• Inloggen
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Account aanmaken
    donderdag 28 april 2022

    Het verborgen leed van verzetsvrouw Hannechien Post-Salomons

    Door: Jan-Willem van de Kolk

    Tijdens de laatste dagen van april 1945 lopen Nederlandse verzetsvrouwen in een dodenmars door het Duitse Beieren. Ze zijn sterk vermagerd en uitgeput door de treinreizen in goederenwagons en hun verblijf in drie concentratiekampen. De vrouwen houden zich met hun laatste krachten staande. Een van hen is Hannechien Post-Salomons. Het gerucht gaat dat de Duitsers van plan zijn om de gevangenen te verdrinken in een dal dichtbij Innsbruck. Zover komt het gelukkig niet. Op 30 april 1945 halen de Amerikaanse bevrijders de dodenstoet in.

    Hannechien, ofwel Annie, Post-Salomons (1901-1982) was de oudste dochter van een gereformeerd schippersechtpaar. Ze groeide op in het Drentse Nieuw-Buinen. Anders dan haar achternaam doet vermoeden, was ze niet van Joodse afkomst. Annie trouwde in 1925 met Marinus, telg van de bekende familie Post uit Hollandscheveld. Samen betrokken ze een boerderij in Dalerpeel. Hun boerenbedrijf liep dermate goed, dat ze in het voorjaar van 1940 met hun acht kinderen verhuisden naar een nieuwe boerderij bij Kampen.

    Omsingelde boerderij

    Annie en Marinus behoorden tot de eersten die onderduikers opvingen. Terwijl Marinus vaak op pad was, zorgde Annie voor de oorlogsvluchtelingen, soms wel twintig tegelijk. De boerderij bood een centrale schuilplek en diende als tussenstation naar onderduikadressen, zowel voor Joden als voor niet-Joden. De 16-jarige zoon Jan vertelde dat zijn moeder eindeloos in de weer was met het hakken van hout en onophoudelijk kookte: ‘…En vader zorgde dat er eters kwamen! Families, die in moeilijkheden zaten, daar ging hij op af.’ Nadat Jan zijn beklag had gedaan, kwam Marinus hem tegemoet. ‘Vader beloofde dat hij wat meer rekening met ons zou houden. Moeder was het “eigenlijk ook wel” met me eens.’

    Hannechien Post-Salomons.

    Maar dan gaat het mis. In de beruchte nacht van 26 op 27 juli 1943 vindt er opeens een razzia plaats. Alle bewoners worden verrast als een politiecommando de boerderij omsingelt. Annie stopt snel de jongste kinderen in het ouderlijk bed. Hennie, haar dochter en destijds een kleuter, herinnert zich hoe haar moeder handelde: ‘Onder het bed stond een doos met droge worst. Daar was ik gek op. Nu mocht ik zoveel eten als ik lustte.’

    Bij de schietpartij die ontstaat wordt Marinus in zijn been geraakt, maar hij weet te ontkomen. Annie en Jan verstoppen zich in het hooi, maar worden ontdekt, tegen een muur gezet en bedreigd met standrechtelijke executie. Uiteindelijk worden ze samen met de onderduikers overgebracht naar het politiebureau, waar Annie  tevergeefs een Joods jongetje probeert te redden door te beweren dat het haar kind is. Haar eigen kinderen worden bij Annies familie ondergebracht. Enkele dagen na de overval wordt de boerderij in brand gestoken. Waarschijnlijk in opdracht van Marinus, die bewijsmateriaal wilde wissen.

    Bunkerdrama

    Na twee dagen worden Annie en Jan overgeleverd aan de Sicherheitsdienst (SD) in Arnhem. In de Koepelgevangenis worden ze dagenlang ondervraagd, soms vriendelijk, dan weer hardhandig. Annie en Jan hebben echter geleerd te zwijgen. Jan vertelt erover: ‘Een keer zeiden ze dat vader was opgepakt en dat hij alles had verteld. Toen heb ik gezegd: “Dan moeten jullie hem gelijk doodschieten, want dat heeft hij dan verdiend”. Daarna werden ze kwaad. Ze wisten: hij prikt er doorheen.’

