• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    dinsdag 2 augustus 2022

    Nederlanders leven lang en gelukkig

    Door: J.W. Drukker

    Nederlanders zijn de langste mensen ter wereld. In de loop van de geschiedenis is vaak gewezen op het verband tussen welvaart en lichaamslengte, maar dat kon steeds niet worden aangetoond. Tot zogeheten auxologen daar in de negentiende eeuw eindelijk in slaagden. Dat leidde tot nieuwe inzichten.

    ‘En zij leefden nog lang en gelukkig,’ is de standaardzin waarmee sprookjes eindigen.

    ‘Lang’ slaat hier op levensduur en niet op lichaamslengte, maar in werkelijkheid kan het op beide slaan. In ‘gelukkige’ landen leven mensen niet alleen langer, ze zijn het ook. Dat blijkt als je een tiental landen opzoekt die het hoogst scoren op de door de Verenigde Naties ontwikkelde welzijnsindex (happiness index) en een tiental landen die het laagst scoren. En als je daar de gemiddelde lichaamslengte van volwassen mannen in elk land naast legt.

    Gemiddelde lengte van mannen en welzijnsindex van de VN: hoogst en laagst scorende landen in 2020. Inzet: dezelfde relatie voor de ruim 100 landen waarvan cijfers bekend zijn.

    Wat blijkt? Het verschil in lichaamslengte tussen hoog en laag scorende landen op de welzijnsindex is zo’n 15 cm. Als je alle landen waarvan we cijfers hebben erbij betrekt (zie de inzet) dan blijft het positieve verband fier overeind. Maar hoe kan dat nou? Lange ouders krijgen toch lange kinderen? Met andere woorden, lichaamslengte is toch genetisch bepaald? Het antwoord luidt: slechts ten dele.

    Opvallend klein

    Om erachter te komen hoe het precies zit, nemen we ons eigen land nader onder de loep.

    Nederlanders zijn vandaag de dag het langste volk ter wereld, maar dat is niet altijd zo geweest. In de eerste helft van de negentiende eeuw waren we niet langer dan de inwoners van andere Europese landen en een tijd lang zelfs opvallend klein. Dat laatste wordt geïllustreerd door een Engelse spotprent uit 1813. Daarop wordt Napoleon afgebeeld die de Nederlandse ‘lichte cavalerie’ inspecteert: pijp rokende kabouters die alleen met behulp van een vat jenever en gezeten op zeehonden het hoofd boven water weten te houden.

    Bonaparte inspecteert de Nederlandse cavalerie door William Elmes, 1813. 

    In 1818 waren Nederlandse lotelingen gemiddeld 164 cm. lang en daar ging in de daaropvolgende decennia nog een centimeter vanaf. Ze waren in het midden van de negentiende eeuw even lang als Fransen en Italianen en zo’n 5 à 10 centimeter korter dan Duitsers, Scandinaviërs en Amerikanen.

    Noordwest-Europeanen zijn nu globaal gezien uitzonderlijk lang, maar waren dat zo’n kleine twee eeuwen geleden helemaal niet. Lang waren als exotisch beschouwde volken en stammen, die vandaag de dag op zijn best in de middelste regionen scoren. Turkse, Irakese, Argentijnse en Libanese mannen, bijvoorbeeld, die nu gemiddeld tussen de 170 en 175 cm zijn, waren dat omstreeks 1850 ook al en dientengevolge langer dan Europeanen.

    Maar hoe weten we dat allemaal zo precies en wat is de verklaring voor die vreemde verschuivingen? De antwoorden daarop komen uit de auxologie, de wetenschap die zich bezighoudt met de fysieke menselijke groei.

    Historische bronnen

    De eerste vraag gaat over de empirische basis. Die wordt gevormd door lengtegegevens, liefst zoveel mogelijk per jaar, zover mogelijk teruggaand in de tijd en ook nog eens homogeen en aselect. Bijvoorbeeld van volwassen mannen die een representatieve steekproef uit de bevolking vormen. Qua data verkeren auxologen in een luxepositie omdat de meeste landen al eeuwenlang de lengtegegevens van hun soldaten en toekomstige soldaten (lotelingen) bijhouden.

    Die basisset wordt aangevuld met andere historische bronnen, zoals archieven van weeshuizen, gevangenissen en van de grote katoenplantages in de VS, die de lengte van slaven noteerden. En al in de negentiende eeuw hebben antropologen en zendingsartsen lengteonderzoek verricht bij de uitheemse volkeren die ze bezochten. Al die gegevens samen vormen het antwoord op de eerste vraag. 

