Home Baas in eigen bank

Baas in eigen bank

  • Gepubliceerd op: 28 februari 2012
  • Laatste update 26 sep 2023
  • Auteur:
    Paul van der Steen
  • 11 minuten leestijd
Baas in eigen bank

In de negentiende eeuw schoot de Duitse burgemeester Friedrich Raiffeisen zijn inwoners te hulp met meel en zaaigoed. Zijn Weyerbuscher Brodverein en de Flammersfelder Hilfsverein vormden de voorlopers van de latere coöperatieve banken. Samen konden ook de kleine man en vrouw een zekere zelfstandigheid bereiken. In de huidige Rabobank leven Raiffeissens ideeën ook in Nederland nog voort.

Ellende stapelde zich op in het Nederland van de jaren 1846 en 1847. De aardappelziekte hield huis. Een lange, hete zomer en een muizenplaag bedierven veel andere oogsten. Besmettelijke ziekten heersten. Tot overmaat van ramp bleek de winter die de overgang tussen de twee jaren markeerde lang en koud. Een deel van het hongerige volk van Nederland begon zich te roeren. Verschillende steden meldden opstootjes.

Nederland was verre van uniek. Ook elders sloeg de crisis in volle hevigheid toe. Alleen al in Ierland kwam ruim een miljoen mensen om van de honger. Hunkerend naar nog enig toekomstperspectief emigreerden veel anderen naar de Verenigde Staten. Het land was voor generaties getekend. In een groot deel van Europa knorden de magen en groeide de onvrede over bestaande verhoudingen. Niet voor niets zou 1848 het grote jaar van de revoluties worden.

Portret van Raffeissen. Afbeelding collectie Bedrijfshistorie Rabobank Nederland.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

De ene streek zuchtte harder onder de omstandigheden dan de andere. Het Westerwald, een regio ten oosten van Keulen en Koblenz, had het extreem moeilijk. Met weinig vruchtbare grond en een bars klimaat konden boeren er normaal gesproken maar net rondkomen. Vermogen en voorraden opbouwen lukte niet of nauwelijks.

Sinds de Middeleeuwen waren de maatschappelijke verhoudingen nauwelijks veranderd. Mensen leefden van dag tot dag. Woekeraars maakten misbruik van de situatie door krediet beschikbaar te stellen tegen torenhoge rentes. Als agrariërs in gebreke bleven moesten ze een deel van hun geringe bezittingen opgeven.

Op die manier werd de toestand alleen maar uitzichtlozer. In de Pruisische Landdag zei de nog maar kort daarvoor verkozen afgevaardigde Otto von Bismarck dat hij geen gebied kende waar het lot zo onbarmhartig had toegeslagen als in het Westerwald.

Meel als voorschot

Friedrich Wilhelm Raiffeisen was in 1845 als twintiger burgemeester geworden van de straatarme gemeente Weyerbusch, die bestond uit ruim twintig verspreid gelegen dorpen. De misoogst van 1846 en de daaropvolgende hongerwinter stelden de bestuurder voor de eerste grote crisis in zijn loopbaan. Uit de koninklijke magazijnen van Pruisen kreeg Weyerbusch een voorraad meel toegewezen. De regels schreven voor dat de porties alleen tegen contante betaling mochten worden uitgegeven. Dat hield in dat degenen die het meel het hardst nodig hadden geen enkele kans maakten.

Dat kon niet, vond Raiffeisen. De burgemeester gaf voorrang aan zijn geweten. Hij verstrekte meel als een soort voorschot. Inwoners konden hun schuld later inlossen door mee te werken aan de bouw van scholen, wegen en andere openbare voorzieningen. Raiffeisen ging nog verder. Hij zorgde voor een bakhuis dat van het meel tegen redelijke prijzen broden bakte. Zo probeerde hij te voorkomen dat speculanten een slaatje sloegen uit de honger. De organisatie van dit alles kwam in handen van de Verein für Selbstbeschaffung von Brod und Früchten, later bekend geworden als de Weyerbuscher Brodverein en een vroege voorloper van de coöperaties.

