Home Dossiers Nederlands-Indië Antisemitisme in Nederlands-Indië: de roep van het Oosten

Antisemitisme in Nederlands-Indië: de roep van het Oosten

  • Gepubliceerd op: 24 augustus 2022
  • Laatste update 08 nov 2022
  • Auteur:
    Sietske van der Veen
  • 12 minuten leestijd
Antisemitisme in Nederlands-Indië: de roep van het Oosten
Cover van
Dossier Nederlands-Indië Bekijk dossier

Steeds meer Joden vertrokken vanaf 1870 naar Nederlands-Indië. Ze konden er carrière maken en het provinciale Nederland ontvluchten. Als witte Europeanen maakten ze er bovendien deel uit van de elite. Toch lag antisemitisme altijd op de loer.

In 1893 was de jonge twintiger Emanuel Moresco al bijna zes jaar bezig met de vooropleiding tot diplomaat. Consul wilde hij worden, een hoge vertegenwoordiger van zijn vaderland in het buitenland. Het examen voor leerling-consul had hij in 1888 met succes afgelegd. Baantjes als klerk bij een bank en de overheid volgden. Maar van de ene op de andere dag hielp Buitenlandse Zaken zijn gedroomde toekomst om zeep: Joden werden niet tot consul benoemd, zo werd hem medegedeeld. Het roer moest om. En waar kon hij beter alsnog een buitenlandse carrière in overheidsdienst vervullen dan in Nederlands-Indië?

Deze ‘exploitatiekolonie’ bij uitstek trok al vanaf de eerste helft van de negentiende eeuw kolonisten uit alle windstreken. Na 1870, toen de archipel werd opengesteld voor particuliere Europese ondernemers, nam de economische voorspoed alleen maar toe. Net als niet-Joodse Europeanen zagen ook Joden er nieuwe kansen. Bij de koloniale overheid of het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Of bij cultuurondernemingen, plantages die suiker, tabak, koffie en thee produceerden voor de internationale markt. En ook bij de banken en handelsfirma’s die deze plantages faciliteerden. De keuze van Emanuel Moresco om als ambtenaar naar ‘de Oost’ te vertrekken zou al spoedig lonend blijken.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Hoogtijdagen

Rond de vorige eeuwwisseling groeide de Europese bevolking van Nederlands-Indië explosief. Niet alleen door migranten uit Nederland, maar ook door die uit met name Duitsland, Engeland en de Verenigde Staten. Europese Joden vestigden zich, net als niet-Joden, vooral op de eilanden Java, Sumatra, Borneo en Celebes. Na 1900 nam het aantal Europese vrouwen in de kolonie flink toe. Zij kwamen meestal als echtgenotes, samen met hun man of alleen na een ‘huwelijk met de handschoen’, waarbij de ceremonie zonder de echtgenoot al in het moederland was voltrokken. Illustrator Ro Keezer bijvoorbeeld trouwde in december 1937 in Amsterdam bij volmacht met de eveneens Joodse Britse journalist Judah Harrison, die op dat moment in Batavia zat. Nog geen twee jaar later werd ze al weduwe. ‘Heden overleed plotseling in den ouderdom van 37 jaar mijn lieve man,’ schreef ze in een berichtje in het Bataviaasch Nieuwsblad van 13 oktober 1939. Niet lang daarna verliet ze Nederlands-Indië.

Veel Joodse vrouwen volgen hun echtgenoot naar Nederlands-Indië. Foto uit 1916.

Het leven in de kolonie was nooit zonder (gezondheids)risico’s, maar dat hield de migrantenstroom niet tegen. Het Interbellum vormde de hoogtijdagen van de burgermigratie. Die werd aangejaagd door de explosieve vraag naar rubber en olie voor de automobielindustrie. Aan het eind van de jaren dertig reisden 40.000 Nederlandse burgers per jaar heen en weer tussen kolonie en moederland. Want al woonden ze soms decennialang in de kolonie, het verblijf was voor de meeste Europeanen tijdelijk. En ook al nam het aantal Europeanen en Indo-Europeanen – nazaten van Aziatische voormoeders – in de twintigste eeuw toe, zij bleven een geringe minderheid van enkele honderdduizenden op een totale bevolking van 70 miljoen.