    Op 11 september 1943 wordt Jan, waarschijnlijk samen met zijn moeder, overgebracht naar Kamp Vught. Annie komt terecht in een Philips-barak en ontmoet daar medegevangene Jacob Derk de Witt. Jacob is commandant van de Koninklijke Marechaussee in Grootegast en is met zijn hele groep gearresteerd. Jacob trekt zich het lot van Jan aan en belooft Annie voor haar zoon te zorgen als er iets met haar zou gebeuren. Jan kan zijn moeder voorlopig blijven ontmoeten. Ze ontvangen voedselpakketten van familie en vrijwilligers van het Rode Kruis.

    Annie en Jan ontvangen en schrijven brieven. De kampcensuur ziet daarbij streng toe op de inhoud van de correspondentie. Van zowel Annie als Jan zijn acht brieven bewaard gebleven. Op 6 november 1943 schrijft Annie: ‘Lieve allen! Hoe gaat het met jullie allen? Met mij gaat het heel goed hoor. We kunnen niet dankbaar genoeg zijn voor alles wat onze Heere ons geeft, ook in het rijk der natuur. Wat was ik blij met de laatste brief, dat het me jullie zo goed gaat. Hartelijk dank voor de pakjes, hoor.’ De inhoud van haar brieven vertelt veel over haar doorzettingsvermogen, geloof en verlangen. Een maand later bericht ze: ‘Met ons gaat het heel goed hoor. Ik heb ook mijn verjaardag hier gevierd. M’n tafelgenoten hebben me het zo gezellig mogelijk gemaakt. Dat was heel aardig, maar ik hoop een volgende met jullie allen te vieren, zoo de Heere wil en dat wij leven.’ De sfeer is redelijk gemoedelijk in het kamp,  maar op 15 januari 1944 verandert dat.

    Annie wordt slachtoffer van een van de gruwelijkste oorlogsmisdaden die op Nederlands grondgebied heeft plaatsgevonden: het Bunkerdrama. Gevangene Non Verstegen treitert een verklikster en wordt in de kampgevangenis gezet. De vrouwen uit Barak 23b tonen zich solidair. Kampcommandant Grunewald legt het uit als muiterij. Hij sluit Annie en 73 andere vrouwen een nacht lang op in cel 115, een cel met een vloeroppervlakte van negen vierkante meters. De vrouwen gaan door een hel. Tien van hen komen om het leven door verstikking en verdrukking. Anderen worden krankzinnig.

    Op 13 februari schrijft Annie een brief waarin geen spoor van het Bunkerdrama is terug te lezen. ‘Lieve allen! Hoe gaat het met jullie allemaal? Met mij heel goed hoor! We hebben een heel gezellig clubje aan tafel. Fijn is het, dat je elkaar begrijpt. Ik vind het zoo fijn, dat ik telkens wat van jullie hoor. Dat is zoo mooi. Is Marie weer helemaal beter? Ik hoop dat we gauw weer bij elkaar mogen zijn, dat we elkaar allen in gezondheid mogen ontmoeten. De Heere zal zorgen. Daar zullen we alles aan overlaten. Dat is m’n grootste troost. Nu allemaal de hartelijke groeten, hoor. De kinderen een dikke zoen en Mar ook. Hartelijke groet hoor, van jullie liefhebbende Annie. Dag.’

    Ravensbrück

    In het voorjaar scheiden de wegen van moeder en zoon. Jan en Jacob worden plotseling op transport gezet naar Dachau. Afscheid nemen is er niet bij. Annie schrijft haar laatst bewaarde brief op 4 juni 1944: ‘Lieve Marie en allemaal! Jannie en Pietje zijn naar Duitsland vertrokken. Dat was een teleurstelling voor mij, maar ook daar is dezelfde God. Hij kan ons overal behoeden en bewaren. Ik verlang soms zoo sterk naar jullie allemaal en jullie zijn steeds in mijn gedachten. Het is net als je schrijft: het slijt niet, maar wordt steeds erger. Maar de Heere zal uitkomst geven op Zijn tijd. Ik wou nog veel meer schrijven, maar ’t gaat niet. Ontvang de hartelijke groeten en doe ze aan allen. Vele omhelzingen en zoenen van jullie liefhebbende moeder, zus en vriendin, Annie.’

    Dolle Dinsdag, 5 september 1944, is de aanleiding om 3.400 gevangenen halsoverkop naar andere concentratiekampen te sturen. Annie vertrekt op de drempel van haar bevrijding in een overvolle trein met 651 vrouwen. Hun bestemming ligt ver van het front: het vrouwenkamp Ravensbrück ten noorden van Berlijn. In iedere wagon is plaats voor 40 personen, maar er worden tot 85 vrouwen in gedrukt. De reis duurt drie dagen en twee nachten, en de vrouwen slapen staand.

