CHU-minister van Oorlog Wim Schokking wilde in 1950 meer investeren in de krijgsmacht, zoals de legerleiding had voorgesteld. Maar zijn sociaal-democratische collega’s vonden dat zonde van het geld. Zo raakte Schokking vermalen tussen tegengestelde opvattingen en belangen.
Op 12 oktober 1950 viel het doek voor minister Wim Schokking (CHU). Zijn vertrek hing al weken boven de markt, maar nu had hij eindelijk ontslag genomen. Journalisten doken erop. Bronnen meldden in de pers dat Schokking zich niet gesteund voelde door zijn collegaministers om zijn defensiebegroting door een kritische Tweede Kamer te loodsen. Minister-president Willem Drees haastte zich om die geruchten te ontkennen. Er was volgens hem géén sprake van onenigheid in het kabinet. Maar dat klopte niet: Schokking ondervond in de ministerraad al maandenlang weerstand tegen zijn beleid. Drees verdacht op zijn beurt de militaire top ervan gevoelige informatie te lekken, een helder teken van de uiterst gespannen verhoudingen.
Schokking had nooit gedacht dat het makkelijk zou worden. Toen hij twee jaar eerder, in augustus 1948, aantrad als minister in het kabinet Drees-I stonden zijn twee departementen Oorlog en Marine voor grote uitdagingen. Toen de regering vanaf 1944 was begonnen met de wederopbouw van de krijgsmacht, lag de nadruk op de bevrijding van Nederlands-Indië. Na de Indonesische onafhankelijkheidsverklaring besloot de regering een troepenmacht overzee te sturen om de opstand in de kolonie neer te slaan. Daardoor waren alsmaar meer troepen en materieel nodig.
Bij het aantreden van Schokking was de afloop van de oorlog in Indonesië nog ongewis. In december 1948 stemde hij in met de tweede ‘politionele actie’, een wanhoopsoffensief om de Republiek Indonesië op de knieën te dwingen. Het mocht niet baten, na maanden van bloedige guerrillastrijd moest Nederland de wapenstilstand tekenen en de soevereiniteit overdragen. Waarna Schokking verantwoordelijk werd voor de terugkeer van duizenden Nederlandse militairen.
Door het Indonesische avontuur lag het Nederlandse grondgebied er vrijwel onverdedigd bij. Er waren simpelweg geen troepen om Nederland bij een aanval te beschermen. Ook de terugkerende militairen waren nauwelijks voorbereid op een Europese oorlog. Zeker nadat vanaf 1947 de relaties met de Sovjet-Unie zienderogen verslechterden werd de noodzaak van snelle investeringen in landmacht, luchtmacht en marine groter.
Militair jurist en politicus
Willem Frederik Schokking (1900-1960) was afkomstig uit een vooraanstaande protestants-christelijke familie. Na zijn rechtenstudie vestigde hij zich als advocaat in Amsterdam. In 1939 werd hij voor de CHU verkozen in de Amsterdamse gemeenteraad. Vanaf dat jaar was hij eveneens werkzaam als militair jurist. In 1942 werd Schokking als gijzelaar door de Duitse bezetter in Sint-Michielsgestel gevangengezet. Na de oorlog ging hij in Amsterdam aan de slag als wethouder, totdat hij in 1948 werd gevraagd als minister. Na zijn aftreden in 1951 bekleedde hij tot zijn dood een functie bij de Raad van State. Zijn archief is sinds kort beschikbaar aan de Vrije Universiteit, de Collectie HDC|Protestants erfgoed.

Vrede door kracht
De Nederlandse regering zette in op militaire alliantievorming. In 1948 werd de Westerse Unie opgericht, een samenwerking tussen Frankrijk, Groot-Brittannië en de Benelux-landen. Maar zolang Nederland druk was in Indonesië was er geen sprake van een serieuze krijgsmacht, en dat gold voor de meeste andere West-Europese landen. De Westerse Unie was ‘een verdrag van vijf kale kikkertjes’, aldus chef-staf generaal Hans Kruls. Ze kwaakten hard, maar konden niets doen.