    Tempoverschil

    Het antwoord op de tweede vraag ligt ingewikkelder. Lichaamslengte is een schoolvoorbeeld van het samengaan van nature en nurture: deels genetisch bepaald en deels het gevolg van materiële omstandigheden. Neem Nederland en Zwitserland. Die scoren vrijwel identiek op de welzijnsindex, maar niettemin zijn Zwitsers zo’n 10 cm kleiner dan wij. Aan de andere kant van het spectrum zien we dat Togo en Haïti eveneens vrijwel gelijk op de welzijnsindex staan, maar ook dat Haïtianen een decimeter langer zijn dan Togolezen.

    Daardoor dringt de gedachte zich op dat beide verschillen volledig genetisch bepaald zijn (nature), maar dat is te kort door de bocht. De mogelijkheid dat een deel van het verschil veroorzaakt wordt door verschillen in omstandigheden en levenswijze (nurture) kan niet op voorhand worden uitgesloten.

    De oplossing zit hem in het tempoverschil waarmee genetische en omgevingsfactoren de lengte beïnvloeden. Duivenmelkers en konijnenfokkers weten dat het meerdere generaties duurt voor je een bepaalde eigenschap middels selectief fokken geprononceerd terugziet bij nakomelingen. Aangezien selectief fokken doorgaans niet aan de orde is bij mensen, is het aantal generaties in dit geval een stuk groter en die duren bovendien aanzienlijk langer dan bij duiven en konijnen. Een verandering in de materiële omstandigheden daarentegen beïnvloedt terstond de lengte van de generatie die met de verandering te maken krijgt.

    Bestaanscrises in Nederland in de negentiende eeuw en hun effect op de lengte van lotelingen.

    Dat zie je het best bij plotseling optredende, dramatische veranderingen en daarvoor kun je voor ons land het beste teruggaan naar de negentiende eeuw. Dan valt onmiddellijk het contrast in de sterfte- en geboortecijfers tussen de eerste en de tweede helft op. Tot iets voorbij het midden zijn er heftige schommelingen; daarna nemen die schokken af en zet in beide reeksen een gestage daling in.

    Die uitschieters in geboorte en sterfte worden veroorzaakt door natuurrampen, zoals overstromingen en misoogsten, gevolgd door hongersnoden en epidemieën, waardoor Nederland met name in de eerste helft van de negentiende eeuw frequent geteisterd werd. Het cumulatieve effect daarvan veroorzaakt een steile daling van de gemiddelde lengte in een statistisch welhaast ideale steekproef (omvangrijk, aselect en homogeen), namelijk: lotelingen voor het leger.

    En andersom: de gestage daling van het sterftecijfer sinds het laatste kwart van de negentiende eeuw en het vrijwel verdwijnen van pieksterfte, vertaalt zich in een even gestage toename van de lengte van lotelingen tot de uitzonderlijk hoge waarde die we vandaag de dag bereikt hebben.

    Zo lang als reuzen

    De gedachte dat mensen die onder een gelukkig gesternte geboren zijn gemiddeld langer zijn dan zij die minder geboft hebben, is niet nieuw. Sterker nog, het idee is zo oud als de geschiedenis zelf. Herodotus waagde zich al aan een beschrijving van een tweetal mythische volkeren buiten de hem vertrouwde wereld, gebaseerd op in zijn tijd overgeleverde verhalen. Het ging om de Macrobiërs, die hij in het huidige Somalië lokaliseerde, en de Hyperboreanen, die in het hoge noorden hun verblijfplaats zouden hebben.

    Volgens hem hadden ze twee dingen gemeen: beide volkeren zouden, omdat zij onder gelukzalige omstandigheden leefden, een ongekende ouderdom bereiken (zo’n 120 jaar) en zo lang als reuzen zijn (ongeveer drie meter). In het voetspoor van Herodotus blijven door de hele geschiedenis heen soortgelijke verhalen opduiken, maar pas in de negentiende eeuw werd voor het eerst deugdelijk empirisch bewijs gevonden voor de hechte relatie tussen welvaart en lichaamslengte.