    Ondanks de barre treinreis komen de vrouwen zingend aan in Kamp Ravensbrück. Als ze door de poort lopen schrikken ze echter enorm. Hans Suijs tekent in zijn boek Samen eervol overleefd getuigenissen op. ‘De kampgevangenen komen als wilde beesten op ons af. Het klein beetje brood dat we nog hebben werpen we hen toe, zoals in een dierentuin. Ze vechten er vervolgens om.’ Het kamp is desolaat, vies en overvol. De groep uit Vught brengt de eerste nacht onder de blote hemel door, op een berg kolengruis. Daarna zullen ze ‘s nachts in drietallen in een smal bed liggen. Om het uur klinkt het commando: ‘draaien!’.

    Tijdens hun verblijf tonen de vrouwen zich uitermate solidair. Ze delen voedsel en dekens, praten veel en lezen samen de bijbel. Ze zingen waar mogelijk. ‘Wat is dat heerlijk als je dan uit alle hoeken van de zaal hoort dat ermee gezongen wordt. Het is alsof je heel dichtbij de hemel bent.’ Op 12 oktober 1944 worden de sterkste vrouwen, waaronder Annie, overgeplaatst. Van de achterblijvers in Ravensbrück overlijden er ongeveer 200 vrouwen.

    München-Giesing

    193 Nederlandse vrouwen reizen 900 kilometers in een veewagon naar München-Giesing, een buitenkamp van Dachau. De omstandigheden daar zijn beter dan in Ravensbrück en de overlevingskansen zijn er groter. Het kamp bestaat uit flatwoningen die worden omheind door prikkeldraad en wachttorens. Elke werkdag lopen de vrouwen twintig minuten door de straten van München naar oorlogsfabriek Agfa Kamerawerke, een groot en donker complex. De meesten dragen oude herenjassen, bijeengehouden door een ceintuur. De mantels zijn aan de voor- en achterkant voorzien van kruizen en hun schoeisel is slecht. De vrouwen dragen klompmuilen, houten blokken met leer. Het maakt vluchten welhaast onmogelijk.

    Foto dodenmars (bron Jan van Ommen, een geheime foto gemaakt door Benno Gantner).

    Gewapende SS’ers escorteren de groep. Onderweg slaan jongeren, aangemoedigd door hun moeders, met stokken tegen de benen van de vrouwen. ‘De scheldende Hitlerjugend in uniform gooit met puin. We beginnen uit volle borst te zingen. De bewakers schreeuwen dan. Wij proberen ze te overstemmen. Als we teruggaan zingen we weer.’

    Ondertussen nemen de hevige bombardementen in Duitsland toe. Voedsel wordt schaarser in het kamp: boterhammen zijn afgeschaft en de soep wordt dunner. Van het Nederlandse Rode Kruis vernemen de vrouwen sinds Vught taal noch teken. De bedrijfsleiding wil prestatiebeloningen invoeren: bonussen voor extra prestaties, maar de vrouwen wijzen dat resoluut af. ‘Saamhorigheid is onze kracht en zal dat blijven. Nu doen we dwangarbeid. Als we ons laten belonen, wordt het collaboratie. Wij eisen waar we recht op hebben: meer voedsel.’ In tegenstelling tot gevangenen van andere nationaliteiten zijn de Nederlandse vrouwen onverzettelijk. ‘De Hollandse dochters zijn groot, sterk, soms bot, maar vrolijk en niet in staat om onderdanig te zijn.’

    Zingend staken

    Dan is het zout op. De vrouwen lijden dermate honger dat ze niet lang zullen overleven. Op 12 januari 1945 vindt er een unieke staking plaats: voor zover bekend de enige staking die ooit in een concentratiekamp heeft plaatsgevonden. ‘Het bericht verspreidt zich razendsnel. Kort daarop zitten alle Hollandse vrouwen als bij afspraak met de armen over elkaar. De Duitse arbeidsters schrikken vreselijk en proberen ons duidelijk te maken dat het streng verboden is.’ De bedrijfsleiding beslist dat de commandant ter plekke moet komen.

