Home Marie-Anne Lenormand

Marie-Anne Lenormand

  • Gepubliceerd op: 27 november 2013
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Caroline Hanken
Marie-Anne Lenormand

In de chaos van de Revolutie werd Mademoiselle Lenormand, nog altijd bekend van waarzegkaarten, gedwongen te werken in de straten van Parijs. Daar legde ze de kaarten voor haar klanten, in een bont gezelschap van straatverkopers, artiesten en charlatans. Maar haar bijzondere gaven zouden haar uiteindelijk brengen tot de kringen rond Napoleon en zijn echtgenote Joséphine.

Aan het einde van de achttiende eeuw waren door de Revolutie in Frankrijk duizenden op drift geraakt. Onder hen was een jonge vrouw, genaamd Marie-Anne Lenormand. Ze was als wees opgevoed in een benedictijner klooster in Normandië, dat in 1792 door de jakobijnen werd gesloten nadat alle kerkelijke bezittingen staatseigendom waren geworden.
           
Op zoek naar een nieuw bestaan, en omdat ze geloofde dat ze voorbestemd was tot iets groots, pakte ze haar bezittingen in een koffertje en nam een postkoets naar de hoofdstad. De reis naar Parijs over de onverharde wegen duurde zo’n zesendertig uur.
           
De Parijzenaars leefden in de greep van de Revolutie. Aan gebouwen hingen rood-wit-blauwe vlaggen en op muren waren leuzen gekalkt: ‘Égalité, fraternité, liberté ou la mort.’ De gevangen koning Lodewijk XVI riep op terug te keren naar de monarchie. Inspelend op onvrede over de moeilijke tijden en gevoelens van onzekerheid door de chaos van de Revolutie, waarschuwde hij als een vader voor de heilloze weg die ‘de valse vrienden van het volk’ waren ingeslagen. Maar vaderlijke vermaningen kregen geen gehoor meer, want er was een nieuw besef gegroeid dat het beter was het leven in eigen hand te nemen.
 
Het verloop van Marie-Annes eerste jaren in Parijs zou volkomen obscuur gebleven zijn, als niet een halve eeuw later een proces was gevoerd over de verdeling van haar erfenis. Uit dit rechtbankverslag blijkt dat ze in die tijd een goedkope kamer huurde in een pension in een van de armste wijken van Parijs, de Marais.
           
Daar ontmoette ze een jongeman die zich Flammermont noemde. Of dit nu zijn voor- of achternaam was, wordt niet duidelijk. Hij was bakkersknecht en verdiende een schamel loon, maar hij had tenminste altijd genoeg te eten. En dat was heel wat in een tijd waarin het brood nog op de bon was en er dagelijks lange rijen stonden voor de bakkerij.
           
In dit pension leerde Marie-Anne ook ene Madame Gilbert kennen. Zij was een weduwe die van het kleine pensioen dat ze kreeg niet kon rondkomen en dit aanvulde met wat ze op straat kon verdienen. Gewikkeld in een rode kasjmier sjaal trok de oude vrouw er elke middag op uit in de Marais. Daar woonden de bleeksters, keukenmeiden en waterdragers die ze met haar waarzegkaarten raad gaf. Ze deed ook aan handlezen en gaf adviezen voor het gebruik van kruidendrankjes en andere huismiddeltjes met een medische dan wel magische uitwerking.
           
In het pension raakten Flammermont, Madame Gilbert en Marie-Anne met elkaar bevriend, en ze besloten verder te gaan als een driemanschap. Madame Gilbert las de kaarten, terwijl Marie-Anne, verkleed als indiaan, de aandacht van passanten trok. Flammermont zorgde ervoor dat niemand zonder te betalen wegging, hield lastpakken en kwajongens op afstand, en probeerde nieuwe klanten aan te trekken door zelfgemaakt reclamedrukwerk te verspreiden.
 
Een leven op straat was in die tijd geen schande. De stad was vol arme, slimme drommels, die met vrijwel niets toch een nerinkje wisten op te zetten. Zelfs met een eenvoudige plank kon iemand nog aan de kost komen, als hij maar op het idee kwam om die op een druk punt van een modderige straat te leggen, om vervolgens welgestelde voorbijgangers die hun nette schoenen niet wilden bevuilen uit te nodigen ervan gebruik te maken. Uiteraard tegen een redelijke vergoeding.
             