De Westerse Unie was ‘een verdrag van vijf kale kikkertjes’
Voorlopig was Europa afhankelijk van de grote bondgenoten Amerika en Engeland. Zij dicteerden de richting. In januari 1949 presenteerde de Britse generaal Bernard Montgomery zijn plan voor de verdediging van West-Europa. De Rijn en de Alpen zouden de verdedigingslinie worden, waaraan Nederland met drie legerdivisies, jachtvliegtuigen en mijnenvegers moest deelnemen. Die lijn moest lang genoeg standhouden in afwachting van Amerikaanse steun om de Russen terug te drijven. Den Haag was niet blij; Nederland zou in dit scenario veranderen in frontgebied. Toch kon de regering niet anders dan het plan accepteren.
De oprichting van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) in april 1949 markeerde een volgende stap. Onder Amerikaanse leiding begon een snelle opbouw van een gezamenlijke verdediging tegenover de Russische dreiging. Vliegtuigfabrikant Fokker kreeg opdracht om driehonderd hypermoderne Gloster Meteor-straaljagers te bouwen voor Nederland en België. Nederland investeerde in tanks en deed proeven met pantservoertuigen.
‘Ons doel is vrede door kracht,’ verklaarde de Amerikaanse defensieminister Louis Johnson na een achtdaagse NAVO-conferentie. ‘Dit is een defensieve organisatie en in geen enkele betekenis een agressieve. Er is voor anderen geen reden, ons te vrezen. Ons doel is zo sterk te zijn, dat geen potentiële aanvaller iets zal beginnen.’
Schokking herhaalde deze boodschap in Nederland. ‘Wij moeten de vrijheden, die wij hebben, verdedigen,’ speechte hij voor een groep scholieren. ‘Het doel van de samenwerking is met de hele wereld in vrede te kunnen leven. Om dit te bereiken, zullen offers gebracht moeten worden.’ Grootschalige investeringen in de krijgsmacht waren noodzakelijk om de vrede te bewaken. ‘Wij moeten voorbereid zijn in de hoop dat het niet nodig is.’
De politieke strijd die Schokking fataal zou worden, spitste zich vanaf begin 1949 toe op de omvang van de investeringen in defensie. De legerleiding stelde op eigen initiatief voor ruim 1 miljard gulden uit te trekken voor landmacht, luchtmacht en marine. Ze deed concrete voorstellen voor aanschaf van militair materieel en de verlenging van de dienstplicht tot twee jaar.
Het kabinet wees deze plannen stelselmatig af. In tegenstelling tot Kruls geloofde minister-president Willem Drees niet dat er een gewapend conflict in Europa zou uitbreken. Hij koos liever voor degelijk sociaal beleid, waardoor communisten de wind uit de zeilen genomen kon worden. ‘Een goede sociaal-economische politiek is een belangrijker wapen in de strijd dan militaire uitgaven,’ zei Drees. Ook de minister van Financiën, PvdA’er Piet Lieftinck, was mordicus tegen hogere defensie-uitgaven. De sociaal-democraten domineerden de discussie in de ministerraad en stuurden aan op een begrotingsplafond van 800 miljoen gulden. Met name de plannen voor de uitbreiding van de vloot werden door hen als onhaalbaar beschouwd.
Premier Drees investeerde liever in sociaal beleid
Verantwoordelijk minister Schokking kwam er niet aan te pas. Hij slaagde er in de ministerraad niet in om tegenwicht te bieden tegen Drees en Lieftinck. Tegelijkertijd was hij niet opgewassen tegen de druk vanuit de militaire top. Hij stond al snel bekend als een zwak minister, die niets voor elkaar kreeg en geen besluiten durfde te nemen. ‘Schokking is een volkomen mislukking als minister van Oorlog’, zong het eind 1949 rond. Ondanks brede steun in het parlement voor hogere investeringen wist Schokking zijn collega’s niet te overtuigen.
Generaal Kruls, die wél een Russische aanval verwachtte, noemde de regeringsbesluiten ‘uitermate gevaarlijk’. Hij vond dat Nederland met lagere budgetten geen fatsoenlijk leger kon opbouwen. ‘Wij bouwen dan een schijnleger, dat veel geld kost en niet de waarde heeft nodig om het bewapeningsevenwicht te bereiken en daardoor een oorlog te voorkomen.’ Hij diende zelfs uit protest zijn ontslag in bij de koningin, een besluit waarop hij overigens snel terugkwam.
Geldsmijterij
Naast het politieke onvermogen om tot heldere keuzes te komen klonk kritiek op de doelmatigheid van de bestedingen. Vooral de landmacht had de reputatie uiterst inefficiënt te zijn. Vanuit Paleis Soestdijk bemoeide prins Bernhard zich met het militaire beleid: ‘Men gooit hier op het ogenblik geld weg aan ontoereikende verbeteringen.’ Het militaire materieel leed onder wanbeleid, vond de prins. Hij zag geen verbeteringen, miste discipline en toewijding onder militairen.