    De grondleggers van de moderne auxologie, Louis-René Villermé en Adolphe Quetelet, constateerden onafhankelijk van elkaar dat waar je ook keek, arme mensen gemiddeld niet alleen korter leefden dan rijke, maar ook kleiner waren. In hun tijd bestond de tegenwoordig algemeen geaccepteerde maatstaf voor de welvaart van landen, het BBP, nog niet. Daarom duurde het tot in de twintigste eeuw voor het verband tussen welvaart en lichaamslengte wereldwijd op landelijk niveau kon worden vastgesteld.

    Toen bleek die relatie er heel duidelijk te zijn. Als je de lengte van Nederlandse lotelingen en de reconstructie van het negentiende-eeuwse welvaartsniveau over elkaar legt, blijken beide reeksen vrijwel naadloos met elkaar overeen te stemmen.

    Het verband tussen lichaamslengte en welvaart op de lange termijn. 

    Arabische oliestaten

    Met de vaststelling dat in vrijwel alle landen ter wereld een nauw verband bestaat tussen lichaamslengte en welvaart, leek de kous af voor dit type onderzoek, maar die conclusie bleek voorbarig. Voor een paar landen was het verband namelijk niet zichtbaar: ze waren steenrijk, maar werden tevens gekenmerkt door een opvallend geringe gemiddelde lichaamslengte. Dat waren de Arabische oliestaten, die qua welvaartsniveau even hoog scoren als Noordwest-Europese landen – of nog veel hoger, zoals Qatar-, maar waar de bevolking 10 cm kleiner is.

    Arabische oliestaten: rijk, maar klein van stuk.

    Kennelijk is er in die landen meer aan de hand. Wat dat meer behelst, wordt in één oogopslag duidelijk als we welvaart (BBP) vervangen door de welzijnsindex van de VN, want dan keert het positieve verband als bij toverslag terug.

     Lichaamslengte en VN welzijnsindex in Noordwest-Europese landen en Arabische oliestaten.

    De oplossing van het raadsel zit hem in de beperkte reikwijdte van het BBP. Dat geeft het welvaartsniveau aan, maar zegt niets over de verdeling. In een land met een hoog BBP kan de overgrote meerderheid van de bevolking toch in bittere armoede leven, omdat de rijkdom uitsluitend terechtkomt bij een piepkleine elite. De welzijnsindex houdt tot op zekere hoogte wel rekening met de verdeling.

    Tot op zekere hoogte? Ja, want naast het BBP telt in de welzijnsindex ook de gemiddelde levensverwachting mee en daarnaast nog een viertal geënquêteerde variabelen die geacht worden samen te hangen met (on)gelijkheid: sociale ondersteuning, vrijheid om het leven naar eigen inzicht in te richten, generositeit en veronderstelde corruptie bij overheid en bedrijfsleven. Wanneer een land laag scoort op die laatste vijf criteria, keldert zijn welzijnsindex, hoe hoog het BBP er ook is. Zo valt te verklaren hoe het komt dat de Arabische bevolking klein van stuk is: de landen zijn steenrijk, maar de omstandigheden zijn extreem ongelijk.

    Vooral vet

    De relatie tussen lang en gelukkig bestaat sinds mensenheugenis. Toch lijkt deze eeuwenoude historische wet in sommige delen van de Westerse wereld inmiddels aan erosie onderhevig. Arme mensen zijn er niet meer klein en schriel, maar vooral vet.

    Dat begon in de VS, maar manifesteert zich de afgelopen jaren ook in een aantal Europese landen. Gek genoeg lijkt dat verschijnsel vooral de kop op te steken in Europese landen waar de welvaart laag en de inkomensongelijkheid hoog is. In Scandinavië en bij ons zie je het enigszins, maar veel minder geprononceerd dan in Italië en Spanje. Om maar te zwijgen van Moldavië, Hongarije en Polen. Daar zit nog wel een verraderlijk statistisch addertje onder het gras. Omdat de mensen in Noordwest-Europa uitzonderlijk lang zijn, stijgt de BMI aldaar langzamer bij toenemend overgewicht dan wanneer je een minder lange populatie blootstelt aan gemiddeld dezelfde hoeveelheid hamburgers en kapsalons. Maar zwaarder worden ze wel degelijk.

    J.W. Drukker is emeritus hoogleraar industrieel ontwerpen en designgeschiedenis en was verbonden aan Rijksuniversiteit Groningen, Technische Universiteit Delft, Universiteit Twente en Tsinghua University (Beijing PRC).