Er werd op straat van alles verkocht: zelfgemaakte tandenstokers, papieren kragen, spelden, lucifers of rozen voor in het knoopsgat. Ook werden allerlei diensten aangeboden, zoals schoenenpoetsen, hondenscheren en waterdragen. Bij het uitgaan van het theater verdrongen de armen elkaar om tegen betaling portieren van koetsen te openen. De allerwanhopigsten voegden zich bij de regratteurs, die straatkeien schoonveegden op zoek naar spijkers die van paardenhoeven waren gevallen en kleine stukjes ijzer die van wagenwielen af waren geschuurd.
           
Madame Gilbert hielp Marie-Anne zich te bekwamen in de cartomancie, de kunst om kaarten te interpreteren. Ze moest veel uit haar hoofd leren. Allereerst de betekenissen van de kaarten. Een hartenheer, bijvoorbeeld, wees op de komst van een jonge blonde man. Lag er een schoppendame op de tafel, dan zou een donkere vrouw het pad van de vragensteller kruisen. Maar soms stond een schoppendame ook voor ‘een treurende weduwe’ – het hing ervan af hoe de kaart ten opzichte van de andere kaarten lag. Was deze omgekeerd op tafel terechtgekomen, dan veranderde de betekenis in ‘een geheim verlangen opnieuw te trouwen’.  
           
Madame Gilbert geloofde in een alomvattende magnetische kracht, die zich vanuit het heden uitstrekt naar verleden en toekomst, en de hand bestuurt van degene die de kaarten legt. Zo kon, naar haar idee, het lot van ieder mens op aarde worden geopenbaard. Tenminste, voor wie goed overweg kon met de kaarten. De oude waarzegster hamerde erop dat de juiste procedure moest worden gevolgd. De klant moest altijd zelf zijn kaarten trekken, en wel met zijn linkerhand. Omdat dit gauw vergeten werd, moest daar scherp op worden toegezien.
 
Flammermont had ondertussen een opklaptafel bemachtigd en was op zoek gegaan naar een geschikte plek op de drukste brug over de Seine, de Pont-Neuf. De brede brug stond elke dag vol straatventers, met aan het begin een verkoper van trekpopjes, die zijn koopwaar zo kunstig in beweging wist te brengen dat velen bleven staan om te kijken.
           
Een stukje verderop stond een dwerg, die eigenlijk niets anders deed dan zijn veel te hoge hoed afnemen in de hoop dat voorbijgangers er een munt in wierpen. En pontificaal midden op de brug bedreef de kiezentrekker zijn praktijk. Ook daar kwam veel publiek omheen staan. Wanhopige kiespijnlijders werden door de tandarts met een sterk gevoel voor theater behandeld. Of ze allemaal werkelijk patiënten waren, is nog maar de vraag.
           
Flammermont vond een plek naast een oude man in het zwarte rokkostuum van een leraar, die drie hondjes op hun achterpoten liet dansen. Ergens verderop jankte een viool.
           
Als ‘Amerikaanse Wilde’ stelde Marie-Anne, gewikkeld in een deken, zich op naast de tengere, zigeunerachtige Madame Gilbert. Ondertussen deelde Flammermont zijn pamfletten uit. De voorbijgangers kwamen in drommen over de brug – meestal in stevige pas op weg naar iets aan de overkant van de Seine, maar soms ook slenterend.
           
Een jonge vrouw, bijvoorbeeld, flanerend naast haar vrijer, die plotseling dacht dat het geluk vandaag weleens met haar zou kunnen zijn. Wie weet zou haar liefje door een paar woorden van de waarzegster eindelijk besluiten haar ten huwelijk te vragen. Marie-Anne zag het haar denken terwijl de vrouw haar vriend met lichte drang naar de tafel van de kaartlezeres dirigeerde.

Ze herkende ook al snel de weifelaars die voor de spanning terugdeinsden, diep vanbinnen bang voor de toekomst. De aanwezigheid van Marie-Anne als mysterieuze roodhuid naast Madame Gilbert hielp hen over hun schroom heen. Er was ontegenzeggelijk iets vreemds aan dit duo, waardoor niet helemaal duidelijk was of ze nu wel of niet serieus genomen moesten worden. De onzekeren konden zichzelf geruststellen: het was misschien maar een grap.
 
