• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 6/2000

    Vrijages en nachtelijke zaadlozingen

    Door: Frans Groot

    Het leven van Willem Frederik van Nassau zag er aanvankelijk overzichtelijk uit: ’s zomers een veldslag hier of een belegering daar en ’s winters het aangenaam verpozen aan het Haagse of Leeuwarder hof.

    Tijdens de veldtocht van 1640 verwierf deze telg uit het Friese stadhouderlijke geslacht de reputatie van een krijger pur sang, die met gewaagde charges het Spaanse voetvolk de stuipen op het lijf joeg: ‘Hij ging in grammen moed haar heijer (het Spaanse leger) doorboren/ dat hij dierzelver stond twee paarden heeft verloren.’ Bij een waanzinnig gewaagde actie in de buurt van het Hulst sneuvelden niet alleen twee van zijn rijdieren, maar raakte ook zijn oudere broer Hendrik dodelijk gewond. Willem Frederik stond nu voor de taak het stadhouderschap in de noordelijke gewesten over te nemen en de familiebelangen in het wespennest van de Republiek veilig te stellen. Met de op macht beluste Hollandse stadhouder Frederik Hendrik in de buurt was dat geen sinecure.

    Aan de hand van een al uitgegeven, zeer openhartig dagboek van de Friese stadhouder reconstrueert Luuc Kooijmans de zelfkant van het Haagse en Leeuwarder hofleven rond het midden van de zeventiende eeuw. Eerder publiceerde hij een mooi boek over vriendschaps- en familierelaties in de burgerlijke kringen van de vroegmoderne tijd. Ook daar is te lezen hoe emoties ondergeschikt werden gemaakt aan de belangen van de familie. Vooral in de hoogste kringen werd het relatienetwerk met soms boekhoudkundige precisie beheerd. Vrij naar Clausewitz: vriendschap en huwelijk waren de voortzetting van de politiek met andere middelen.

    Zoete armpjes

    Alleen al het aantal hovelingen – respectievelijk dertig en tweehonderdvijftig – maakt de pikorde tussen de Friese Nassaus en de Hollandse Oranjes duidelijk. De stedendwinger hield Willem Frederik kort, kaapte zelfs het stadhouderschap van Groningen en Drenthe voor zijn neus weg en was erg verbolgen dat hij de moed had om Friesland bij wijze van familie-erfenis op te eisen. Willem Frederik moest het doen met een bescheiden outillage in Friesland, een herenhuis in Den Haag en enkele Duitse bezittingen. Frederik Hendrik maakte gebruik van het stadhouderlijk kwartier aan het Binnenhof en beschikte daarnaast over het paleis Noordeinde, jachtslot Honselaarsdijk en de buitenplaats Rijswijk. Voor Amalia van Solms werd Huis ten Bosch neergezet. Terwijl de Oranjes het breed lieten hangen, maakte Willem Frederik forse schulden om in de hofcarrousel te kunnen meedraaien.

    Vanaf 1640 speelt hij de ideale militair in Frederik Hendriks leger – moedig en genoegen nemend met een ondergeschikte positie – en daarnaast de voorbeeldige hoveling aan het Haagse hof. Doel van dit alles is de relaties met de Oranjes te verbeteren en de opdracht van zijn moeder uit te voeren: trouwen met één van de dochters van Frederik Hendrik en Amalia. De schoonzoon in spe gaat mee op wandelingen, bezoekt trouw de kerkdiensten, is aanwezig bij de verplichte etentjes en converseert dat het een lieve lust is. Hij heeft de etiquetteboekjes goed bestudeerd en is een en al wellevendheid. De nukkige Amalia wordt gedurende twaalf jaar bewerkt met vriendelijke woordjes en gepaste geschenken, want zij is tenslotte de sleutelfiguur. ‘Oppassen’, noemt hij dat en ‘zichzelf dwingen’, ‘humbel’ en ‘civiel’ zijn. Dit alles om eens in de zoete armpjes van een prinses van Oranje te kunnen liggen.

    Als we Norbert Elias mogen geloven, was de adel bereid tot geciviliseerd en beheerst gedrag om mee te kunnen draaien in de concurrentieslag met standgenoten én burgers aan het hof. De civilisatietheorie was vooral geënt op het voorbeeld van de Franse adel die door de aanzuigende werking van de koninklijke gunsten te Versailles zou zijn getransformeerd van lastige krijgers tot tamme hovelingen. Dit verhaal over tactisch opererende vorsten die de (steeds maar weer) ondergaande adel en de (immer) opkomende burgerij tegen elkaar wisten uit te spelen, is door historici zwaar onder vuur genomen. Duidelijk is wel dat het hof bij uitstek de plaats was waar goede manieren en wellevendheid werden gebruikt om hogerop te komen. Die problematiek speelde ook aan het Haagse hof, dat in de nadagen van Frederik Hendrik veel aanzien genoot. Converseren is voor onze Fries een vorm van schaken, geschenken worden altijd met een bedoeling gegeven en bij het kaartspel riskeert hij hoge speelschulden, want een beetje edelman durft met geld te smijten.