Ook de pers kraakte de ‘geldsmijterij’ in de krijgsmacht. ‘Handenvol geld worden weggesmeten aan reorganisatie en over-organisatie,’ schreef de Volkskrant. Het leger zou veel te veel hoge officieren tellen.
Schokking begreep de kritiek wel, maar benadrukte dat hij alles op alles zette om de ministeries te reorganiseren en de mentaliteit te verbeteren. Maar toen in de zomer van 1950 grote fouten in zijn begrotingsvoorstellen werden ontdekt, kreeg hij het zwaar te verduren. Ministers vertrouwden geen enkel financieel voorstel uit het Oorlogsministerie meer. Uit correspondentie blijkt dat op dat moment zowel Drees en KVP-vicepremier Josef van Schaik als de staatssecretarissen op Oorlog en Marine geen vertrouwen meer hadden in Schokking. Toch moest hij op zijn post blijven. ‘Liever de huidige situatie laten voortduren, dan politieke moeilijkheden maken,’ meende Van Schaik.
De spanningen rond Schokking kwamen in de nazomer van 1950 tot een uitbarsting. In juni diende hij een zoveelste nota over het defensiebeleid in. Hij haastte zich om erbij te zeggen ‘dat vrijwel elke begroting of beschouwing over het defensiebeleid op korte termijn door de feiten achterhaald wordt’. Het uitbreken van de Korea-oorlog op 25 juni 1950 bewees dat: opnieuw werd de druk op de regering om meer middelen voor Defensie vrij te maken verhoogd. Maar eigenlijk kon Schokking geen keuzes maken omdat hij vastzat tussen de top van de krijgsmacht, die veel meer wilde investeren, en zijn collega-ministers, die weigerden extra geld beschikbaar te maken.
Kamerleden oordeelden vernietigend over de plannen van Schokking. Ze zagen geen enkel concreet voornemen om de landmacht te versterken. Was de voorgestelde 850 miljoen gulden nu genoeg of niet? De aarzelende houding en besluiteloosheid van Schokking maakten dat partijen hun vertrouwen verloren. De VVD zegde tijdens het debat in september 1950 het vertrouwen in de minister op. Na vijf jaar was het volgens de partij niet duidelijk waaraan de honderden miljoenen waren besteed. ‘Niet alleen is er nog geen sprake van een mobilisabel leger, doch er kan zelfs op geen enkele operationele eenheid worden gewezen.’ De fractie diende geen motie van wantrouwen in om te voorkomen dat het hele kabinet in een crisis zou worden gestort.
De opstelling van de KVP gaf de doorslag. Van defensiewoordvoerder Jan Fens kreeg Schokking vier maanden om zijn plannen te verbeteren. Maar intern had Fens al laten weten dat de minister beter kon aftreden. Zijn fractie had geen vertrouwen meer dat hij ‘een behoorlijk en doortastend beleid’ zou gaan voeren. Schokking zelf bleef hoopvol, zo blijkt uit zijn privécorrespondentie. Hij hoopte met hulp van bondgenoten zo snel mogelijk een ‘werkelijke defensie’ voor de dag te krijgen.
‘Hard en wreed’
Een maand later trad Schokking alsnog af. Tijdens de behandeling van zijn begroting in de Eerste Kamer had de minister opnieuw de volle laag gekregen. De druk werd te groot, hij trok zijn conclusies en diende zijn ontslag in. Zijn aftreden kwam niet onverwacht, maar de teneur in de kranten was dat hij geofferd was voor het hogere belang. Schokking moest wijken omdat de regering-Drees weigerde tot duidelijke militaire keuzes te komen. Als zondebok was Schokking geofferd voor het grotere belang, schreef het katholieke dagblad De Tijd. ‘Politiek is dikwijls hard en wreed.’
‘Je begreep, dat dit aftreden mij niet onberoerd heeft gelaten,’ schreef Schokking in een persoonlijke ontboezeming. ‘Ik heb tegen een storm moeten oplopen en had de wind niet mee. De erfenis van vroeger had ik te incasseren. Het geld was nu eenmaal in Indonesië uitgegeven en voor de 270 miljoen gulden, die de terugkeer der troepen in 1950 kostte, kon ik geen materiaal kopen, nog afgezien van de vraag, waar men dit dan had kunnen bestellen!’
