De meest gemanipuleerde presidentsverkiezingen in de geschiedenis van de Verenigde Staten waren die van 1876. In de naweeën van de Burgeroorlog bezette het Amerikaanse leger nog een aantal zuidelijk staten, om rugdekking te geven aan de bestuurders die er de zogenoemde Reconstructie uitvoerden. Bij de verkiezingen in dat jaar haalde de Democraat Samuel Tilden 184 kiesmannen, één te weinig voor een absolute meerderheid. De Republikein Rutherford Hayes kwam uit op 165, terwijl de stemming in Florida, Louisiana, South Carolina en Oregon betwist werden. Een partijdige Congrescommissie gaf alle twintig kiesmannen die nog onbeslist waren aan Hayes.

Het Zuiden accepteerde de uitslag in wat het Compromis van 1877 ging heten: de Republikeinen kregen het presidentschap, maar de bezetting van de zuidelijke staten werd beëindigd. Bovendien mochten die staten zich te buiten gaan met het invoeren van de Jim Crow-wetten, die zwarte kiezers voortaan uitsloten.
Tijdens de jaren 1880 en 1890, de zogenoemde Gilded Age, was er sprake van systematische corruptie op alle niveaus. Stemmen werden ronduit gekocht, stembussen bevatten meer biljetten dan er kiezers waren, en kiezers werden geïntimideerd in de stembureaus. Het kiesgeheim bestond nog niet: kiezers stemden publiekelijk en konden dus door partijbazen op de vingers gekeken worden. Omdat in New York veel ambtenarenbanen gebonden waren aan lidmaatschap van de Democratische Partij, stemden velen simpelweg voor hun baan. Sinds die tijd zijn de kieswetten aanzienlijk verscherpt.
‘Gevonden’ stemmen
Zoals veel zuidelijke staten liep Texas daarbij nogal achter. Gerommel met verkiezingen zat in die staat ingebakken. Zo won Lyndon Johnson in 1948 de Democratische voorverkiezingen, die in feite bepaalden wie er senator zou worden (de Republikeinen deden er destijds niet toe in Texas), met een meerderheid van 87 stemmen. Weliswaar lag zijn tegenstander op de verkiezingsdag voor, maar vijf dagen later werd in het stadje Alice een bus ‘gevonden’ met 200 extra stemmen voor Johnson. De latere president won die voorverkiezingen met 47 stemmen en dankte er de bijnaam ‘Landslide Lyndon’ aan.
Toen Donald Trump in 2020 opdracht gaf aan de hoogste verkiezingsfunctionaris in Georgia om 17.000 extra stemmen te ‘vinden’, was hij dus niet de eerste Amerikaanse politicus die dit trucje uitprobeerde. Dat de functionaris weigerde, bewijst dat het huidige systeem in elk geval vangrails heeft.
Ook de presidentsverkiezingen van 1960 waren waarschijnlijk gestolen. De winst van John F. Kennedy in Texas en Illinois was op zijn zachtst gezegd omstreden. In Texas, waar Kennedy’s running mate Lyndon Johnson gouverneur was, werd de telling in ten minste één county gemanipuleerd. In Chicago, Illinois, zorgde de burgemeester ervoor zorgde dat Kennedy die staat won. Nixon klaagde, maar koos ervoor de uitslag te erkennen – deels omdat er ook in zijn eigen Californië gerommeld was: op verkiezingsavond stond Kennedy voor, totdat de absentee ballots binnenkwamen en Nixon de staat won.
Opschoning
Niet per se frauduleus, maar wel problematisch was het stembiljet dat de regering van Florida in 2000 in elkaar knutselde. Ze waren heel trots op hun butterfly ballot: een stembiljet met twee helften, links en rechts. In het midden van dat biljet stond verticaal een reeks zwarte punten. De kiezer bracht zijn stem uit door met een pennetje op één zo’n punt te drukken. De punten stonden onder elkaar, maar de namen van de kandidaten stonden óf op de linker-, óf op de rechterhelft, om en om. De Republikeinse kandidaat George W. Bush stond naast de bovenste punt, links bovenaan. Zijn Democratische tegenstander Al Gore stond onder hem, maar diens punt was de derde in de reeks. Ertussenin stond de punt voor de bovenste kandidaat op de rechterhelft van het biljet: Pat Buchanan, een rechtse houwdegen. U raadt wat er gebeurde: mensen dachten dat het tweede zwarte punt bij Gore hoorde en dus haalde Buchanan een verrassend hoog aantal stemmen. Gore verloor Florida met 537 stemmen, nadat het Hooggerechtshof opdracht had gegeven te stoppen met hertellen. Dat was een politiek ingrijpen.

Een meer gebruikelijke vorm van manipulatie is het beleid van veel staten om kiezers die een veroordeling achter hun naam hebben te verwijderen van de kieslijsten. Iedere vorm van ‘opschoning’ is natuurlijk arbitrair, maar in de praktijk betreft het vaker dan statistisch mogelijk is zwarten en andere minderheden. Florida nam in 2018 na een referendum een wet aan die onder voorwaarden de rechten van veroordeelden herstelde. Maar het conservatieve hoogste gerechtshof van Florida ondermijnde de uitslag, door te eisen dat zij eerst al hun uitstaande boetes betaald moesten hebben.
Puur opportunisme
De door Trump betwiste verkiezingsuitslag van 2020 is misschien wel de vaakst nagetelde, best onderzochte en meest gecontroleerde ooit. Bewijs voor manipulatie is nooit gevonden. Trump voerde zestig rechtszaken, die hij allemaal verloor. Intussen verleidde de bevoegdheid van staten om zelf te bepalen hoe kiesmannen worden aangewezen Trump-aanhangers in Arizona en Michigan ertoe te verklaren dat zij de legitieme kiesmannen waren, ook al had hun partij geen meerderheid van stemmen gehaald. Ze dachten gedekt te worden door de staatscongressen. Zover kwam het nooit en een aantal van deze mensen is voor hun optreden veroordeeld (al hebben ze van Trump gratie gekregen).
De staten organiseren ook elk op hun eigen manier de verkiezingen voor de Senaat en het Huis van Afgevaardigden, zoals die op 3 november aanstaande weer plaatsvinden. Wel zegt de Amerikaanse grondwet expliciet dat het Congres te allen tijde bij wet andere regels kan maken. Dit deed het Congres in 1964 en 1965 met de burgerrechtenwetgeving, die een einde maakte aan de praktijk waarbij staten zwarte kiezers buitensloten met allerlei triviale eisen. Maar de organisatie op zich bleef een taak van de staten.

Het is niet zonder ironie dat de Republikeinse Partij onder Trump nu voor federale, landelijke regels pleit. Juist de Republikeinen waren de afgelopen 75 jaar voor states’ rights – de wens om zoveel mogelijk bevoegdheden bij de staten te laten. Dat Trump nu landelijke regels wil, is puur opportunisme. Met het bestrijden van stemfraude heeft het niets te maken.
Sterker, omdat er vijftig verschillende staten zijn met vijftig verschillende reglementen, is er weinig kans dat het hele systeem gecorrumpeerd wordt. Ook is het daardoor gemakkelijker om protest aan te tekenen in vermoedelijke gevallen van fraude. Juist een landelijke regeling en toezicht kunnen door de zittende president of de meerderheidspartij worden gemanipuleerd. Het is dan ook een duister teken dat Trumps minister van Justitie de kiesregisters van staten opeist, terwijl die er helemaal niets mee heeft te maken heeft. En een goed teken dat veel staten weigeren.
