Home Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie

Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie

Albert van der Zeijden

Historicus en katholicisime-expert

Gepubliceerd op: 8 januari 2001

Update 7 april 2020

In 1999 publiceerde het Meertens Instituut zijn grote onderzoeksplan voor de jaren 2000-2005. Dit plan, dat de titel Het oog op de toekomst kreeg, was de afsluiting van een lang en ingrijpend reorganisatieproces, dat in feite al begonnen was in 1987, na de pensionering van J.J. Voskuil als hoofd van de afdeling volkskunde. In 1999 kreeg het Meertens Instituut ook een andere organisatiestructuur, waarbij de oude afdelingsstructuur werd doorbroken om zo meer samenwerking tussen de verschillende disciplines (volkskunde, naamkunde en dialectologie) af te dwingen. Meer dan een symbolische betekenis had de verhuizing naar een nieuw pand, een fraai verbouwde Coca-Cola fabriek aan de rand van Amsterdam. Niet alleen werd de oude vertrouwde omgeving verwisseld voor een relict van de moderne massacultuur, ook inhoudelijk is er in het onderzoek een verschuiving naar meer hedendaagse onderwerpen, zoals kleding in plaats klederdracht, hedendaagse stadssagen in plaats van volksverhalen, de dialectrock van Rowwen Hèze in plaats van oude volksliedjes. En natuurlijk ontbreekt in het nieuwe onderzoeksprogramma ook de multiculturaliteit niet, getuige het groots opgezette interdisciplinaire onderzoek naar de Utrechtse wijk Lombok. Om de dynamiek aan te geven werd de oude geuzennaam volkskunde vervangen door het meer trendy ‘Nederlandse etnologie’. De oude term volkskunde werd, niet geheel ten onrechte, te zeer ideologisch beladen geacht. Het nu verschenen handboek Volkscultuur: een inleiding in de Nederlandse etnologie is in zekere zin een bekroning van de nieuwe visie, of zou dat in ieder geval moeten zijn. Toch stemt het resultaat tot gemengde gevoelens.


Germaanse wortels
Aan de intenties ligt het niet. Die zijn goed. Afzonderlijk beschouwd zijn de zes artikelen die tezamen een beeld moeten geven van de ‘Nederlandse etnografie’ van dit moment van een uitstekend niveau. Bij nadere beschouwing blijft het boek echter steken in een vreemde hybride mix van oud en nieuw. De auteurs, bijna zonder uitzondering werkzaam op het Meertens Instituut, blijken geobsedeerd door de eigen vakgeschiedenis. Een vaktraditie waarvan vervolgens steeds weer met de grootste nadruk afstand wordt genomen. Daarmee biedt de bundel niet zozeer een nieuw begin maar is het veeleer de afsluiting van een tijdperk.
        Het duidelijkst blijkt dit uit de eerste twee inleidende historiografische opstellen van respectievelijk Ton Dekker en Herman Roodenburg. Vooral het verhaal van Ton Dekker kan gekenschetst worden als een parochiële geschiedenis van de volkscultuurstudie in Nederland, waarbij de muren van het oude Meertens Instituut nauwelijks verlaten worden. Daarbij is het overigens winst dat parochieel niet hetzelfde is als kritiekloos. De vroeger in de volkskunde veel gehanteerde geografische methode, waarbij de geografische verspreiding van bepaalde gewoonten en gebruiken letterlijk in kaart wordt gebracht, wordt bijvoorbeeld verworpen als een statische momentopname van een volkskunde die in die tijd nog volledig in de ban was van het continuïteitsdenken. Een continuïteitsdenken dat volledig bepaald werd door ideologisch- politieke factoren, waarbij hedendaagse cultuurverschillen werden teruggeredeneerd op voorhistorische Germaanse wortels. Hoe ideologisch bepaald het onderzoek van de volkskundigen toen was blijkt bijvoorbeeld uit de verspreidingskaarten die de Duitse volkskundigen ten tijde van het nazi-tijdperk ontwierpen, waarin zou worden aangetoond dat de cultuurgrenzen van de volkscultuur samenvielen met die van het Grootgermaanse Rijk. Het rechtvaardigde de Duitse expansie; in volkscultureel opzicht waren Sudeten Duitsland, Oostenrijk en zelfs Nederland immers een onderdeel van het Grootgermaanse cultuurgebied.
        De ideologische ballast van de volkskunde speelt ook een hoofdrol in het tweede opstel uit de bundel, van de hand van Herman Roodenburg. Hij behandelt daarin kwesties als volk en authenticiteit, volkscultuur en nationale identiteit, en volkscultuur als kritiek op de elitaire cultuur. Steeds weer blijkt dat de volkscultuur werd gebruikt voor bepaalde cultuurpolitieke doelen. Vooral de cultivering van de folklore in nazi-Duitsland en, van later datum, in het oude communistische Europa wordt daarbij aangehaald als schrikwekkend voorbeeld. Roodenburg pleit voor een afstandelijker benadering van de volkscultuur, waarbij volkscultuur niet als statisch wordt geïnterpreteerd maar juist als heel dynamisch, wisselend met de maatschappelijke context.

