Home Marechaussee de straat op

Marechaussee de straat op

  • Gepubliceerd op: 30 maart 2011
  • Laatste update 07 apr 2020
  • Auteur:
    Gijs Rommelse

De ontruiming van een aantal Nijmeegse kraakpanden in 1981 dreef een oude controverse tussen de Koninklijke Marechaussee en de politie op de spits. Inzet van het conflict was de vraag in hoeverre een gendarmeriekorps kon worden belast met civiele politietaken. Met de gewijzigde Politiewet van 1988 trok de Marechaussee aan het langste eind.

Op 23 februari 1981 leidde de ontruiming van een aantal te slopen kraakpanden in Nijmegen tot grootschalige ongeregeldheden. Omdat de kraakbeweging had aangekondigd zich tot het uiterste te zullen verzetten en de Nijmeegse gemeentepolitie en het Korps Rijkspolitie onvoldoende waren toegerust voor deze ontruiming, had burgemeester F.J. Hermsen de assistentie ingeroepen van de Koninklijke Marechaussee (KMar).

De ruim zevenhonderd marechaussees kregen hierbij onder meer steun van drie dozertanks van de Landmacht en van een gespecialiseerd peloton van de Amsterdamse gemeentepolitie. Functionarissen van de plaatselijke politie dienden het optreden van de Mobiele Eenheden van de Marechaussee te coördineren.

Nadat de opmarsroutes waren vrijgemaakt van demonstranten, vocht een gespecialiseerde Marechaussee-eenheid, de Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB), zich het gekraakte pakhuis De Eenhoorn binnen. Nu resteerde nog een aantal huizen in de Piersonstraat. De krakers probeerden de ontruiming hiervan te verhinderen door vanaf de daken stenen, flessen en molotovcocktails te gooien. Door de krakers met traangas te verjagen waren de dozertanks in de gelegenheid de opgeworpen barricades opzij te schuiven en konden de kraakpanden vervolgens eenvoudig worden ingenomen. ‘Operatie Squatter’ was hiermee grotendeels volgens plan verlopen.

Op één belangrijk punt was echter van het draaiboek afgeweken. Twee van de drie opmarsroutes waren zonder veel geweld ontruimd, maar de derde, die door de Bloemerstraat, lag al open omdat een Marechausseepeloton daar een uur vroeger de demonstranten met wapenstokken en traangas had verjaagd.

Volgens de evaluatienota van burgemeester Hermsen had zich een misverstand voorgedaan tussen de hoofdcommissaris en de coördinerende politiefunctionaris, waardoor per abuis een Marechausseepeloton was ingezet dat niet op deze taak was voorbereid. Stenengooiende activisten hadden er vervolgens voor gezorgd dat de situatie was geëscaleerd. De tot dan toe rustige demonstranten waren zich gaan verzetten, en hierdoor zagen de marechaussees zich genoodzaakt geweld te gebruiken.

De ontruimingsoperatie kwam de verantwoordelijke bestuurders en de uitvoerende instanties op zware verwijten vanuit de media te staan. Vanwege de schoonveegactie in de Bloemerstraat moest vooral de Marechaussee het ontgelden. De Gelderlander schreef bijvoorbeeld dat ‘de Marechaussee met ongekend hevig geweld inhakte op zittende, zich niet verdedigende demonstranten’.

Opmerkelijk genoeg klonk ook vanuit politiekringen bijzonder scherp geformuleerde kritiek op het Marechausseeoptreden. Zo sprak L. van der Linden, de voorzitter van de Nederlandse Politiebond, van ‘geprogrammeerde robotten, die wekenlang voor de rellen in een kazerne werden opgefokt’. De Marechaussee was volgens hem dan ook volstrekt ongeschikt voor het uitvoeren van civiele politietaken. Van der Linden beweerde dat politieoptreden steeds verder dreigde te militariseren, als gevolg van de steeds grotere rol die de Marechaussee daarin was gaan spelen.

De Marechausseeleiding vond het nu hoog tijd voor een tegenoffensief. Zo verklaarde commandant generaal-majoor H.C. de Bruijn tegenover de pers dat niet meer geweld was gebruikt dan strikt noodzakelijk. De vrees dat het politiebestel door de groeiende rol van de Marechaussee dreigde te militariseren was volgens hem volkomen ongegrond. De voorzitter van de Marechausseevereniging, luitenant A. Ros, deed een duit in het zakje door te beweren dat er sprake was van een door de politie gevoerde ‘hetze’.