Schokking vond dat hij alles had gedaan wat hij kon: ‘Er was een algemeen gevoel van onbehagen, dat wij eigenlijk onverdedigd waren, waarbij dan al gauw exclamaties ontstonden als: en als je nu maar met je vuist op tafel slaat, dan stamp je de eenheden wel uit de grond. Dat was natuurlijk nonsens en anders niet.’ De weigering van zijn collega-ministers om meer geld beschikbaar te stellen zat hem dwars. ‘Ik denk dat mijn opvolger het gemakkelijker heeft. Wat in mijn ambtsperiode niet mocht, is nu wel mogelijk.’
En dat klopte. De nieuwe minister, Hans s’Jacob, die slechts een paar maanden in functie was, kreeg meer ruimte. De Korea-oorlog had de internationale verhoudingen danig opgeschud: de communistische dreiging bleek te kunnen leiden tot oorlog (zie kader op p. XX). Amerika verdubbelde de defensiebegroting tot meer dan 10 miljard dollar en eiste extra inspanningen van alle bondgenoten. Nederland stuurde een kleine legermacht naar Korea. Ondanks de uitspraken van de Tweede Kamer voor hogere bedragen voor de krijgsmacht bleef het kabinet aarzelen.
De schok van Korea
Op 25 juni 1950 begon het communistische Noord-Korea, gesteund door China en de Sovjet-Unie, met een invasie op Zuid-Korea. In razendsnel tempo veroverden ze vrijwel het hele schiereiland. Gesteund door VN-troepen onder leiding van Amerika wisten de Zuid-Koreanen hun tegenstanders terug te dringen tot de 38ste breedtegraad. Nederland nam met een klein detachement troepen deel aan de strijd. Zo’n 4000 soldaten werden ingezet aan het front, onder loodzware omstandigheden. De strijd rond Hoengsong in februari 1951 is bekend geworden. Bij een massale aanval van Chinese en Noord-Koreaanse troepen sneuvelden zeventien Nederlandse soldaten, onder wie commandant Marinus den Ouden en legerpredikant Herbert Timens.

Doorslaggevend was een bezoek van NAVO-opperbevelhebber Dwight D. Eisenhower in januari 1951. Na een serie gesprekken toonde de Amerikaanse generaal zich teleurgesteld in de houding van het kabinet. Hij had niet de indruk dat Drees en zijn ministers de urgentie voelden om grootschalig te investeren in defensie. De Amerikaanse druk bleef hoog, verschillende memoranda uit Washington verplichtten Nederland om in NAVO-verband 1,5 miljard gulden per jaar uit te geven. Met minder namen de Amerikanen geen genoegen.
Amerika verplichtte Nederland 1,5 miljard gulden per jaar uit te geven
Langzamerhand gaf Drees toe. Na de val van zijn eerste kabinet over de kwestie-Nieuw-Guinea werden in de daaropvolgende kabinetsformatie knopen doorgehakt. Op 17 maart 1951 presenteerde Drees zijn tweede kabinet, dat zou voldoen aan de Amerikaanse begrotingseis van 1,5 miljard gulden per jaar, maar liefst 25 procent van de rijksbegroting. Dat was hard nodig, ook al leidde dat tot bezuinigen op het woningbouwprogramma. ‘De strijd op Korea heeft de mogelijkheid van conflicten ook elders in de wereld doen toenemen,’ zei de minister-president tijdens de regeringsverklaring. ‘Wij staan, hoe donker het soms ook om ons heen moge zijn, niet voor een toekomst zonder uitzicht. De collectieve veiligheid, waartoe wij in de Atlantische samenwerking onze bijdrage leveren, schept kans op een behoud van vrede en vrijheid.’
Schokking keerde na een welverdiende vakantie op Terschelling terug in Den Haag. Drees regelde voor hem een benoeming tot lid van de Raad van State, waar hij tot zijn dood in 1960 zou werken.
Meer weten:
- Het kabinet-Drees-Van Schaik (1948-1951) in Parlementaire geschiedenis van Nederland (deel 3), over de politieke discussies over defensie.
- H.J. Kruls. Een politieke generaal (2010) door Jaap Hoogenboezem vertelt het verhaal van deze chef-staf.
- Van wereldmacht tot ‘braafste jongetje’ (2019) door Christ Klep beschrijft de omgang van Nederland met de krijgsmacht door de eeuwen heen.
