Meer dan een eeuw lang moesten inheemse kinderen in Canada naar speciale kostscholen om tot ‘echte’ Canadezen te assimileren. Lijfstraffen, honger en kinderarbeid waren er aan de orde van de dag. Nog regelmatig volgen onthullingen over de manier waarop de kinderen zijn behandeld. Dat staat een verzoening met de inheemse bevolking in de weg.
Op een namiddag in 1956 probeerde de 14-jarige Theodore Niizhotay Fontaine voor de tweede keer van school te ontsnappen. De jongen, lid van de inheemse Sagkeeng Anicinabe-gemeenschap in de Canadese provincie Manitoba, had stiekem een sigaret gerookt. Als straf kreeg hij in het bijzijn van de andere kinderen een vuistslag in het gezicht. Theodore schrijft in zijn memoires dat het voelde ‘alsof hij tegen een honkbalknuppel was aangerend’.
Lijfstraffen waren aan de orde van de dag op de Fort Alexander Residential School. Hoewel Theodore vastbesloten was om nooit terug te keren,stuurden zijn ouders hem toch weer de schoolbanken in. Zij zagen het christelijk onderwijs in Europese stijl, geleid door de katholieke Oblaten van de Onbevlekte Maagd Maria, als de beste manier om hun kind vooruit te helpen.
Theodore was een van de 150.000 inheemse kinderen die tussen 1883 en 1997 door de Canadese overheid op soortgelijke kostscholen werden ondergebracht. Bijna dertig jaar geleden werd het laatste internaat gesloten, en sindsdien zijn steeds meer misstanden aan het licht gebracht. Honger, kinderarbeid en mishandeling waren vaker regel dan uitzondering.
Bevolking in bedwang
De neerbuigende houding van de Canadezen tegenover de oorspronkelijke bewoners gaat terug tot de Europese kolonisatie van Noord-Amerika. Het kostschoolsysteem ontstond in 1883, toen onder toezicht van de Canadese overheid drie internaten werden gesticht in de huidige provincies Saskatchewan en Alberta. Maar deze instellingen waren niet de eersten in hun soort. Al in 1620 was in Québec een Franse missieschool gestart door de Franciscaanse Recollettenorde. Die wilde inheemse kinderen ‘beschaven’ door ze te verfransen en te bekeren tot het christendom.

Dit artikel is exclusief voor abonnees
Deze eerste internaten hadden weinig succes. Ouders weigerden hun kinderen af te staan en veel leerlingen vluchtten van school. Pas in de negentiende eeuw, toen het Britse Rijk zijn controle over Noord-Amerika verstevigde, werd het koloniale beschavingsoffensief nieuw leven ingeblazen. Ditmaal op grotere schaal. Katholieke ordes en protestantse kerkgenootschappen beconcurreerden elkaar in de jaren twintig met kostscholen door het land. Nadat Canada in 1867 als zelfbesturende staat onderdeel werd van het Britse Rijk, ontvingen deze missiescholen overheidssubsidies. Al snel ontdekte de regering in Ottawa dat ze de inheemse bevolking in bedwang kon houden via een landelijk systeem van internaten.
Ze streefde naar de assimilatie van deze volkeren − tegenwoordig ‘First Nations’ genoemd − als ‘volwaardige’ Canadezen. Daarvoor moesten hun inheemse identiteiten worden uitgewist. Kostscholen werden als het beste middel daartoe gezien. Afgezonderd van hun ouders zouden de kinderen, in de woorden van minister van Openbare Werken Hector-Louis Langevin, ‘de gewoontes van beschaafde mensen overnemen’.
Inheemse identiteiten moesten worden uitgewist
Onder druk naar een internaat
Het Canadese systeem was in dit opzicht niet uniek. Ook in Australië, Scandinavië en Amerika probeerden de autoriteiten inheemse kinderen op kostscholen ’te beschaven’. De Verenigde Staten waren zelfs een voorbeeld voor Canada. Zo beval journalist en politicus Nicholas Flood Davin de Canadese overheid in 1879 aan om het Amerikaanse model van federaal gefinancierde scholen over te nemen.
De barsten in het systeem werden gauw zichtbaar. Er was geen financieel meerjarenplan uitgestippeld, waardoor scholen stelselmatig over te weinig middelen beschikten. Een vage taakverdeling tussen de staat en de kerkelijke instellingen verergerde dit. In 1894 kreeg het federale departement van Indiaanse Zaken de verantwoordelijkheid voor de bouw en financiering van de scholen, en voor de selectie van de leerlingen. De kerken gingen over de dagelijkse gang van zaken, maar moesten zich daarbij houden aan overheidsnormen. Deze afspraken werden amper nagekomen.
Vanaf 1920 kon Indiaanse Zaken inheemse kinderen tussen de zeven en vijftien jaar verplichten om naar school te gaan. De leerlingenaantallen stegen daardoor in rap tempo. Drie jaar later waren er al 71 scholen en 5.347 leerlingen. In de jaren die volgden nam dit aantal steeds verder toe, en daarmee het aantal problemen op de internaten.