De ruzie tussen de Marechaussee en een deel van de politiewereld over de gebeurtenissen in Nijmegen en de aard van het politiebestel werd in de media tamelijk neutraal verslagen. Terwijl de aandacht voor deze kwestie in de algemene bladen snel wegebde, zette het debat zich in de vakbladen voort. De verbetenheid waarmee dit gebeurde is te verklaren uit het feit dat het conflict onderdeel was van een al veel oudere rivaliteit tussen de Koninklijke Marechaussee en de Rijkspolitie.

Om deze wedijver goed te kunnen begrijpen, moeten we een aantal stappen terug doen in de tijd. De Koninklijke Marechaussee werd opgericht in 1814. Dit gendarmeriekorps – een erfenis van de Franse Tijd – was een militair orgaan dat hoofdzakelijk civiele politietaken uitvoerde. Het had als zodanig maar weinig te maken met de rest van het leger. De essentie van het gendarmerieconcept school in de relatief zware bewapening, strikte discipline en sterke gezagsgetrouwheid van het korps. Landelijke en lokale overheden maakten daarom dankbaar gebruik van de Marechaussee.

Toch was zij kwetsbaar voor het verwijt dat militairen eigenlijk geen rol in het politiebestel zouden mogen spelen, omdat zij vaak te hardhandig optraden en geen neus voor het fijnere politiewerk hadden. Deze kritiek was vooral te danken aan het keiharde optreden van bereden marechaussees en andere militairen tegen ordeverstoringen. Zij reden daarbij vaak in volle galop op een menigte in en gebruikten hun sabels om eventueel verzet te breken. Hierbij kwam het voor dat er dodelijke slachtoffers waren te betreuren.

In 1856 kwam een merkwaardig compromis tot stand tussen voor- en tegenstanders van het gendarmerieconcept. In de zuidelijke provincies bleef de Marechaussee belast met de politietaak in de kleinere gemeenten, terwijl in de rest van het land de nieuw opgerichte civiele Rijksveldwacht deze taak ging vervullen.

Deze territoriale scheiding bleef van kracht totdat de Marechaussee in de jaren 1880 en ’90 naar het oosten en noorden van het land werd uitgebreid om daar de steeds frequentere en hevigere arbeidsonlusten in te dammen. Door deze maatregel nam de rivaliteit met de Rijksveldwacht sterk toe. De verhoudingen werden er niet beter op toen er vanaf 1917 ook brigades van de Marechaussee in de omgeving van Amsterdam en Den Haag werden gevestigd. De regering wilde zich op deze manier verzekeren van een krachtig instrument tegen een eventuele socialistische machtsgreep.

Dat de Rijksveldwacht nadrukkelijk werd gepasseerd in de ordehandhaving bleek ook tijdens het Jordaanoproer van juli 1934, toen de Marechaussee samen met andere militairen de Amsterdamse gemeentepolitie assisteerde, terwijl de Rijksveldwacht geen enkele rol kreeg toebedeeld.

Na de Tweede Wereldoorlog werd het takenpakket van de Koninklijke Marechaussee ingrijpend gewijzigd. Zij was tijdens de bezetting opgegaan in een nieuw gecentraliseerd staatspolitiekorps met de naam Marechaussee/Gendarmerie. Dit groeide uit tot een instrument bij de uitvoering van een aantal zeer misdadige aspecten van het Duitse beleid, waaronder de Jodenvervolging. Hierdoor was het na de bevrijding vrijwel uitgesloten dat de Marechaussee, met haar militaire status en haar besmette naam, opnieuw een vooraanstaande rol in de civiele politiezorg zou gaan spelen.

Op landelijk niveau werd deze taak nu toebedeeld aan het nieuw opgerichte Korps Rijkspolitie. De Marechaussee ging zich toeleggen op politietaken voor de krijgsmacht, grensbewaking en de beveiliging van het Koninklijk Huis, terwijl zij slechts in incidentele gevallen assistentie aan de civiele politie zou verlenen.

Voor veel vooroorlogse marechaussees was het moeilijk te verteren dat hun werkzaamheden, met uitzondering van de in de Politiewet van 1957 vastgelegde bijstandstaak, niet formeel als politietaken werden erkend. Zij bleven dan ook hopen dat hierin op den duur verandering zou komen en dat de Marechaussee formeel weer onderdeel van het politiebestel zou worden. Omdat de Rijkspolitie zich door dit verlangen in haar bestaansrecht bedreigd voelde, was rivaliteit het logische resultaat.

Het streven van de Marechaussee om weer als volwaardige politiedienst te worden erkend had aanvankelijk geen succes. De ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken wilden de Marechaussee namelijk per se buiten het politiebestel houden, terwijl Defensie geen belang had bij een politiestatus en er ook binnen de volksvertegenwoordiging weinig steun bestond.