De zaken gingen goed, tot op een dag een klacht werd ingediend bij de politie. Marie-Anne en Madame Gilbert zouden iemand hebben voorspeld dat hij binnen tien dagen zou worden onthoofd. En in deze tijd was dat bepaald niet uitgesloten. Mensen werden van de ene op de andere dag opgepakt en soms al binnen enkele uren, na een schijnproces, naar de guillotine gestuurd. Maar na de voorspelde tien dagen die de man in doodsangst en wanhoop had doorgebracht, was hij nog steeds in leven. En omdat de voorspelling niet was uitgekomen, constateerde hij dat hij was opgelicht en deed daarvan aangifte.

Dezelfde dag nog werd het drietal gearresteerd en voorgeleid. Met de gedrukte pamfletten als bewijs viel niet te ontkennen dat ze de wet hadden overtreden die toekomstvoorspellingen doen verbood. Ze werden veroordeeld tot staking van hun activiteiten; de pamfletten van Flammermont werden in beslag genomen en vernietigd.
          
Na dit incident besloot Madame Gilbert om haar eigen weg te gaan. Ze werkte liever alleen en wilde terug naar haar oude klanten, met wie ze vergroeid was geraakt. Bij hen voelde ze zich nu eenmaal thuis; bij de tippelaars, dronkenlappen, armzaligen en de ongelukkigen, die ze hielp met haar toverij en die haar nooit zouden aangeven bij de politie.
           
Voor iemand als Marie-Anne, die met haar kloosteropleiding ook wel dienster of verkoopster had kunnen worden, was er in die tijd zo weinig werk dat ze geen andere keus had dan door te gaan op de ingeslagen weg. Zelfs al was de concurrentie immens.
 
In Parijs werkte een overweldigende hoeveelheid straatartiesten, onder wie veel zieners die voor drie of vier sou ieder op hun eigen manier voorspellingen deden. De een gebruikte een rad met vakjes waar na elke draai een briefje uit viel. De ander zat als astroloog in een verplaatsbaar hokje met een opgezette uil.
           
Een goochelaar liet zijn klanten papiertjes grabbelen, waar mysterieuze tekens op verschenen als ze in een kom met een speciale vloeistof werden gelegd. En dan was er nog de geheimzinnige magiër in zijn met hiërogliefen geborduurde robe, die aan het oor van zijn klant een lange buis zette waarin hij zijn voorspelling fluisterde. Met deze buitenissige lieden voelde Marie-Anne geen enkele verwantschap.
           
Maar er was nog zoveel meer op straat om je mee te vermaken en over te verbazen. Bijvoorbeeld voorwerpen die nu tot het domein van de wetenschap worden gerekend, zoals een microscoop, een camera obscura en een elektriseermachine, die men voor twee sou mocht uitproberen. Het begin van de negentiende eeuw was een tijd vol wetenschappelijke wonderen, die vaak even bizar leken als een kermisattractie. En het was niet eenvoudig uit te maken wie nu wetenschapper was en wie charlatan.
           
Hoe kon men weten of de praktijk van dokter Mesmer, waar de rijken van voor de Revolutie zich heen begaven om zich van hun welvaartskwalen te laten genezen, wel of niet kwakzalverij was? Het magnétisme animal van Mesmer en de Leidse flessen – met tin beklede flessen water die elektrisch geladen kunnen worden – waren voor de meeste mensen even onbegrijpelijk als fascinerend. En met al die wonderbaarlijke ontdekkingen van golven, stralingen, gassen, ijle vloeistoffen of welke andere onzichtbare kracht dan ook, leek het ene niet onwaarschijnlijker dan het andere.
 
Marie-Anne en Flammermont verlegden vanwege het politieverbod hun werkterrein naar de tuin van het Palais Royal, dat toen privébezit was van de hertog van Orléans en daarom buiten de bevoegdheden van de autoriteiten viel. De tuin, die dag en nacht was opengesteld voor publiek, was uitgegroeid tot een bolwerk van wetteloosheid. Opruiende pamfletten werden hier openlijk verkocht. Er werden verhitte politieke discussies gevoerd en radicale toespraken gehouden, maar het meest in het oog liep toch wel de bandeloosheid.
           
De hele dag klonk er een kakofonie van allerlei muziek en uitbundig gelach. Het krioelde er van de hoertjes, die met halfontblote borsten klanten probeerden te lokken. Acrobaten en goochelaars vertoonden er hun kunsten alsof hun leven ervan afhing. Tussen het publiek, dat geboeid bleef staan kijken, deden zakkenrollers hun werk.
               
