Moest het communistische regime in Noord-Vietnam worden erkend? Met die vraag worstelde Nederland in de jaren zestig en zeventig, net als nu met de erkenning van de Palestijnse staat. ‘Veel mensen voelden zich op een moreel-ethische manier betrokken bij het conflict,’ vertelt historicus Rimko van der Maar.
Waarom wilde Nederland Noord-Vietnam aanvankelijk niet erkennen?
‘Daarvoor moeten we terug naar de Vietnamese onafhankelijkheid. Na de Frans-Vietnamese oorlog werd Frans Vietnam met de Akkoorden van Genève in 1954 in tweeën gedeeld. In het zuiden werd de Republiek Vietnam opgericht met als hoofdstad Saigon. Dit was een westers alternatief voor de communistische Vietnamese Democratische Republiek in het noorden, waar de regering in Hanoi werd gesteund door China, de Sovjet-Unie en het Oostblok.
De Nederlandse reden om Noord-Vietnam niet te erkennen was simpel. Nederland was lid van het Atlantisch bondgenootschap en de regering was anticommunistisch. De alliantie met de VS zag zij als cruciaal. Het was vanzelfsprekend voor de regering om alleen Saigon te erkennen.’
Waren er voorstanders van erkenning van Noord-Vietnam?
‘Die vond je alleen bij linkse margepartijen, zoals de CPN en de pacifistische PSP.
Toen in 1965 de Amerikaanse interventie begon, probeerde de communistische Vietcong in Zuid-Vietnam meer steun te krijgen van het Westen. De Vietcong hoopte dat westerse maatschappijen en uiteindelijk ook regeringen zich tegen de Amerikanen zouden keren. Ondertussen lobbyde Noord-Vietnam bij westerse organisaties, zoals vakbonden en actiegroepen, maar ook onder journalisten en intellectuelen. Communistische platforms in het Westen faciliteerden dit charme-offensief.
Toen het conflict verder escaleerde, verplaatste het debat zich van de politieke marges naar het middenveld. Binnen de PvdA streefden groepen naar erkenning van Noord-Vietnam als protest tegen de Amerikaanse bombardementen. Ook sprak een aantal confessionele partijen, zoals de ARP en de KVP, zich uit tegen het Amerikaanse geweld. Maar erkenning vonden velen te ver gaan en was in deze kringen een minder groot issue.’

Hoe uitte de weerstand tegen de Amerikanen zich in Nederland?
‘Net zoals bij de huidige Gaza-oorlog waren er eerst kleine demonstraties, die de politie vaak met geweld opbrak. In 1967 vonden enkele gematigde massademonstraties met tienduizenden mensen plaats. Veel mensen voelden zich moreel-ethisch verbonden met het conflict. Er was vooral veel woede over de bruutheid van de Amerikanen. Net als nu met Israël leek er geen rode lijn te zijn voor de Verenigde Staten en leek het alsof de Nederlandse regering de Amerikanen ongeacht hun acties zou blijven steunen.’
Wie verzetten zich in Nederland tegen erkenning van Noord-Vietnam?
‘De belangrijkste hardliner was minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns, die de portefeuille tussen 1952 en 1971 had. Luns was door en door anticommunist. Hij meende ook dat het niet in het landsbelang was om iets te beginnen tegen de Verenigde Staten. Hij wilde in zijn kritiek niet verder gaan dan zeggen dat hij het conflict een vreselijke aangelegenheid vond. De minister benadrukte daarnaast ook steeds dat het niet alleen de Amerikanen waren die verschrikkingen aanrichtten: Noord-Vietnam en de Vietcong deden ook kwaadaardige dingen in Zuid-Vietnam – en daarin had hij gelijk.
In de media en in de samenleving was er eveneens steun voor het Amerikaanse optreden. Zo was er in 1968 een pro-Amerikademonstratie in Den Haag. Voorstanders van de Amerikanen vonden de anti-oorlogsdemonstranten niet representatief voor Nederland. Maar vanwege de aanhoudende bombardementen waren op den duur meer Nederlanders met de Noord-Vietnamese bevolking begaan dan met het Amerikaanse leger.
Het proces van statelijke erkenning kwam in een stroomversnelling toen Washington met Hanoi begon te onderhandelen in 1968. Na de Akkoorden van Parijs in 1973 vertrokken de Amerikanen. Alle westerse landen, waaronder Nederland, erkenden daarna in een mum van tijd Noord-Vietnam.’

Waarom erkende het Westen Noord-Vietnam uiteindelijk toch?
‘In de hoop dat erkenning van Noord-Vietnam de communistische regering in Hanoi milder zou stemmen. Al geloofden hardliners daar niets van. Zij meenden – achteraf gezien terecht – dat Noord-Vietnam erkenning zou zien als een blijk van steun voor hun politieke koers. De regering in Hanoi deed er schimmig over, maar zij bleef streven naar een hereniging van Vietnam onder communistische leiding, waarbij de Zuid-Vietnamese staat zou worden vernietigd. De einddoelen van Noord-Vietnam veranderden niet na de westerse erkenning en de noordelijke legers rolden in 1975 zijn vijand in het zuiden op.’
Veranderde de vernietiging van Zuid-Vietnam iets aan de Nederlandse houding?
‘Nee, de Zuid-Vietnamese regering had in het Westen wegens verhalen over repressie en corruptie geen goede reputatie. Dat betekende niet dat er veel steun was voor de Vietcong, maar langzaam keerde het tij. Al voor de val van het zuiden was er zelfs veel maatschappelijk steun in linkse kringen voor het erkennen van de opvolger van de Vietcong, een Voorlopige Revolutionaire Regering (VRR) in het Zuiden. Dit uitte zich in maatschappelijke druk op de kabinetten-Biesheuvel en -Den Uyl, maar die hielden het af omdat zij de Zuid-Vietnamese regering nog altijd als legitiem zagen. Minister van Buitenlandse Zaken Max van der Stoel begreep niet waarom Nederland de VRR zou moeten erkennen, want iedereen kon volgens hem zien dat Vietnam zich zou verenigen na een eventuele overwinning van Noord-Vietnam. Uiteindelijk ging de Nederlandse regering toch over tot erkenning, kort na de val van Saigon in 1975, maar die was al snel achterhaald omdat Hanoi inderdaad de zuidelijke instituten compleet overnam en Vietnam in 1976 formeel verenigde. De discussie over erkenning van de VRR was het summum van symboolpolitiek. Het had helemaal niets met de werkelijke situatie te maken. In de samenleving bestonden idealistische ideeën over de positieve werking van diplomatieke erkenning, terwijl er geen kennis was over de praktische kant daarvan.’
Bleef het Nederlandse publiek na de erkenning betrokken bij Vietnam?
‘Uiteindelijk leidde de oprichting van heropvoedingskampen, die het regime vulde met militairen, ambtenaren en burgers die waren gebrandmerkt als vijanden van de revolutie, en de vele bootvluchtelingen ertoe dat de maatschappelijke steun onder progressieven in het Westen snel afbrokkelde.’
Rimko van der Maar (1973) doceert geschiedenis van de internationale betrekkingen aan de Universiteit van Amsterdam. In april 2025 verscheen zijn boek In de ban van Vietnam. De Vietnamese onafhankelijkheidsstrijd en het Westen.