Inwoners konden hun schuld inlossen door mee te werken aan de bouw van scholen, wegen en andere openbare voorzieningen

De landraad, het bestuur op districtsniveau, berispte Raiffeisen voor zijn optreden. De burgemeester zondigde tegen de regels. Maar na het zien van de resultaten moest de raad op het aanvankelijke standpunt terugkomen en zwaaide Raiffeisen zelfs lof toe. Die had na de hongerwinter ook zaaigoed beschikbaar gesteld tegen dezelfde voorwaarden waaronder eerder meel en brood verdeeld waren. Het bestaan in Weyerbusch bleef karig, maar het ergste leed was daardoor geleden. Het principe van zelfhulp had gewerkt.

Burgemeestersambt

Bestaanszekerheid was er nauwelijks in de negentiende eeuw. Het lot kon zich zomaar tegen je keren. Het leven van Friedrich Wilhelm Raiffeisen was vergeven van dit soort keerpunten: armoede, ziekten en overlijden zetten zijn bestaan steeds weer op de kop.

Hij werd geboren in Hamm an der Sieg op 30 maart 1818, vijf dagen voordat in Trier, aan de andere kant van de Rijn, Karl Marx ter wereld kwam, die een nog radicaler antwoord op het sociale vraagstuk zou formuleren. Raiffeisen zag het levenslicht in een periode waarin Europa nog aan het bijkomen was van het tijdperk-Napoleon. Het Westerwald was op het Congres van Wenen, waar nieuwe grenzen werden getrokken in Europa, toegevallen aan Pruisen.

Onder die nieuwe verhoudingen had vader Gottfried Friedrich Raiffeisen in Hamm an der Sieg het burgemeestersambt gekregen. Na een paar jaar raakte hij geestelijk de weg kwijt. Waarom is niet precies duidelijk. Het kostte hem in elk geval zijn positie. Raiffeisen senior overleed pas bijna drie decennia later, maar in wezen bestierde zijn vrouw vanaf begin jaren twintig van de negentiende eeuw het huishouden als een weduwe, met alle armoede en onzekerheid die daarbij hoorden.

Friedrich Wilhelm, met zes zussen en twee broers onder zich, had het geluk dat hij in de gloriedagen van zijn vader was geboren. Bij zijn doop waren de dorpsonderwijzer en de dominee getuigen, en die namen hun verantwoordelijkheid na het wegvallen van vader Raiffeisen serieus.

Vrijwillig in dienst

Op de dorpsschool werd de kinderen slechts elementair lezen, schrijven en rekenen bijgebracht. De dominee gaf Friedrich Wilhelm daarna drie jaar lang privéonderwijs. Raiffeisen vertelde later dat het daar niet bij bleef. De geestelijke gaf de jongen ervan langs met de onderkant van het klokkentouw in de toren, als hij dat pedagogisch noodzakelijk achtte.

Onder invloed van zijn leermeester groeide Friedrich Wilhelm uit tot een serieuze, studieuze en zeer gelovige jongeman. Waarschijnlijk koos hij niet uit passie voor een loopbaan in het Pruisische leger. Maar voor jongens zoals hij, opgegroeid in niet al te welgestelde milieus, bracht de krijgsmacht mogelijkheden die elders niet voor hen waren weggelegd.

Als 17-jarige nam hij vrijwillig dienst bij de Zevende Artillerie-Brigade in Keulen. Drie jaar later verkaste hij – inmiddels onderofficier – naar de Inspectieschool in Koblenz, waar Raiffeisen met name op het gebied van de bètavakken veel nieuwe kennis opdeed. Na voltooiing van zijn opleiding werd hij toezichthouder namens het leger in een ijzergieterij in Sayn vlak bij Koblenz. Daar werden onder meer kanonnen voor het Pruisische leger vervaardigd.

Heel Duitsland verkeerde midden negentiende eeuw in crisis. Deze dakloze familie woont in een hut bij Berlijn. Afbeelding ANP/AKG.

Raiffeisen kon dat werk maar kort doen. Hij kreeg last van zijn ogen, wellicht omdat hij in de gieterij te lang in het vuur had gekeken. In 1843 werd hij afgekeurd. Op zijn vijfentwintigste moest Raiffeisen opnieuw beginnen. Hij had geluk dat Pruisen voormalige militairen mogelijkheden bood tot voortzetting van hun carrière in overheidsdienst. De ex-officier greep die kans aan en volgde opnieuw een opleiding in Koblenz, om daarna te verkassen naar Mayen in de Eifel, voor het vervullen van het ambt van Kreis-secretaris.