De deuren van de speelhuizen stonden wijd open. Tot middernacht was het spel nog redelijk tam, maar daarna – als vrouwen niet meer werden toegelaten – veranderde de goktafel in een heftig strijdtoneel. De mannen zetten zwaar in, soms met alles wat ze hadden, en riskeerden daarmee zichzelf en hun families te ruïneren. Voor de verliezer was een speciale kamer met een canapé gereserveerd: la chambre des blessés, waar de ongelukkige zich kon terugtrekken om bij te komen. Hij mocht er zijn roes uitslapen of een priester laten roepen.
           
Waren ze maar eerst even langsgegaan bij Marie-Anne. Zij verleende nu als Mademoiselle Lenormand haar diensten, gezeten aan een tafeltje in het café vlakbij, waar het orkest van de blinden zijn melancholieke deuntjes speelde.
           
’s Avonds laat kwamen ook de acteurs en actrices, die zich na afloop van hun voorstelling verzamelden in de cafés van het Palais Royal. De staat had nog maar net het monopolie op de theaters opgeheven en overal werden nieuwe zaaltjes geopend. Parijs stroomde vol met operazangers en toneelspelers, vervuld van de hoop groot en beroemd te worden. Als het goed ging hadden ze plotseling veel geld te besteden. Maar voor hoe lang? Ze leidden een onzeker bestaan. Misschien zochten ze daarom houvast in de voorspellingen van Mademoiselle Lenormand.
           
Zo kwam zij in contact met de directrice van een populair theater om de hoek van het Palais Royal. Mademoiselle Montansier was de grande dame van het toneel, die voor de Revolutie een theater in Versailles had gehad en voorstellingen voor Marie Antoinette had gegeven. Nu in Parijs had Mademoiselle Montansier het nog altijd druk met nieuwe, vaak spectaculaire projecten. Onlangs verzon ze weer een nieuwe manier om klanten te werven: ze zou elke avond vijftig mooie courtisanes gratis in haar theater laten, om zo meer mannen aan te moedigen naar de voorstelling te komen kijken.
           
Mademoiselle Montansier was geïnteresseerd geraakt in het werk van Marie-Anne. Wat een waarzegster doet is immers een vorm van theater. Montansier hield ervan de aandacht te trekken met een curiositeit, en misschien geloofde ze ook werkelijk in de gaven van haar nieuwe protegé. Niet alleen hielp ze haar met de inrichting van een eigen kabinet aan de Rue de Tournon, ze beloofde haar ook te introduceren op het eerstvolgende feest in het Palais du Luxembourg. Daar resideerde sinds 1795 de nieuwe regering, het Directoire.
 
Met enige schroom betrad Marie-Anne op een feestelijke avond het weelderig ingerichte paleis. Zoveel luxe had ze nog nooit gezien, maar aan de zijde van Mademoiselle Montansier wist ze zich al snel een houding te geven. Ze maakte zo’n indruk op de elite die daar bijeen was dat het feest de opstap zou worden naar een lange en opmerkelijke carrière als waarzegster in de eerste helft van de negentiende eeuw.

 
 Kader

Gedurende vele jaren zou Marie-Anne een bijzondere clientèle, onder wie Joséphine de Beauharnais, aan zich weten te binden. Ook zou ze in contact komen met Napoleon, de Russisiche tsaar Alexander en de Nederlandse koning Willem I. Haar wonderbaarlijke carrière is door Caroline Hanken beschreven in Madame Vérité. Een waarzegster uit de kringen van Napoleon (€ 19,95) dat binnenkort verschijnt bij Atlas Contact.
 

Serie

Dit jaar publiceren vier schrijvers van literaire non-fictie bij uitgeverij Atlas Contact in Historisch Nieuwsblad, vooruitlopend op een nieuw boek. In het vorige nummer schreef Steffie van den Oord over een dramatische liefdesmoord in de achttiende eeuw. Eerder verscheen een voorpublicatie uit De vergelding van Jan Brokken, over de Tweede Wereldoorlog in het plaatsje Rhoon, en uit 1945. Biografie van een jaar van Ian Buruma, over de seksuele euforie in 1945. In dit nummer schetst Caroline Hanken de start van de wonderbaarlijke carrière van Mademoiselle Lenormand, die als waarzegster doordrong tot het Napoleontische hof.
 

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,- Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.