Klootschieters
De overige vijf artikelen behandelen concrete deelgebieden van de oude volkskundestudie: de materiële cultuur, feesten en rituelen, religieuze volkscultuur, vertelcultuur en de zangcultuur. Maar ook in deze artikelen staat steeds weer de problematische geschiedenis van de volkskunde centraal. Alle artikelen beginnen met een uitvoerige historische terugblik op de manier waarop de volkskunde vroeger met dit soort onderwerpen omging. Meermalen krijgen wij het befaamde historische volksfeest van 1917 voorgeschoteld, waarbij D.J. van der Ven op het museumterrein van het niet lang daarvoor geopende Nederlandse Openluchtmuseum een grootse folkloristische manifestatie organiseerde, compleet met oud-Twentse klootschieters, ensceneringen van Achterhoekse boerenbruiloften en ander folkloristisch ongeregeld. Wat betreft het moderne onderzoek verwijzen de auteurs vooral naar onderzoek van de eigen medewerkers, zoals bijvoorbeeld naar het Sinterklaasfeest door John Helsloot en naar carnaval door Carla Wijers. Ongewild wordt daarmee het parochiële karakter van de bundel nog verder onderstreept. Het wordt zelfs enigszins grotesk in een passage van het artikel van Louis Grijp, die onbekommerd in derde persoon vertelt over zijn aanstelling in 1990 bij het Meertens Instituut, alwaar hij een ‘theoretische basis verschafte aan zowel het werk van zijn voorgangers als aan toekomstige repertoriëringsprojecten’.
        Hoe het niet moet weten we nu. Maar hoe moet het dan wel?
Als het werkelijk menens was geweest met een interdisciplinaire verbreding dan had gekozen moeten worden voor een andere opzet. In plaats van steeds maar weer het gevecht aan te gaan met de premissen van een verouderde volkskunde had beter in een inleidend hoofdstuk uiteengezet kunnen worden wat tegenwoordig onder volkscultuur verstaan wordt, en vanuit welke verschillende tradities deze volkscultuur in het verleden beschouwd is. Het zou ook verstandiger zijn geweest om enkele auteurs van buiten het Meertens Instituut aan te trekken, bij voorkeur uit verschillende disciplines. Het beste stuk in de bundel is niet toevallig van de Nijmeegse kerkhistoricus Peter Nissen, die op een heldere wijze de door hem gehanteerde begrippen uiteenzet, enkele moderne onderzoekstradities benoemt – waarbij hij niet blijft steken in de goede oude volkskunde alleen – en vervolgens zijn onderwerp op systematische wijze uiteenrafelt, met heldere traditionele én hedendaagse voorbeelden. Niet alleen Antonius van Padua wordt genoemd maar ook een hedendaags icoon als prinses Diana.
        Door de oude volkskundige canon achter zich te laten had men verder meer aandacht kunnen besteden aan onderwerpen als massacultuur, en moderne topics en invalshoeken als etniciteit en gender uitvoeriger kunnen behandelen. Ook de cultivering van oude tradities in folkloristische manifestaties – als tijdsverschijnsel een interessant onderzoeksobject voor de moderne cultuurwetenschapper! – was een afzonderlijk hoofdstuk waard geweest. Deze onderwerpen worden ook nu wel behandeld, maar teveel in de marge van een spiegelgevecht tegen de oude volkskunde wier oude canon nog volledig de agenda bepaalt.

