Knoeff schrijft in Wisseljaren dat ze niets afdoet aan de ernst van de klachten die veel vrouwen in de overgang ervaren. Ze erkent ook dat er een verband bestaat met een dalende oestrogeenspiegel en dat hormoonbehandelingen effect hebben. Maar ze betoogt tevens dat overgangsklachten een cultureel fenomeen zijn. Uit onderzoek onder Mayavrouwen blijkt bijvoorbeeld dat zij geen last hebben van opvliegers, zoals tachtig procent van de westerse vrouwen in de menopauze. De onderzoekers kunnen het verschil niet biologisch verklaren, dus moet het aan de westerse cultuur liggen, concludeert Knoeff.
Pre-order de speciale editie ‘Revolutie in Nederland’ nu tijdelijk met gratis verzending
- Eerste stap richting de democratie
- De revolutie van 1795
- Ontdek het verleden van Nederland
Historisch Nieuwsblad tijdelijk al vanaf 4,99 per maand
- Ontdek onbekende feiten en verbanden met tophistorici
- Lees & luister en krijg volledige toegang
- Papier én digitaal via de Historisch Nieuwsblad-app
In de Europese geschiedenis ziet zij meer aanwijzingen dat overgangsklachten cultureel gevormd zijn. In de vroegmoderne tijd meenden artsen dat zich ophopend menstruatiebloed het lichaam vergiftigde, of dat de baarmoeder ging ‘wandelen’. Tegenwoordig weten we dat hormonen de boosdoeners zijn. Knoeff duidt deze ontwikkeling niet als wetenschappelijke vooruitgang, maar als een cultuurverandering: andere tijd, andere cultuur, andere medische obsessies.
Deze culturalisering van kennis staat haaks op Knoeffs erkenning dat hormoonbehandeling effectief is – tenzij ze er stilzwijgend vanuit gaat dat hier puur sprake is van een placebo-effect. ‘Wellicht zorgt een genuanceerde, historische blik voor de broodnodige relativering die misschien zelfs de ernst van klachten kan verminderen?’ oppert ze. Bij zo’n uitspraak hoort bewijs dat vrouwen in vroeger tijden minder last hadden van overgangsklachten, maar haar bronnen geven daarover geen informatie.
De logica van Knoeffs betoog raakt nog verder zoek, wanneer ze waarschuwt voor ‘overmatige medicalisering’ van de overgang. Om het gevaar te illustreren grijpt ze terug op de negentiende eeuw. Destijds zochten gynaecologen de oorzaak van overgangsklachten in de uterus. Vrouwen werden onderworpen aan invasieve en dikwijls pijnlijke behandelingen. Sommige (overwegend mannelijke) artsen brachten zelfs bijtende vloeistoffen in om bloedproppen en gezwellen te verwijderen.
Dat was gruwelijk, maar wat heeft dit te maken met de huidige geneeskundige praktijk (waarin overigens steeds meer vrouwen werken)? Opnieuw toont Knoeff dat ze niet gelooft in voortschrijdend inzicht. Zie je een hormoonpleister, dan is de eendenbek nooit ver weg, is de suggestie die ze wekt. Dat is niet realistisch. Eerder een teken dat Knoeff zich in haar onderzoek heeft laten leiden door persoonlijke vooroordelen over de medische stand.
Wisseljaren. Een geschiedenis van de overgang
Rina Knoeff
336 p. Balans, € 26,50
