Razendsnel trokken Mongoolse ruiterlegers in de dertiende eeuw over de uitgestrekte steppegraslanden van Oost-Europa. De uitzonderlijke droogte in dit gebied werkte in hun voordeel, zo blijkt uit nieuw onderzoek.
In Fundamental Research schrijven onderzoekers hoe ze aan de hand van boomringen en archeologisch hout de droge en vochtige zomers tussen 943 en 2019 in dit gebied in kaart konden brengen. Daarbij stuitten ze op een uitzonderlijke droogte die van 1230 tot 1238 aanhield. De langdurige droogte zorgde voor harder en vlakker grasland, wat de mobiliteit van de Mongoolse cavalerie mogelijk vergrootte.
Het droge klimaat was juist nadelig voor de Europese agrarische samenlevingen die door de Mongolen werden overvallen: zij waren kwetsbaarder voor aanvallen van buitenaf. De onderzoekers benadrukken dat de militaire successen van Djengis Khan en zijn opvolgers niet alleen van het klimaat afhingen. Maar het Mongoolse Rijk kan geprofiteerd hebben van de droge omstandigheden in een cruciale fase van de westwaartse opmars.
