Home Dossiers Tweede Wereldoorlog Het handschrift van de beul

Het handschrift van de beul

  • Gepubliceerd op: 21 juni 2022
  • Laatste update 08 nov 2022
  • Auteur:
    Theo Gerritse
  • 11 minuten leestijd
Het handschrift van de beul
Cover van
Dossier Tweede Wereldoorlog Bekijk dossier

Wat drijft oorlogsmisdadigers? Deze moeilijke vraag hield kort na de Tweede Wereldoorlog de historici al bezig. Het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie riep de hulp in van grafologen, die beweerden iemands psyche te doorgronden aan de hand van zijn handschrift.

Een handtekening was genoeg om het karakter van iemand te duiden. Frits Böttcher, Leids hoogleraar in de grafologie, kon het. In 1956 boog hij zich op verzoek van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, het toenmalige NIOD) over het handschrift van Eberhard Schöngarth, de Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD in de laatste periode van de oorlog.

‘De handtekeningen uit de laatste maanden van 1944 geven blijk van sterke innerlijke conflicten en van inzinkingen,’ schreef Böttcher aan Dolf Cohen, toenmalig adjunct-directeur van het RIOD. De brief is nu in het archief te raadplegen. ‘De rancuneuze en agressieve instelling is nog toegenomen; hij is zeer moeilijk in de omgang geworden, opvliegend en onbeheerst. De neiging tot oneerlijkheid en achterbaksheid doet zich meer gelden dan vroeger.’ De analyse van Schöngarths karakter diende als materiaal voor een door Cohen nog in 1972 gepubliceerde studie.

Dit artikel is exclusief voor abonnees

Dit artikel op Historischnieuwsblad.nl is alleen toegankelijk voor abonnees. Met liefde en zorg werken wij iedere dag weer aan de beste historische verhalen door toonaangevende historici. Steun ons door lid te worden voor maar €3,99 per maand, de eerste maand €1,- Log in om als abonnee direct verder te kunnen lezen of sluit een abonnement af.

Frits Böttcher analyseerde de handschriften van SS’ers. Foto uit 1972.

De voor zichzelf sprekende daden van Duitse oorlogscriminelen in Nederland was de leiding van het RIOD in die eerste naoorlogse jaren niet genoeg. Ook karakterologisch moesten deze brute vertegenwoordigers van het Hitler-regime, vaak SS’ers, worden ontmaskerd. Hiervoor riep men onder andere de hulp in van beoefenaren van de grafologie.

‘Infantilistisch’

Ook de hoogste SS’er in Nederland, Hanns Albin Rauter, ontkwam niet aan een grafologisch oordeel. In de weken voor zijn executie in de duinen van Scheveningen op 25 maart 1949 hield psycho-grafologe Rose Raake zich bezig met het handschrift van de meest gevreesde figuur in het bezettingsbestuur. Het contact met Loe de Jong van het RIOD was gelegd door zijn toenmalige chef, Nico Posthumus. Hij had in een andere hoedanigheid voornoemde grafologe ingehuurd om sollicitanten te beoordelen. Haar analyse zou verschijnen in een verzameling artikelen over Rauter.

Uit de correspondentie tussen De Jong en zijn ‘inhuurkracht’ komt naar voren dat Raake werkte onder ‘de condities’ van 5 gulden (beknopt consult, mondeling) dan wel 25 gulden (wetenschappelijke handschriftanalyse). ‘Ik maak de analyse zoals [Rauter] als mens is.’

Al na een week had de grafologe haar rapport klaar. De Jong was tevreden, maar niet helemaal: ‘Ik ontving vanmorgen uw analyse, die mij erg goed leek; alleen was ze wat kort. Zoudt U er de handschrift-symptomen niet bij kunnen vermelden, of anders de analyse wat langer maken? Ook noemt U op enkele plaatsen de naam van Hitler. Was dat Uw bedoeling, of zoudt U er niet de voorkeur aan geven, om die naam te vervangen door de psychologische figuur, die Hitler voor Rauter vormde, zo die althans aan te geven is.’