Een huwelijk met een Aziatische vrouw betekende sociale zelfmoord

Het aantal Joden in Nederlands-Indië bedroeg lange tijd waarschijnlijk amper meer dan duizend. Maar toen de nazi’s aan de macht kwamen in Duitsland, groeide hun aantal met Duitse, Oostenrijkse en Oost-Europese Joden, op de vlucht voor pogroms en vervolging in Europa.

De Joden in Nederlands-Indië vormden een gemêleerde groep. Naast Europese Joden speelden zogeheten ‘Bagdad-Joden’ een grote rol in de handel. Deze Joden waren oorspronkelijk afkomstig uit de regio rond het huidige Irak, maar kwamen ook vanuit Brits-Indië naar de Indische archipel. Ook waren er kleine aantallen Chinese en Armeense Joden die de kolonie als hun thuisland beschouwden.

Van een Europees-Joodse gemeenschap was lang geen sprake. Er was nauwelijks een georganiseerd religieus leven. Dat veranderde enigszins na de komst van zionisten, maar de Europese religieuze gemeenschap die ontstond kreeg nooit een rabbijn. Omdat er weinig behoefte aan bestond, maar ook omdat de koloniale overheid er geen toestemming voor gaf. Uiteindelijk werd er wel iemand geautoriseerd om besnijdenissen uit te voeren en huwelijksceremonies te leiden. Alleen de Iraakse Joden bouwden een synagoge. De Europese Joden hielden hun bijeenkomsten thuis, of in gehuurde zalen in hotels of vrijmetselaarsloges.

Europese bovenlaag

De Joodse Nederlanders die naar Nederlands-Indië migreerden verschilden op het oog niet van hun niet-Joodse medeburgers. De meerderheid was geboren in een van de grote steden. Velen hadden een connectie met Den Haag, het hart van het koloniale migratiecircuit, en in mindere mate met Arnhem, ‘het Haagje van het oosten’. De meesten migreerden om carrièreredenen – of die van hun partner. Doorgaans niet om hogerop te komen, maar eerder om een sociale val te voorkomen. Bijvoorbeeld als het niet lukte in Nederland een baan te vinden die aansloot op hun sociale milieu of opleiding.

Het gemiddelde opleidingsniveau was hoog, en de midden- en hogere klassen waren oververtegenwoordigd onder de Indiëgangers. Nel Cohen Stuart en Jacques Stokvis bijvoorbeeld konden na hun afstuderen en trouwen de ‘roep van het Oosten’ niet langer weerstaan. Zij, geboren in Semarang, begon in Nederlands-Indië in 1908 als particulier arts een verloskundepraktijk. Hij vond er, eerst als leraar en later als inspecteur van middelbaar onderwijs, de voldoening die de ‘beperkte provinciale onderwijswereld’ in Nederland hem niet gebracht had.

Moeilijke thuissituaties, zoals mislukte zakenavonturen of sterfgevallen binnen de familie, konden een extra trigger zijn om voor migratie te kiezen. Familieleden die al eerder waren afgereisd gaven regelmatig een laatste zetje. Nel en Jacques Cohen Stuart-Stokvis drongen er bij Jacques’ oudere broer Jo op aan om zijn journalistieke loopbaan in Nederlands-Indië voort te zetten. Daar werden ze een hechte drie-eenheid. ‘Wat al pret hebben we mét hem en óm hem gehad!’ schreef Jacques later over Jo.

Maar voor Joodse Indiëgangers konden dieperliggende motieven meespelen om te migreren. Terwijl Joden heel lang niet welkom waren geweest in de Indische archipel, hadden ze nu kans op een betrekking bij het gouvernement. Ze konden een bestuurlijke carrière maken, die ze bij terugkeer in Nederland konden voortzetten. Sommige Joden bereikten al voor de eeuwwisseling zeer hoge posities bij de koloniale overheid. Jacques Henry Abendanon bijvoorbeeld klom op tot raadsheer van het Hooggerechtshof van Nederlands-Indië (1894) en directeur van het departement Onderwijs, Eeredienst en Nijverheid (1900). Twintig jaar later, van 1922 tot 1923, was Emanuel Moresco vicepresident van de Raad van Nederlands-Indië en daarmee de op één na hoogste gezagsdrager in de kolonie. Via een omweg was hij er dan toch gekomen: vertegenwoordiger van Nederland in den vreemde.