Voor straf kregen inheemse kinderen een trap
Theodore Niizhotay Fontaine was zeven jaar oud toen hij in 1948 naar het internaat werd gebracht. Als vrome christen was zijn moeder overtuigd van de welwillendheid van het schoolpersoneel, maar ook huiverig om de kerk tegen te spreken. Veel andere ouders weigerden hun kind aan een kostschool af te geven, maar hun weerstand was vaak zinloos. Indian agents, lokale vertegenwoordigers van Indiaanse Zaken, konden kinderen namelijk onder dwang naar school brengen.
Tucht kenmerkte de dagindeling. Op Theodores slaapzaal sliepen vijftig jongens en meteen nadat ze waren opgestaan, werden ze geïnspecteerd. Wie in bed had geplast moest met de vieze lakens over zijn hoofd wachten, terwijl de anderen zich klaarmaakten voor de ochtendmis. De overige activiteiten – de eet-, speel- en gebedsmomenten, de lessen en de corveediensten – werden even streng uitgevoerd. Als het personeel vond dat een kind te traag was of niet oplette, kreeg het al snel een trap.
Wie in bed had geplast, moest met de vieze lakens over zijn hoofd staan
Eenzame opsluiting
De Canadese overheid was van begin af aan op de hoogte van het geweld dat onder het mom van discipline plaatsvond. In 1895 beval hoofdcommissaris van Indiaanse Zaken Hayter Reed zijn staf om alle schooldirecteuren erop te wijzen dat excessieve straffen niet waren toegestaan, maar dat is nooit gebeurd. Tot laat in de jaren zestig werden straffen opgelegd die al rond de eeuwwisseling als onacceptabel werden gezien, zoals eenzame opsluiting.
Ook Theodore kreeg zulke straffen. Toen hij met medeleerlingen zijn moedertaal Ojibwe sprak, werd hij door een van de nonnen vastgezet in een kast onder de trap. Zij waarschuwde hem om die ‘wilde’ taal niet meer te spreken. Engels was zowel tijdens de les als daarbuiten de landelijke voertaal – zelfs in Franstalige gebieden. Andere cultuuruitingen werden ook afgekeurd. Zo werden kinderen op de Sacred Heart Residential School in Alberta door hun directeur gewaarschuwd dat zij gegeseld zouden worden als zij aan de zonnedans meededen. Van een meisje op de school in Kamloops, Brits-Columbia, werd een huisgemaakte miniatuurtotempaal afgepakt omdat deze ‘duivels’ zou zijn.
Kostscholen waren broedplaatsen van ziektes
De scholing van de kinderen voldeed niet aan de landelijke standaarden voor het openbaar onderwijs. Docenten werden onderbetaald en veel leerkrachten waren niet gekwalificeerd om voor de klas te staan. In 1955 had 23 procent van de docenten geen lerarendiploma behaald.
Theodores lessen bestonden uit lezen, schrijven en rekenen, gevolgd door catechisatie. Hierop terugblikkend stelde hij dat hij niets had geleerd. Uit verschillende inspecties bleek dat kinderen vooral feiten memoriseerden, zonder verdere toepassing. Ze waren een groter deel van de dag kwijt aan corveediensten die neerkwamen op kinderarbeid, gericht op het onderhoud van de school in plaats van op hun persoonlijke ontwikkeling. Theodore maakte de veestallen schoon, repareerde kleding en stapelde haardhout in de winterkou.

Door het structurele geldtekort ging de intensieve arbeid gepaard met gebrekkige maaltijden en honger. Zo herinnerde Theodore zich maaltijden bestaande uit pap, brood met melk, en reuzel. In 1947 stelde L.B. Pett, het hoofd van de voedselafdeling van de federale overheid, vast dat ‘geen enkele school zijn leerlingen goed voedde’.
Het slechte eten en de vaak krakkemikkige gebouwen waarin de kinderen werden ondergebracht, maakten dat scholen broedplaatsen waren van ziektes als tuberculose. Volledige sterftecijfers zijn lastig vast te stellen; alleen al tussen 1936 en 1944 zijn er zo’n 200.000 documenten van Indiaanse Zaken vernietigd. De Canadese Waarheids- en Verzoeningscommissie stelde in 2015 vast dat er in totaal 3201 geïdentificeerde en niet-geïdentificeerde leerlingen zijn gestorven op de internaten. Inmiddels wordt dat aantal hoger geschat, en veel sterfgevallen worden tot op de dag van vandaag onderzocht.
Assimilatie was verplicht
In het schooljaar 1956-1957 stonden 11.539 kinderen ingeschreven, meer dan ooit tevoren. In dezelfde periode besloot de regering de internaten af te schalen: ze werden te duur. Een parlementair comité had daarom al in 1948 voorgesteld inheemse kinderen naar het openbaar onderwijs over te plaatsen. Kerkelijke instellingen protesteerden daartegen en beweerden dat de kinderen vervreemd zouden raken in een voor hen onbekende leeromgeving. Uiteindelijk nam de overheid in 1968 toch de volledige controle van de internaten over.
