naar de overheidskas.
Lipschits vraagt zich af of het niet beter was geweest als er helemaal geen wetgeving voor het rechtsherstel was ontwikkeld, zo slecht is het volgens hem verlopen. Meer objectiviteit was in Lipschits’ boek op zijn plaats geweest: het beeld dat hij schetst is vertekend en bij het uitgangspunt – de kleine sjoa – passen vraagtekens. De houding van de Nederlandse overheid ten opzichte van de teruggekeerde joden is immers niet te vergelijken met de opzettelijke uitroeiing door het nazi-bewind.
Maar in het boek van Aalders ontbreekt, behalve een grotere dosis synthese, juist de aandacht voor de ervaringen van de mensen zelf. Het gaat veel minder dan de titel suggereert over de beroofde joden, meer over cijfers en tabellen, over politici, rechters, bankiers, effectenhandelaren en advocaten. Schrap het grootste gedeelte van de ‘honderden monografieën’, die volgens Aalders nog over dit onderwerp geschreven kunnen worden. Laten we de restitutie van het grote geld even liggen en eens wat meer aandacht besteden aan de mensen achter de kleine cijfertjes.

Regina Grüter is historica en auteur van het ‘deelrapport Levensverzekeringen’ van de Commissie Scholten.

Nieuwste berichten

Tienduizenden Marokkanen proberen bij Ceuta de grens over te steken.
Tienduizenden Marokkanen proberen bij Ceuta de grens over te steken.
Interview

Spanje wilde Ceuta niet afstaan als het Gibraltar niet kreeg

Tienduizenden Marokkaanse jongeren staken massaal de grens over bij de Spaanse exclave Ceuta. Paolo De Mas, voormalig directeur van het Nederlands Instituut Marokko, legt uit hoe Ceuta eeuwen geleden in Spaanse handen kwam en bleef. ‘Voor Marokko is Ceuta een handzaam middel om pijnlijke politieke druk uit te oefenen op Spanje.’ Na nepnieuws en oproepen...

Lees meer
Soldaten bestormen het strand van Normandië in Pressure.
Soldaten bestormen het strand van Normandië in Pressure.
Artikel

Metereologen ruziën over D-Day in film ‘Pressure’

Weersvoorspelling een saai onderwerp? Niet als het verloop van een oorlog ervan afhangt. Het op feiten gebaseerde Pressure toont de hoogoplopende ruzie tussen geallieerde meteorologen over de verwachting voor D-Day. Bedolven onder tegenstrijdige adviezen moet opperbevelhebber Dwight Eisenhower beslissen over de invasiedatum. Als D-Day een maand eerder was gepland, waren meteorologen het volstrekt met elkaar...

Lees meer
Vijftiende-eeuwse bruiloft in Florence, door Giovanni di ser Giovanni Guidi.
Vijftiende-eeuwse bruiloft in Florence, door Giovanni di ser Giovanni Guidi.
Interview

In Florence waren niet de huizen, maar de huwelijken onbetaalbaar

Wie een woning wil, moet vaak overbieden: twee derde van de huizen in Nederland wordt boven de vraagprijs verkocht. In de Renaissance hadden Florentijnen ook last van overbiedingsgekte: doordat rijke families de prijs opdreven, ontstond er ‘bruidsschatsinflatie’, vertelt historicus Marlisa den Hartog. ‘Bruidsschatten werden een financiële markt op zich.’ Hoe zag de vijftiende-eeuwse Italiaanse huwelijksmarkt...

Lees meer
Archeologen leggen de fundering van een Romeins badhuis bloot in Nijmegen, 2026.
Archeologen leggen de fundering van een Romeins badhuis bloot in Nijmegen, 2026.
Interview

Nieuwbouwwijken op Romeinse ruïnes: hoe kunnen we erfgoed bewaren?

Bij archeologische opgravingen in Nijmegen is het grootste Romeinse badhuiscomplex in Nederland ontdekt. Maar op de plek van de opgraving wordt binnenkort een nieuwe woonwijk gebouwd. Hoogleraar Monique van den Dries legt uit hoe archeologen en projectontwikkelaars elkaar kunnen helpen om Nederlands erfgoed zichtbaar te bewaren. Over een paar jaar staat het Nijmeegse Waalfront vol...

Lees meer
Loginmenu afsluiten