Maar met het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus in maart 1966 begonnen de kansen te keren. Omdat bij voorbaat vaststond dat de Amsterdamse gemeentepolitie niet in staat zou zijn eventuele grootschalige ordeverstoringen te bedwingen en de Rijkspolitie wegens ernstige personeelstekorten onvoldoende kon bijspringen, moest burgemeester Van Hall een beroep doen op de Marechaussee. Drie maanden later moest de Marechaussee naar aanleiding van de Telegraaf-rellen opnieuw met honderden manschappen bijstand verlenen.

Omdat inmiddels duidelijk was dat de Amsterdamse gemeentepolitie in verband met mogelijk nieuwe ongeregeldheden structurele versterking nodig had, besloot de regering dat de Marechaussee in de hoofdstad ‘semipermanente bijstand’ moest gaan leveren. De hiervoor benodigde mankracht kwam beschikbaar door de bewaking aan de Belgische grens versneld af te bouwen.

Daarbij bleef het niet, want in 1968 werd, in verband met de gegroeide dreiging van terroristische acties en mogelijk gewelddadig optreden van militante Molukkers, in Den Haag dezelfde regeling getroffen, terwijl de Marechaussee een jaar later ook ging bijspringen in de beveiliging van Schiphol.

De toename van het terrorisme in de jaren zeventig bood de Marechaussee kansen haar rol in het civiele politiewerk verder te vergroten. Naar aanleiding van de Palestijnse gijzelingsactie in München in september 1972 besloot de Nederlandse regering op zo kort mogelijke termijn gespecialiseerde terreurbestrijdingseenheden op te zetten, waaronder een eenheid scherpschutters.

Justitie werd formeel verantwoordelijk voor het antiterrorismebeleid, maar omdat de Rijkspolitie voorlopig onvoldoende precisieschutters telde, zou Defensie gedurende één jaar schutters beschikbaar stellen. De leiding over deze door marine- en landmachtpersoneel gevormde eenheid, die bekend kwam te staan als de Bijzondere Bijstandseenheid Krijgsmacht (BBEK), lag in handen van de Marechaussee.

Hoewel de eenheid dus bedoeld was als een tijdelijke maatregel en de Rijkspolitie in 1973 een eigen scherpschutterseenheid oprichtte, bleef ook de BBEK bestaan. Een reeks gijzelingsacties, zoals die door het Japanse terroristische Rode Leger in de Franse ambassade in september 1974, of die door Molukkers bij Wijster, De Punt en in Bovensmilde, verschafte aan beide eenheden bestaansrecht.

Een tweede Marechaussee-eenheid die in de jaren zeventig het levenslicht zag was de eerder genoemde Brigade Speciale Beveiligingsopdrachten (BSB). De gijzelingsactie in de Franse ambassade eindigde in een overwinning voor de terroristen, die per vliegtuig met een vrijgelaten medestander en een koffer vol geld naar Syrië ontkwamen. Vanwege het hoge risico voor de gijzelaars hadden de scherpschutters niets kunnen uitrichten.

Om buitenlandse diplomaten in de toekomst beter te kunnen beveiligen tegen dit soort acties drong minister van Buitenlandse Zaken M. van der Stoel er bij premier J.M. den Uyl op aan ‘een speciaal korps’ op te zetten dat ‘preventieve beschermingsmaatregelen’ kon treffen. De commandant van de Marechaussee, brigadegeneraal E.N. Spronk, die Van der Stoels pleidooi ter ore kwam, zag hierin een uitgelezen mogelijkheid het taakveld van de Marechaussee te verbreden. In een brief aan minister van Defensie H. Vredeling erkende hij dat de bescherming van diplomatieke doelwitten in eerste instantie een politietaak was, maar ‘in de practijk is […] herhaaldelijk gebleken, dat de politie voor de uitvoering van deze taak de bijstand van de Koninklijke Marechaussee niet kan ontberen’.

Vredeling deelde Spronks zienswijze en gaf in 1975 toestemming om de BSB op te richten. Dat het de commandant niet alleen te doen was geweest om de beveiliging van hoogwaardigheidsbekleders bleek al snel. Eenmaal operationeel voerde de nieuwe eenheid tal van riskante klussen uit voor zowel de Marechaussee als de politie.

Al met al zorgden het activisme van vooral links-radicale groeperingen en de opkomst van het internationale terrorisme er dus voor dat de rol van de Marechaussee in de civiele politiezorg in de jaren zestig en zeventig flink werd uitgebreid. De Marechausseeleiding juichte deze de-facto terugkeer in het politiebestel toe, in de hoop dat een wettelijke erkenning van de Marechaussee als politiekorps dan niet kon uitblijven.

Daarnaast zou de grotere rol in de bijstandverlening haar kunnen behoeden voor personeelsverlies. Dit was een reëel gevaar, omdat door de Europese eenwording de grensbewakingstaak steeds meer aan belang inboette.