Ze wilde alle residential schools sluiten, maar dat ging moeizaam. Naarmate de kinderen werden overgeplaatst, kwam er een lappendeken aan onderwijsvormen tot stand. Zo werden de Inuit in het Noordpoolgebied, die niets te maken hadden met het onderwijsbeleid in het zuiden, vanaf de jaren vijftig naar scholen gestuurd die nog het negentiende-eeuwse koloniale gedachtegoed aanhingen. Ook in het zuiden werd assimilatie in feite doorgezet: daar moest de gemengde leeromgeving in het openbaar onderwijs het proces juist versnellen.
De overgebleven residential schools transformeerden in opvangplekken waar aandacht zou zijn voor het welzijn van de kinderen. Toch werd er vaak slecht voor ze gezorgd. In wat later bekend werd als de ‘Sixties Scoop’ werden zogenaamd verwaarloosde inheemse kinderen weggehaald bij hun families en naar internaten en pleeggezinnen gestuurd.
Klachten werden genegeerd
Na hun tijd op de kostscholen waren kinderen vaak het spoor bijster. Vervuld van zelfhaat en vervreemd van zijn inheemse afkomst zocht Theodore aanvankelijk zijn toevlucht in alcohol. Zoals veel andere voormalige leerlingen voelde hij zich verloren tussen twee culturen. Hij ging in rap tempo van baan naar baan.
Ondertussen groeide het inheemse zelfbewustzijn. Belangenassociaties als de National Indian Brotherhood wilden dat inheemse gemeenschappen de overgebleven internaten beheerden. Blue Quills Residential School in Alberta was in 1973 de eerste school waarbij dat gebeurde.

Steeds meer voormalige leerlingen begonnen daarna openlijk te praten over hun schoolervaringen. In 1989 en 1990 werden voormalige medewerkers van residential schools uit Brits-Columbia en Yukon aangeklaagd voor seksueel misbruik. De rechtszaken sloegen in als een bom. In overheidskringen was al sinds de negentiende eeuw bekend dat er misbruik plaatsvond op de scholen. Maar de schuldige stafleden werden vaak naar een andere school gestuurd, de politie werd amper ingeschakeld en klachten werden vaak genegeerd.
Vanaf eind jaren tachtig begon de landelijke schaal van het misbruik duidelijk te worden. Tussen 2007 en 2020 ontving de Canadese overheid 38.276 schadeclaims van slachtoffers van fysieke mishandeling of seksueel misbruik op de scholen. Daarvan zijn er 33.861 toegekend. De onthullingen leidden tot verdere maatschappelijke verontwaardiging over de kinderverwaarlozing. Excuses van de verschillende kerkelijke instellingen volgden snel. De Oblaten, de orde die verantwoordelijk was voor Theodores school, boden hun excuses aan in 1991.
De overheid ontving 38.276 schadeclaims van mishandeling of seksueel misbruik
De lange weg naar verzoening
Geconfronteerd met het groeiende aantal rechtszaken besloot de Canadese overheid uiteindelijk tot een collectieve schikking te komen. Vanaf 2007 konden oud-leerlingen herstelbetalingen aanvragen. Het jaar daarna werd een waarheids- en verzoeningscommissie opgericht om de historische wandaden volledig in kaart te brengen. Op 11 juni 2008 verontschuldigde premier Stephen Harper zich voor het leed dat de residential schools de inheemse bevolking hebben aangedaan.
Maar daarmee was de kous niet af. In mei 2021 bleek uit onderzoek rondom de school in Kamloops dat er mogelijk ongemarkeerde graven lagen met stoffelijke resten van honderden kinderen. Het nieuws leidde tot hernieuwde aandacht: 21 september werd officieel tot ‘nationale dag voor waarheid en verzoening’ uitgeroepen en paus Franciscus verontschuldigde zich in 2022 voor het misbruik door katholieke geestelijken.
Toch wil niet iedereen in Canada breken met het koloniale verleden. Opponenten van de nationale verzoeningspolitiek spreken zich steeds prominenter uit. Ze wijzen erop dat er nog steeds geen stoffelijke resten gevonden zijn in Kamloops. Politici als Dallas Brodie, leider van de rechts-conservatieve OneBC partij uit Brits-Columbia, zeggen daarom dat de ernst van het misbruik op de scholen wordt overdreven en dat de staat aan een onterechte boetedoening doet.
Daadwerkelijke verzoening lijkt zo nog ver weg te zijn. Maar Theodore, die in 2021 overleed, zette zich daar wel voor in. Hij hielp bij geschillen tussen oud-leerlingen en de federale overheid, en sprak door het hele land over wat hij had meegemaakt.