    Wanneer de woedende commandant binnenkomt, zingen de vrouwen luidkeels hun strijdliederen. Ze weten dat daarop de zwaarste straf staat, maar het is nu een daad stellen of ‘langzaam alle kaarsjes laten uitgaan’. Als de commandant achterin de zaal is, wordt zijn geschreeuw overstemd door het gezang. Staat de commandant voorin de zaal, dan nemen de vrouwen die achterin zitten het zingen over. Na de staking staan ze urenlang buiten in de striemende kou op strafappel. Daarna worden de stakers verhoord en de aanstichters gezocht, maar de vrouwen zwijgen. Officier heer Willy Bach uit Dachau schreeuwt dat de staking zeer zwaar bestraft zal worden. Zijn rapport bereikt Berlijn waarschijnlijk nooit. Het conflict van de vrouwen met de directie van de fabriek is omgezet in een fikse ruzie tussen de directie en de SS. Met de verhoging van de productie worden de vrouwen niet meer lastig gevallen. De soep wordt, al is het maar voor korte tijd, iets voedzamer.

    Dodenmars 

    Terwijl de tijd verstrijkt worden de bombardementen opgevoerd. Twintig Poolse medegevangenen komen erbij om. De winter is bar koud, maar de vrijheid gloort aan de horizon. Op 23 april wordt de fabriek gesloten, omdat de producten niet meer vervoerd kunnen worden. De commandant wil naar het zuiden trekken om daar het einde van de oorlog af te wachten. Wie niet mee wil, kan in München blijven. Omdat het eten op is en de vrouwen bij elkaar willen blijven, gaan ze met de Duitsers mee op pad. Meer dan 10.000 gevangenen uit Dachau en omgeving nemen deel aan de zogenaamde evacuatiemarsen. Van verschillende kanten horen ze dat hun bestemming in Tirol ligt, 180 kilometers verderop. Het hardnekkige gerucht doet de ronde dat daar een dal onder water wordt gezet, waarin de Duitsers hen zullen verdrinken. Maar het is goed mogelijk dat ze op pad zijn zonder enige bestemming.

    De marteltocht eindigt op 30 april 1945 bij de boerenhoeve Walserhof in Wolfratshausen, ongeveer 35 kilometers ten zuiden van München. De vrouwen zijn volkomen uitgeput en weigeren verder te gaan. In tegenstelling tot andere leidinggevenden, besluit hun commandant de zieken en weigeraars niet neer te schieten. Ze mogen de komst van het Amerikaanse zevende leger afwachten. In het nabije Schaftlarn zien zes vrouwen in de verte de eerste Amerikaanse tanks aanrollen. De vroege avond van 30 april 1945 wordt een ogenblik om nooit te vergeten. ‘We lopen naar allerlei Amerikanen en spreken Engels. We zeggen “We are prisoners”. “No”, zeggen zij “You were!”‘

    Teleurstellende ontvangst

    Eenmaal bevrijd worden de Denen, Noren en Fransen door hun landgenoten opgehaald, vaak met veel eerbetoon. De groothertog van Luxemburg reist zijn landgenoten zelfs hoogstpersoonlijk tegemoet. Nederland laat echter niets van zich horen.

    Op 14 mei 1945 begint de langverwachte terugreis. De vrouwen rijden in een colonne vrachtwagens van het Rode Kruis naar Zwitserland, en vandaar per trein naar Frankrijk en België. De ontvangst in de buurlanden is hartverwarmend. In Frankrijk wachten blaasorkesten en kinderen de bevrijde gevangenen op in hun mooiste kleren. In Lyon wordt tot ieders verbazing vlekkeloos het Wilhelmus gespeeld. De vrouwen huilen van ontroering. ‘Je kunt verzuipen in je tranen’. Ook in België krijgen ze een feestelijk onthaal.

    Eenmaal aangekomen in Brussel worden ze geïnformeerd over de situatie in Nederland. Door een ijskoude Nederlandse officier worden ze bijgepraat over de toestand in Holland. De vrouwen horen over hun overleden medegevangenen in Ravensbrück

    Op tweede Pinksterdag vertrekken ze eindelijk naar Nederland. De vrouwen moeten in treincoupés staan, tussen gevluchte, goedgeklede NSB’ers. Via Roosendaal komen ze aan in Oudenbosch. ‘Onze ontvangst op 21 mei 1945 in Nederland is diep treurig. We moeten een uur wachten in de regen. We worden met onze kortgeknipte haren aangezien voor moffenmeiden. Omstanders roepen: “Waren die rotmeiden maar in Duitsland gebleven”. In Oudenbosch slapen we weer met stro op de grond.’

