‘Straks krijgen we nog een tekort aan domme mensen’Een week later ontving Roely (1930) mij met thee en zelfgebakken koekjes. Ze vertelde het verhaal van haar vader, waaruit bleek dat die in zekere zin een vreemde eend in de bijt was in het Gelderse boerendorp waar zij opgroeide. Zijn geschiedenis klinkt bijna als een Amerikaans verhaal over een man die na baantjes als boerenknecht, fabrieksarbeider, inpakker bij een exportslagerij en wegwerker rond zijn dertigste een stuk woeste grond koopt, dat eigenhandig ontgint en daar een boerderij op begint. Het geld voor de grond moest hij lenen, maar hij had ook een spaarcentje. ‘Als boerenknecht was hij bijvoorbeeld ook mollenvanger. Mollen waren een plaag, en daarom gaf de gemeente geld voor ingeleverde mollenpootjes. Maar hij vilde de mollen ook om de vellen te verkopen; die werden gebruikt voor bontmantels. Het geld dat hij niet direct nodig had, legde hij opzij. Oerzuinig was-ie.’ Met eerst vier en later zes hectare had zijn boerderij bepaald geen Amerikaanse omvang. ‘Maar hij was iets meer dan een keuterboer. Hij had een gemengd bedrijf, met koeien, varkens, kippen en akkerbouw.’ Hij was een goede boer, schrander bovendien. Dat merkten ook de mensen van de Landbouwvoorlichtingsdienst toen zij in 1938 een bijeenkomst organiseerden over de introductie van nieuwe gewassen. Ze vroegen Roely’s vader of hij een voorbeeldbedrijf wilde hebben. ‘Nieuwe gewassen, werktuigen, zaai- en productiemethoden werden eerst uitgeprobeerd op een proefboerderij in Wageningen. Als dat goed uitpakte, werden ze op een voorbeeldboerderij toegepast om boeren in de omgeving aan te moedigen die over te nemen. Mijn vader vond dat heel interessant.’