In maart 1980 leek de Marechaussee haar beloning te krijgen toen het kabinet-Van Agt I een voorstel voor een nieuwe Politiewet indiende, waarin expliciet werd vermeld dat de militaire politiezorg, grensbewaking en ‘nader te bepalen andere politietaken’ aan de Marechaussee toevielen. Hoewel de Marechaussee niet de status van politiekorps kreeg, poogde de regering met dit voorstel wel de gegroeide rol van de Marechaussee in de civiele politiezorg een wettelijke grondslag te geven.

Ironisch genoeg had de bijstand er dus voor gezorgd dat de andere werkzaamheden wettelijk zouden worden vastgelegd, terwijl juist alleen deze bijstandstaak al sinds 1957 in de Politiewet lag verankerd. In politiekringen stond men ambivalent tegenover de opname van de Marechausseetaken in de Politiewet.

Enerzijds hadden de Amsterdamse en Haagse agenten de bijstand van de marechaussees altijd op prijs gesteld en werkten zij collegiaal met hen samen. Ook lieten gemeentelijke politiekorpsen en de Rijkspolitie potentieel riskante klussen soms graag aan de Marechaussee over. Zo voerde de BSB in 1976 de ontruiming uit van een Moluks barakkenkamp in Vaassen, terwijl dezelfde eenheid in 1980 ook het gevaarlijkste werk deed tijdens de inname van een aantal Amsterdamse krakersbolwerken.

Anderzijds was er bezorgdheid, vooral binnen de Rijkspolitie. Het ingediende wetsvoorstel beoogde een provinciaal georganiseerd politieapparaat te vormen, waarin de Rijkspolitie zou opgaan. Het was voor een aantal rijkspolitiefunctionarissen bijzonder zuur dat het voortbestaan van het eigen korps op de tocht stond, terwijl de oude rivaal werd beloond en in de toekomst feitelijk als enige Rijkspolitietaken zou uitvoeren.

Bovendien waren zij van mening dat de groeiende bijstandsrol van de Marechaussee het karakter van het civiele politiewerk zou aantasten. De negatieve berichtgeving omtrent het Marechausseeoptreden in Nijmegen vormde daarom voor Van der Linden en een aantal Rijkspolitiefunctionarissen een uitstekende gelegenheid de gevaren van ‘militarisering van de politiezorg’ breed uit te meten in de pers en zo een poging te wagen de politieke besluitvorming omtrent de nieuwe Politiewet te beïnvloeden.

Het wetsvoorstel zou de eindstreep niet halen, omdat er in de Tweede Kamer te weinig draagvlak was voor een op provinciale leest geschoeide politie. Tegen de wettelijke erkenning van de taken van de Marechaussee bestonden echter nauwelijks bezwaren. Wat dat betreft hadden de waarschuwingen van Van der Linden en de politiefunctionarissen in politiek Den Haag geen merkbaar effect gesorteerd. In 1981 was vanuit linkse hoek weliswaar een aantal kritische vragen over het hardhandige politieoptreden gesteld, maar de steun voor de Koninklijke Marechaussee was er niet minder door geworden.

Toen het kabinet-Lubbers I in 1986 een nieuw ontwerp voor de te wijzigen Politiewet indiende, werden de taken van de Marechaussee dan ook wederom gespecificeerd, terwijl de bestuurlijke verantwoordelijkheid hiervoor helder werd omschreven. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel vormde dit nauwelijks onderwerp van discussie. In december 1988 trad de aldus gewijzigde Politiewet in werking. De commotie over het ‘excessieve geweld’ in Nijmegen had de terugkeer van de Marechaussee in het politiebestel geen moment in gevaar gebracht.

Meer weten?

Boeken
Een gedegen overzicht van de geschiedenis van het Rijkspolitiebestel is Verdeeldheid en eenheid in het rijkspolitieapparaat (2007) door Jos Smeets. Ordehandhaving in de negentiende eeuw staat centraal in Of geweld zal worden gebruikt! (2003) van de hand van Ronald van der Wal.
Het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) doet momenteel onderzoek naar de geschiedenis van de Marechaussee.

In Het Wapen onder dak (2009) van Michael van der Zee en Gijs Rommelse wordt onder meer aandacht besteed aan de rol van de Marechaussee in het politiebestel. Terrorismebestrijding door de Marechaussee komt aan bod in Het Wapen tegen terreur (2009) van Christaan van der Spek.
Over de geschiedenis van de kraakbeweging handelt het zeer lezenswaardige Een voet tussen de deur (2000) van Erik van Duivenvoorde.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €4,99 per maand, de eerste maand €1,99. Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.