    Druiper

    Wat vooral fascineert zijn de worstelingen met de liefde. De nukken van het onderlichaam en de gevolgen van het bordeelbezoek, inclusief een druiper, worden genoteerd. Als mooie dames zijn levenspad kruisen, weet hij het eerst nog te beperken tot voetjevrijen, kusjes geven en het uitwisselen van liefdesbrieven. Dat is nog wel voor zijn calvinistische geweten te verantwoorden. Maar met de aantrekkelijke Trees van Brederode bedrijft hij dan toch vele malen de liefde, en hij dankt God dat ze niet zwanger is geworden: een huwelijk beneden zijn stand zou zijn belangen schaden. Een curieuze gedachtekronkel houdt hem op de been. God zou hem bij deze amoureuze roulette van dienst zijn, omdat hij zich zo ín- en onzentwege voelt en telkens weer probeert zijn vleselijke lusten in te tomen. Deze spanning tussen het onwaarachtige en gekunstelde hofleven en zijn sterk ontwikkelde geloofsleven, poetst hij weg door van de strenge calvinistische God een begripvolle biechtvader te maken. Bij het laatste oordeel zal die wel te vermurwen zijn.

    Hoeveel statuswinst en macht levert dit tamelijk ingewikkelde bestaan op? Na twaalf jaar in de antichambre te hebben verkeerd mag hij dan eindelijk trouwen met Amalia’s wispelturige en veeleisende jonge dochter Albertina. Het niet al te geslaagde huwelijk – zij is 17, hij 39 – reikt ver boven zijn financiële mogelijkheden. Terwijl de schulden zich opstapelen, houden de Oranjes hem aan de leiband. Zij behartigen de belangen van de beoogde stadhouder Willem III en beschouwen Willem Frederik nog steeds als een mogelijke concurrent. Dankzij voorzichtig manoeuvreren heeft hij wel het stadhouderschap van de Nassaus in de drie noordelijke gewesten weten veilig te stellen, maar in Den Haag is zijn invloed gering. Als dan in 1658 de balans wordt opgemaakt, dankt hij God voor gezondheid, eer, rijkdom verstand en moed, voor het stadhouderschap, voor een vrouw, een dochter en… ‘een soon in mijn armen’. In deze droge, klinische opsomming springt alleen die zoon eruit. Is het daar dan allemaal om begonnen? Bijna negentig jaar later sterft de mannelijke lijn van de Oranjedynastie uit en krijgen de Friese Nassaus het erfstadhouderschap in de hele Republiek. Regeren is vooruitzien, zou je kunnen zeggen.

    Voor hedendaagse hedonisten is het moeilijk te bevatten dat deze getemde krijger toch tevreden terugkijkt op een leven van opzitten en pootjes geven. Op ongekend gedetailleerde manier laat dit boek zien hoe hij worstelde met de hoofse en calvinistische codes van zijn tijd. De staaltjes van zelfbeheersing, de opgebiechte zonden en de noodzakelijke redenaties om de normen aan te passen aan de praktijk zijn niet van een verpletterende diepgang, maar ze geven inzicht in een volstrekt andere wereld. Het is een geruststellende gedachte dat van een voorloper van de huidige Oranjes nu vrijwel elke vrijage of nachtelijke zaadlozing is geboekstaafd. Zo’n onthullend boek over een eerbiedwaardige familie zou veertig jaar geleden ondenkbaar zijn geweest, maar in meer permissieve tijden kan het allemaal worden opgeschreven. Gelukkig maar, want het ontstijgt ruimschoots het niveau van het voyeurisme. Dit epos van kleine bekommernissen en menselijke gebreken blijft verteerbaar omdat voortdurend een politieke dimensie in het spel is. Wie weet, kan het Koninklijk Huis Archief ervoor zorgen dat ook Willem-Alexander cum suis dergelijke intieme dagboeken gaan bijhouden. In die kringen wordt het persoonlijke leven tenslotte nog steeds door de politieke mangel gehaald.

    LIEFDE IN OPDRACHT. HET HOFLEVEN VAN WILLEM FREDERIK VAN NASSAU door Luuc Kooijmans. 336 p. Bert Bakker, ƒ 42,95.