Albert van der Zeijden is medewerker van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur in Utrecht.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Begrijp het heden, begin bij het verleden: met HN Actueel lees je historische achtergronden bij het nieuws van nu. Je leest al vanaf €4,99 per maand.

Nieuwste berichten

Aankondiging van een actie van het Oranje Alternatief.
Aankondiging van een actie van het Oranje Alternatief.
Artikel

Graffitikunst met kabouters was effectief protestmiddel in communistisch Polen

Als de democratie onder druk staat, is humor een tegenwicht. Dat begreep de Poolse protestbeweging Oranje Alternatief in de jaren tachtig maar al te goed. Met graffitikunst en ludieke straatacties bracht ze de communistische eenpartijstaat in verlegenheid. Protesteren tegen de communistische dictatuur in Polen was levensgevaarlijk. In 1981 kondigde generaal Wojciech Jaruzelski de staat van...

Lees meer
‘Voor de Antideutsche beweging gaat het voortbestaan van Israël voor alles’
‘Voor de Antideutsche beweging gaat het voortbestaan van Israël voor alles’
Interview

‘Voor de Antideutsche beweging gaat het voortbestaan van Israël voor alles’

In het gespannen Duitse debat over Israël en Palestina nemen de zogenoemde Antideutsche een opvallende positie in. Waar andere antifa-bewegingen het opnemen voor de Palestijnen, geeft deze links-radicale subcultuur onvoorwaardelijke steun aan Israël. De Antideutsche stellen sympathie voor Palestijnen gelijk aan antisemitisme en zien Israëls oorlogen als onvermijdelijk om een nieuwe Holocaust te voorkomen. Onenigheid...

Lees meer
Trump vermoeid tijdens persconferentie
Trump vermoeid tijdens persconferentie
Artikel

Trump is gewaarschuwd: het einde van hoogbejaarde leiders is vaak ontluisterend

Komend weekend wordt president Donald Trump tachtig jaar. Hij vindt zelf dat hij nog fit genoeg is om te regeren, maar veel Amerikanen betwijfelen dat. Hoogbejaarde staatshoofden zijn niet ongebruikelijk. Maar hun einde is vaak beschamend, zoals blijkt uit onderstaande voorbeelden. Vorige maand onderging Donald Trump voor de derde keer in 13 maanden een medische...

Lees meer
Het reisgezelschap van Dirk de Graeff van Polsbroek tijdens de beklimming van de vulkaan Fuji, 1867. Foto door Felice Beato.
Het reisgezelschap van Dirk de Graeff van Polsbroek tijdens de beklimming van de vulkaan Fuji, 1867. Foto door Felice Beato.
Beeldessay

Hoe het Westen Japan omarmde

Eeuwenlang hadden Japan en de westerse wereld nauwelijks contact. Toen daarvan weer sprake was leidde dat tot aanvaringen, maar ook tot wederzijdse fascinatie. Op 8 juli 1853 verschenen vier zwaarbewapende Amerikaanse oorlogsschepen in de baai van Edo. Commodore Matthew Perry dwong de Japanse regering zo om na eeuwen van isolatie de grenzen te openen voor...

Lees meer
Loginmenu afsluiten