In Weyerbusch werd Raiffeisen voor de eerste keer burgemeester. Hij kon nu ook gaan trouwen. Dat kostte enige overredingskunst. Zijn verloofde Emilie Storck, een apothekersdochter uit Remagen, was het stadsleven in het Rijn-dal gewend. Tijdens een eerste bezoek aan het Westerwald zag ze vooral veel arme boeren en niets wat op een cultureel leven leek. Toch stemde ze in met een huwelijk. Het paar kreeg zeven kinderen, van wie er drie al als jong kind overleden.

Raiffeisen bleef drie jaar in Weyerbusch. Daarna werd hij burgemeester in het eveneens in het Westerwald gelegen Flammersfeld, enigszins vergelijkbaar met zijn eerste gemeente, maar dan met meer dorpen. Vier jaar later volgde een promotie naar Heddesdorf in het Rijn-dal, tegenwoordig één stad met het iets ten noorden van Koblenz gelegen Neuwied.

Waar hij op zijn oude standplaatsen voornamelijk te maken had met boeren, bestuurde Raiffeisen hier een gemeenschap met veel handwerkslieden en arbeiders. Verder zag hij niet zoveel verschil. Ook hier moesten de meeste mensen dagelijks knokken voor hun bestaan. Na de Weyerbuscher Brodverein en de Flammersfelder Hilfsverein richtte de burgemeester de Heddesdorfer Wohltätigkeitsverein op. Steeds overtuigde hij zich eerst van de steun van notabelen als onderwijzers en geestelijken. Hij had minstens een paar mensen nodig met wie hij letterlijk kon lezen en schrijven.

Ondertussen kreeg Raiffeisen de nodige tegenslagen te verwerken. Zijn vrouw Emilie kreeg last van een hartkwaal en overleed in 1863 op 36-jarige leeftijd. Haar weduwnaar ging nog in hetzelfde jaar sukkelen met zijn gezondheid, toen hij tijdens een tyfusepidemie op ziekenbezoek ging. Gevolg was dat Raiffeisens oogkwaal verergerde. Uiteindelijk werd hij blind. In 1865 moest hij noodgedwongen zijn post als burgemeester opgeven.

Coöperatieve bank

Zijn ondernemingslust leed niet onder al die tegenslagen. Juist in deze moeilijke jaren veroverde hij definitief zijn plek in de geschiedenisboeken. Door ervaring wijs geworden begon Raiffeisen in te zien dat alleen charitas een te smalle basis vormde onder de door hem noodzakelijk geachte hulpverlening.

In 1864 richtte Raiffeisen de Heddesdorfer Darlehnskassen-Verein op, niet zoals zijn vorige organisaties gebaseerd op liefdadigheid, maar een echte coöperatieve bank. In 1866 verscheen een boek waarin hij zijn ideeën uiteenzette: Die Darlehnskassen-Vereine als Mittel zur Abhilfe der Noth der ländlichen Bevölkerung, sowie auch der städtischen Handwerker und Arbeiter. Praktische Anleitung zur Bildung solcher Vereine, gestützt auf sechzehnjährige Erfahrung als Gründer derselben.

Een jaar later verscheen het eerste deel van Marx’ Das Kapital. Communisten spraken elkaar aan als Genosse. De coöperaties die Raiffeisen en anderen voorstonden, heetten in het Duits Genossenschaften. Maar Raiffeisen moest niets hebben van Marx’ radicale oplossingen. Hij was geen voorstander van morrelen aan de bestaande orde. Hij wilde mensen bestand maken tegen de barre omstandigheden. Andersom kwamen de communisten wel met hun varianten van de coöperatie.

Raiffeisen betoogde in zijn boek dat er een directe relatie bestond tussen armoede en afhankelijkheid. Hij stelde zelfhulp, zelfbestuur en zelfredzaamheid centraal. In gezamenlijkheid konden ook de kleine man en vrouw een zekere zelfstandigheid bereiken. Het maakte hen misschien niet bestand tegen alle klappen die ze konden oplopen, het nam wel de ergste bestaansonzekerheid weg en bood in betere tijden uitzicht op kleine stapjes vooruit.

