Home Prostitutie ging ondergronds in zeventiende eeuw

Prostitutie ging ondergronds in zeventiende eeuw

  • Gepubliceerd op: 27 mei 2013
  • Laatste update 22 apr 2024
  • Auteur:
    Bas Kromhout
  • 3 minuten leestijd
Bordeelscène. Frans van Mieris de Oudere, olieverf op paneel, rond 1670. (Mauritshuis, Den Haag)

Dit artikel krijgt u van ons cadeau

Wilt u onbeperkt toegang tot de artikelen op Historischnieuwsblad.nl? U bent al lid vanaf €1,99 per maand. Sluit hier een abonnement af en u heeft direct toegang.

De legalisering van prostitutie in Nederland heeft gefaald: in plaats van minder zijn nu meer criminelen in de branche actief. In de politiek groeit het draagvlak voor nieuwe, strengere wetgeving. Het zou niet de eerste keer zijn dat de prostitutiewetgeving in Nederland werd veranderd. De geschiedenis laat een slingerbeweging zien tussen regulering en criminalisering, vertelt historica Lotte van de Pol, die veel heeft geschreven over prostitutie in de vroegmoderne tijd.

‘In de late Middeleeuwen was de prostitutie in de meeste Europese steden toegestaan, maar strikt gereguleerd. Het Amsterdamse stadsbestuur bezat bordelen in de huidige Damstraat en Pijlsteeg. Het beheer was in handen van schoutsdienaren, die er ook hun inkomen uit haalden. Prostituees mochten nergens anders werken, en via kloosters werd hun de mogelijkheid geboden eruit te stappen. Alleen ongehuwde mannen mochten de bordelen bezoeken.

Vanaf 1578, toen de stad zich aansloot bij de calvinisten en de Opstand, werden de stadsbordelen gesloten en prostitutie verboden. Op seks buiten het huwelijk, al dan niet tegen betaling, stonden flinke straffen. Een gehuwde man kon er wel tot vijftig jaar lang voor worden verbannen.

De prostitutiebranche reageerde op het verbod door ondergronds te gaan. Verspreid over de stad kwamen er kleine hoerhuizen, vaak gedreven door een vrouw. Het was voor de kleine politiemacht van die tijd moeilijk het prostitutieverbod te handhaven. In de praktijk werden periodes van vervolgingen afgewisseld met periodes van gedogen.

In de achttiende eeuw werd het prostitutiebedrijf steeds meer gedoogd. Dat maakte het mogelijk grotere en luxueuzere bordelen – ‘speelhuizen’ – te stichten. Mannen traden weer op de voorgrond als organisators, omdat zij een grotere toegang tot kapitaal hadden dan vrouwen.

Tegelijkertijd nam de bezorgdheid over de verspreiding van geslachtsziekten toe, en dat leidde in de negentiende eeuw tot nieuwe wetgeving. Prostitutie was niet meer strafbaar, maar de prostituees werden verplicht zich wekelijks te laten controleren op syphilis. De vrouwen ondergingen dus een vernederende handeling, terwijl het voor mannen volstrekt normaal was om naar de hoeren te gaan.

In het laatste kwart van de negentiende eeuw kwam een felle tegenbeweging op gang, bevorderd door het protestante Reveil en de feministische beweging. Dat resulteerde in 1913 in een bordeelverbod en de strafbaarstelling van pooiers, wetgeving die officieel van kracht is gebleven tot 2000.

De huidige wetgeving heet legalisering maar houdt in feite strikte regulering in. Zo zijn de tippelzones in de grote steden afgeschaft. Door prostitutie als normaal beroep te erkennen, hoopte de overheid de branche uit de handen van de criminaliteit te halen. Maar de legalisering heeft juist de deuren opengezet voor vrouwenhandelaars.

Sommige politici willen nu net als in Zweden de hoerenlopers bestraffen. Dit land heeft hierin een traditie die teruggaat tot de vroege negentiende eeuw. In Nederland ken ik maar één voorbeeld van vervolging van alle klanten, namelijk in Den Haag in de late achttiende eeuw. Het positieve aan het Zweedse model is, vind ik, de boodschap dat ook de klanten schuldig zijn aan misstanden en dat hoerenlopen niet normaal is.

Het zou mooi zijn als de prostitutie een vrijwillige overeenkomst was tussen volwassen mensen. Een substantieel deel van de prostituees werkt ook op die basis. Maar de meerderheid bestaat uit kwetsbare jonge vrouwen die gedwongen worden. Beleid dat beide groepen tevredenstelt is onmogelijk. De overheid moet opkomen voor de slachtoffers. De geschiedenis laat zien dat het beter is de organisators aan te pakken dan de prostituees. Daarom moet het pooierschap weer strafbaar worden.’

Openingsafbeelding: Bordeelscène. Frans van Mieris de Oudere, olieverf op paneel, rond 1670. (Mauritshuis, Den Haag)