    Hun ergernis over de mannen van het Nederlandse Militaire Gezag is groot. De meesten spreken zich er na de oorlog niet over uit, maar een voormalig politiek gevangene kan haar ergernis niet onderdrukken: ‘Zulke godvergeten klootzakken. Ze hadden de hele oorlog mooi weer gespeeld in Engeland en allemaal onderscheidingen ophangen. Ze deden tegen ons alsof we schooiers waren.’ De volgende dagen legt ieder het laatste stukje naar haar huis zelf af.

    In een brief schrijft Annie Post over haar reis naar Nederland. ‘In Wolfratshausen kreeg ik dysenterie. Ik dacht niet meer levend in Holland aan te komen. Maar we kregen goed te eten en niet te vergeten: lakens op ons bed. Dat was een hele belevenis voor ons. Ik werd opgenomen in een ziekenhuisbarak. Na veel omwegen ben ik vervolgens gebracht naar een Rooms-katholiek internaat in Roosendaal. We droegen nog steeds kampkleren en zagen eruit als schooiers. Later ben ik met een militaire auto naar een zwager in de Staphorster Maten gebracht.’

    Bij thuiskomst hoort Annie dat Marinus, haar echtgenoot, op 17 november 1944 onder de naam Hubertus Ham is gefusilleerd in Alkmaar. De volgende dag ontmoet ze een deel van haar kinderen, een week later volgt zoon Jan. ‘We hebben de bevrijding met gemengde gevoelens beleefd. We waren de laatste jaren zo dikwijls teleurgesteld, we waren sterk ondervoed en van alle ellende dood en doodmoe’, schrijft Annie.

    Herinnering

    Jacob Derk de Witt is tot de bevrijding van Dachau bij Jan gebleven en heeft als een vader voor hem gezorgd. Op 4 december 1945 bezoekt hij het gezin van oorlogsweduwe Annie. Ze wonen dan in een huisje aan de Noordweg in Kampen. In een brief aan de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en de Landelijke Knokploegen (LKP) schrijft Jacob: ‘Ik vond mevrouw Post te bed. Als altijd heldhaftig, maar de vele ontberingen en de laatste eer aan haar gevallen man, gebracht in Haarlem, hadden haar geestelijk en lichamelijk geknakt. Hoewel zij niet klaagde, dat doet zij nimmer, meende ik te mogen veronderstellen, dat aan haar en haar gezin niet voldoende zorg wordt besteed. Met geen mogelijkheid wilde zij iets loslaten, maar uit alles kreeg ik de indruk, dat zij het moeilijk heeft. Zouden wij de nagedachtenis van de held Marinus Post niet het meeste eren, door voor zijn gezin te zorgen? Dat is toch voor ons allen een ereplicht? U kunt op mijn volledige medewerking rekenen.’

    Hannechien Post-Salomons.

    Gerrit van Dijk herinnert zich zijn grootmoeder als een bescheiden vrouw, die haar leed verborgen hield: ‘De hulp aan onderduikers deed ze af als christenplicht. Voor haar was het vanzelfsprekend om mensen te helpen die in nood zitten. Mijn oma vertelde me dat er mensen waren die het slechter getroffen hadden. Ze sprak niet of weinig over haar oorlogservaringen. Ze kon slecht tegen alleen zijn. We haalden haar dan op. Annie was een lieve grootmoeder, die niets van rancune voelde.’

    Annie was onverschrokken en ontleende kracht uit haar geloof. Ze kwam als vanzelfsprekend op voor medemensen in noodsituaties. Tijdens haar gevangenschap maakte ze deel uit van een bijzondere groep vrouwen die gekenmerkt werd door kameraadschap, eensgezindheid, overtuiging en vastberadenheid. Annie overleefde ternauwernood de transporten, concentratiekampen, bunkerdrama, staking en dodenmars. Bij haar terugkeer was Nederland kil en hardvochtig. Ze voelde echter naar niemand rancune. Na de oorlog leefde ze haar bescheiden leven, dat gemarkeerd is door haar ervaringen tijdens de oorlogsjaren. Hannechien Post-Salomons overleed op 14 februari 1982 op 80-jarige leeftijd te midden van haar kinderen in Huize Margaretha te Kampen.

    Meer lezen

    Hans Suijs, Samen eervol overleefd, 2020.

    Jan van Ommen, De vrouwen van het Agfa-Commando in München, 2019.

    Met dank aan Gerrit van Dijk, Arie Brouwer, Hans Suijs en Jan van Ommen

    Via deze QR-code is een podcast van RTV Drenthe te beluisteren over Hannechien Post-Salomons.