Raiffeisen betoogde dat er een directe relatie bestond tussen armoede en afhankelijkheid

In de praktijk leidden Raiffeisens ideeën tot coöperatieve banken die een kleine regio bestreken – omdat men daardoor meer wist over de kredietvragers werd het risico beperkt. Leden hadden een gelijke en onbeperkte aansprakelijkheid en kozen uit hun eigen gelederen een onbezoldigd bestuur. De werkzaamheden van de op te richten instellingen kostten geld, maar veel hoefde dat niet te zijn. Volgens Raiffeisen hoefde er hooguit 1 procent te zitten tussen de rentepercentages van leners en spaarders.

De banken met hun menselijke maat en een lokaal werkterrein konden eventueel aansluiting zoeken bij een coöperatieve centrale bank. Raiffeisen bracht dat idee zelf in praktijk door de oprichting van de Rheinische Landwirtschaftlichen Genossenschaftsbank in Neuwied. In 1877 volgde een nationale koepel.

Raiffeisen werd niet rijk van zijn coöperatieve ideeën. Zijn bestuurderspensioentje schoot tekort om zijn oude, vrij sobere leefstijl voort te zetten. Daarom ging hij in zaken. Activiteiten als sigarenfabrikant werden geen succes. Als wijnhandelaar slaagde hij wel. Ook in deze sector verspreidde hij overigens zijn gedachtegoed.

Begin jaren tachtig van de negentiende eeuw begon Raiffeisen te denken over een rustige oude dag. Hij zorgde voor een opvolger, maar omdat die gezondheidsproblemen kreeg, pakte de Westerwalder al snel zijn oude werk weer op. Lichamelijk eiste de ouderdom al flink zijn tol, maar bezoekers waren onder de indruk van de begeestering waarmee Raiffeisen zijn werk voortzette.
Hij riep ook weerstand op. Met name in liberale hoek ergerden mensen zich aan de religieuze en morele saus waarmee Raiffeisen zijn leer overgoot. Ze vonden zijn optreden veel te bevoogdend.

Otto von Bismarck noemde coöperaties ‘oorlogskassen voor de democratie’

In katholieke kring aarzelde men ideeën van een protestant over te nemen, maar naarmate de tijd verstreek gaven steeds meer bisdommen toestemming voor coöperaties. Wereldlijke autoriteiten wantrouwden de verenigingen waarmee het volk zich minder kwetsbaar probeerde te maken nogal eens. Een minder afhankelijke massa betekende ook een mondigere massa. Otto von Bismarck noemde coöperaties ‘oorlogskassen voor de democratie’.

Aan het keizerlijk hof zag men wel de waarde van het werk. Wilhelm I bedacht de oprichter van zovele coöperaties met een onderscheiding en schonk 30.000 mark aan een van zijn banken. Toen Raiffeisen in 1888 op 70-jarige leeftijd overleed, hoorde – dichter bij huis – de vorst Zu Wied tot de treurenden: ‘Ik heb een vriend verloren, van wie ik veel geleerd heb.’

Meer weten

  • Een degelijk overzicht van het leven Raiffeisen en de invloed van zijn gedachtegoed biedt Raiffeisen. Der Mann, die Idee und das Werk (1988) van Rudolf Maxeiner, Gunter Aschhoff en Herbert Wendt.
  • Michael Klein, hoogleraar kerkgeschiedenis in Heidelberg en predikant in de kerk in Hamm an der Sieg, waar Raiffeisen een belangrijk deel van zijn kennis opdeed, schreef twee boeken over de beroemdste zoon van zijn standplaats: Bankier der Barmherzigkeit. Friedrich Wilhelm Raiffeisen (2008) en Leben, Werk und Nachwirkung des Genossenschaftsgründers Friedrich Wilhelm Raiffeisen (1818-1888). Dargestellt im Zusammenhang mit dem deutschen sozialen Protestantismus (1997).
  • Keetie Sluyterman was met een aantal anderen verantwoordelijk voor een inzichtelijke en rijk geïllustreerde bedrijfsgeschiedenis van de Rabobank en haar voorgangers: Het coöperatieve alternatief. Honderd jaar Rabobank 1898-1998 (1998).
  • De bundel Een eigen koers. Coöperatief bankieren in turbulente tijden (2009) onder redactie van Joke Mooij en Wim Boonstra voegt daar het perspectief van de kredietcrisis van 2008 aan toe, maar blikt ook terug op de Rabobank tijdens de malaise in de jaren dertig.

Openingsbeeld: Raiffeisens ideeën kregen navolging in Nederland. Deze bank is een dag eerder overvallen. 15 augustus 1965. Foto ANP/Andre van den Heuvel