Toen de provincie Brabant in de Zuidelijke Nederlanden in 1740-1741 werd getroffen door hongersnood, deden de autoriteiten niets om de arme plattelandsbevolking te helpen. Uit een artikel van historicus Seb Verlinden in het Tijdschrift voor Economische en Sociale Geschiedenis rijst het beeld op van een bestuurlijke elite die alleen oog had voor zijn eigen belangen.
De crisis werd veroorzaakt door extreem koud en nat weer. De graanoogst mislukte, weilanden liepen onder water en dieren stierven in groten getale. In hun nood stuurden 227 plattelandsgemeenten verzoekschriften aan de Staten van Brabant om vermindering van hun jaarlijkse belastingafdrachten. Slechts 80 gemeenten kregen een – zeer beperkte – korting. De maatregel kwam niet ten goede aan de allerarmsten, die immers nauwelijks belasting betaalden, maar aan zelfstandige boeren, die werden aangeslagen voor hun boerderijen. Deze laatste groep had afgevaardigden in de Staten.
Dat de provincie niet toeschietelijker was, had aan de ene kant te maken met een eigen betalingsachterstand ten opzichte van de Habsburgse centrale overheid. Tot overmaat van ramp moesten de Staten in 1742 graan opkopen ten behoeve van een passerend regeringsleger van 22.000 Oostenrijkers, die ten oorlog trokken tegen Frankrijk. Aan de andere kant maakten de Staten van Brabant onderscheid tussen slachtoffers van de hongersnood. Omdat ze bang waren voor opstand, gaven ze wel voedselsteun aan de armen in de steden, maar niet aan de hongerenden op het platteland.
Beeld: Een boerderij in betere tijden. Schilderij door Hendrik Willem Schweickhardt, 1774.