Jacques Abendanon bekleedt hoge functies in de kolonie.

Daarnaast verdienden Joden hun boterham in de handel en pionierden ze in de vrije beroepen. Binnen de Europese gemeenschap in Nederlands-Indië vervaagden klassenverschillen bovendien sneller dan thuis. Ook migranten in minder hoge functies verwierven in de kolonie een comfortabele levensstandaard: ze konden veel reizen, hadden vaak grote huizen en meerdere (Aziatische) bedienden. Joden konden deel uitmaken van de kosmopolitische koloniale elite. Dat was te danken aan een mix van nationaliteit, beroepspositie, opleidingsniveau, connecties, welvaart en huidskleur. Hun witte huid gold als belangrijker dan hun Joodse afkomst. Met het juiste economische en sociaal-culturele kapitaal integreerden zij automatisch in de kleine Europese bovenlaag van de koloniale samenleving.

Openlijk antisemitisme

Door hun comfortabele positie als witte Europeanen gingen veel Nederlandse Joden zich anders tot hun achtergrond verhouden. De scherpe verschillen tussen christenen en Joden in het moederland waren in Nederlands-Indië veel minder sterk. Daarnaast kostte het hun moeite om binding te blijven voelen met de Joodse cultuur en religieuze gebruiken. Sommigen wilden dat ook juist niet meer, zeker als ze een orthodox milieu thuis probeerden te ontvluchten. Zo schreef de latere anarchistische journalist Alexander Cohen zich in 1882 als ‘soldaat-schrijver’ in bij het KNIL om te ontsnappen aan zijn autoritaire orthodox-Joodse vader: ‘Ik vond álles goed, als ik maar zoo gauw mogelijk wégkwam.’

‘Ik vond álles goed, als ik maar zoo gauw mogelijk wégkwam’

Velen verruilden het Joodse geloof in de Oost voor de theosofie of vrijmetselarij, populair onder zowel de Europese als Javaanse elites. En Joden werden lid van uiteenlopende koloniale verenigingen en sociëteiten, zoals het Koninklijk Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, de Indische Sociaal-Democratische Arbeiderspartij en het Indo-Europeesch Verbond. Ze deden aan liefdadigheid, vierden Koninginnedag en sinterklaas, en trouwden partners van uiteenlopende achtergronden, Europees en Indo-Europees. Hun vrienden- en kennissenkringen waren zowel divers als uniform; de koloniale elite was in alles namelijk sterk gericht op Nederland.

In Nederlands-Indië was op sommige fronten voor Nederlandse Joden meer mogelijk dan in het moederland. Maar de relatieve openheid van de Europese samenleving in Nederlands-Indië kende grenzen. Zo werden Joden tot 1925 uitgesloten van hoge posities bij de Javasche Bank, de Nederlands-Indische Handelsbank en de Indische scheepvaartmaatschappijen. Tot 1936 weigerde de Nederlandsche Handel-Maatschappij hen zelfs tot het bestuur toe te laten.

Voor sommige Joodse mannen stond trouwen met een Aziatische vrouw bijna gelijk aan sociale zelfmoord. En in de lokale krant Het Nieuws van den Dag voor Nederlandsch-Indië werden regelmatig antisemitische aanvallen op individuele Joden gepubliceerd. Vooral op Joden die niet meegingen in de opvattingen van de witte, politiek liberaal georiënteerde koloniale elite. Socialistische Joden bijvoorbeeld, zoals journalist en politicus Jo Stokvis en statisticus Jacob van Gelderen, die opkwamen voor de rechten van Indonesiërs. ‘Gehaat in Indië zijn zij, (…) die het eigen nationalisme verloochenen om dat van anderen aan te moedigen,’ stond bijvoorbeeld op 18 mei 1931 over hen in die krant.

Toen vanaf de jaren twintig zionisme en Jodendom een belangrijker rol gingen spelen en de zichtbaarheid van Joden als een groep in de kolonie toenam, werd ook het antisemitisme openlijker. De Nationaal-Socialistische Beweging in Nederlands-Indië (NSB) was populair, met 4500 leden op haar hoogtepunt in het midden van de jaren dertig. Het is niet verwonderlijk dat de NSB inwoners van de conservatieve en in essentie racistische koloniale maatschappij aansprak. Maar toen de partij meer de nadruk ging leggen op ‘raszuiverheid’, was het met haar populariteit snel gedaan. Het bleek onmogelijk een ideaal van witte superioriteit hoog te houden in een samenleving waar bijna iedereen een diverse stamboom had. Inmiddels was wel pijnlijk duidelijk dat de Joodse minderheid in Nederlands-Indië nooit geheel op zou gaan in de Europese sociale bovenlaag. Zelfs degenen niet die nauwelijks bezig waren met hun Joods-zijn en vooral ‘kolonialen’ waren. Daarom hielden sommige Joden hun Joodse wortels zo veel mogelijk verborgen.

De NSB was populair in de racistische koloniale maatschappij

Na de Japanse inval in Nederlands-Indië werden de Europese Joden aanvankelijk niet anders behandeld dan andere Europeanen. De Iraakse Joden bleven in eerste instantie zelfs buiten de interneringskampen; de Japanners beschouwden hen als Aziaten. Maar in de tweede helft van 1943 veranderde dit beleid, door groeiend antisemitisme en onder druk van de Duitse bondgenoot. Alle Joden werden toen gevangengezet – op sommige plekken in aparte barakken.

Na de bevrijding door de geallieerden en de Proklamasi van de Republiek Indonesië in 1945, vertrokken de meeste Europese Joden naar Europa. Vanaf de jaren zestig verdwenen ook bijna alle Iraakse Joden uit Indonesië. Vandaag de dag is het Jodendom er geen erkende godsdienst en speelt het antisemitisme regelmatig op; er wonen nog slechts kleine groepen Joden.

 

Sietske van der Veen is promovendus in de moderne Joodse geschiedenis.

 

Omslag bij de VOC

In de tijd van de Verenigde Oost-Indische Compagnie leefden er weinig Joden in de Indische archipel. Zij mochten zich er niet vestigen, omdat de VOC niet in staat zou zijn in hun religieuze behoeften te voorzien. Toch speelden Joodse handelaren uit de Arabische wereld een belangrijke rol in het handelsnetwerk tussen India en China. En bij krapte op de arbeidsmarkt nam de VOC ook Joden aan. Soms hielden die hun werkelijke identiteit dan verborgen. Toen de Bataafse Republiek Joden in 1796 het burgerrecht schonk, betekende dit een voorzichtige omslag. Niet lang daarna werd de VOC opgeheven en ondernamen meer Nederlandse Joden de reis naar de Indische archipel. Vanaf 1816 konden ze officieel in dienst treden van het Nederlands-Indische gouvernement.

Etnische segregatie

Juridisch gezien genoten Joden in Nederlands-Indië een hoge status. In 1848 waren de inwoners van de kolonie wettelijk in twee categorieën verdeeld: ‘Europeanen’ en ‘inlanders’. In 1855 werden Joden met Europeanen ‘gelijkgesteld’ en werd eveneens een nieuwe groep toegevoegd: ‘Vreemde oosterlingen.’ De meeste Iraakse Joden vielen in de laatste categorie, hoewel velen van hen zichzelf liever als Europees identificeerden. Deze hiërarchie was gebaseerd op diepgewortelde, pseudowetenschappelijke sociaal-darwinistische ideeën over ‘ras’.

Op de vlucht

Door de toestroom van Europees-Joodse vluchtelingen in de jaren dertig kreeg Nederlands-Indië een van de grootste Joodse gemeenschappen in Zuidoost-Azië. Comités voor de opvang van vluchtelingen werden, net als in het moederland, opgezet door de Joodse gemeenschappen. De komst van vluchtelingen gaf een impuls aan het zionisme en zorgde voor meer toenadering tussen de Europese en Iraakse Joden.

 

Meer weten

Selamat Sjabbat (2014) door Daniel Metz en Reginald Koé bevat verhalen over Joden in Nederlands-Indië.

‘A Welcoming Refuge?’ (2021) door Liesbeth Rosen Jacobson behandelt Nederlands-Indië als toevluchtsoord voor Europees-Joodse vluchtelingen, in: Jewish Culture and History 22/2.

‘Translations of Antisemitism’ (2004) door Jeffrey Hadler beschrijft het antisemitisme in Indonesië, in: Indonesia and the Malay World 32/94.

Dit artikel is gepubliceerd in Historisch Nieuwsblad 9 - 2022