‘De letters zijn kloddrig en dik, de tyrannie is sexe geworden’

Een dag later had de RIOD-chef al antwoord: ‘Hierbij de karakterschets van Rauter enigszins veranderd, ik heb Hitler kunnen vermijden – wat ook veel beter is – en hoop, dat het zo naar Uw zin is.’ Volgens Raake leed Rauter aan ‘innerlijke gespletenheid en verscheurdheid’, werd hij ‘gekenmerkt door een nerveuze prikkelbaarheid en onrust’ en had hij ‘een opbruisende aard’ (zie kader). De man die in Nederland verantwoordelijk was geweest voor razzia’s en represailles zou geobsedeerd zijn door macht. ‘Hij is psychisch infantilistisch gebleven, vandaar de drang te moeten gehoorzamen,’ schreef Raake. ‘De letters zijn kloddrig en dik geworden, de tyrannie is sexe geworden, d.w.z. machtswellust, hij wordt hierdoor op ziekelijke wijze beheerst.’

Soestdijk

De Jong en vakgenoten vroegen zich in die vroege naoorlogse jaren niet af of hier sprake was van serieuze wetenschap, of dat ze te maken hadden met wichelroedelopers. De door Raake gerapporteerde bevindingen sloten naadloos aan bij hun eigen opvattingen. De Jong, die eerder twaalf gesprekken met Rauter had gevoerd, omschreef hem in de aangekondigde bundel Nederland in oorlogstijd als ‘gier uit de Alpen’, ‘roverhoofdman’, ‘bendehoofd’ – én als ‘infantiel’. De misdaden tijdens de bezetting konden alleen door onmensen zijn gepleegd, waarvoor de Nederlandse woordenschat eigenlijk tekortschoot.

Een Amerikaans grafologiehandboek uit 1896.

Niet alleen door de hang naar criminele karakterduiding van wrede nationaal-socialisten hadden handschriftduiders als Rose Raake en Frits Böttcher de tijd mee. Lange tijd werd bij sollicitaties voor serieuze functies een handgeschreven brief verlangd, waarop ingehuurde ‘experts’ positieve en negatieve eigenschappen van de kandidaat probeerden bloot te leggen. Grafologen vonden emplooi tot in de hoogste kringen. De Telegraaf meldde op 18 oktober 2001 dat koningin Juliana destijds liefdesbrieven aan haar dochters liet analyseren, ‘zodat ze wist wat voor vlees ze met die minnaar in de kuip had.’ De analyses werden uitgevoerd door de voormalige theoloog David van Lennep, directeur van de Nederlandse Stichting voor Psychotechniek (NSvP), die op dat moment gold als de beste grafoloog van zijn tijd.

De misdaden tijdens de bezetting konden alleen door onmensen zijn gepleegd

Ook de hooggeleerde Böttcher vond emplooi op Soestdijk, zoals historicus Cees Fasseur in zijn boek Juliana en Bernhard. Het verhaal van een huwelijk de jaren 1936-1956 opmerkt. Het verbaasde Fasseur niet dat Juliana belangstelling had voor de grafologie, omdat zij dat ook had voor ‘astrologie, vliegende schotels, wichelroedes en aardstralen’. Haar aandacht richtte zich onder andere op het karakter van de waarnemend algemeen secretaris van het Koninklijk Huis, Gerrie van Maasdijk, die zich manifesteerde als een onruststoker. Het grafologisch oordeel van Böttcher: ‘Een man die veel moeilijkheden met zichzelf en met zijn omgeving veroorzaakt. Innerlijk verkeert hij eigenlijk in een voortdurende conflictsituatie … Bij zijn handelingen spelen de gevoelsmotieven een overwegende rol, er is een gebrek aan zelfbeheersing en zelfcontrole.’ Zo dacht Juliana er ook over. Toch werd Van Maasdijk niet ontslagen.

Overigens mocht Böttcher ook het handschrift van de opdrachtgever en haar echtgenoot Bernhard beoordelen. Over Juliana: ‘Een tedere, gevoelige en fijnbesnaarde vrouw, liefdevol en tegemoetkomend tegenover de omgeving. Haar goedhartigheid en welwillendheid, haar behoefte aan liefde maken het haar soms moeilijk zich in de harde maatschappij staande te houden, te meer daar zij geneigd is bovengenoemde eigenschappen ook van haar omgeving te verlangen.’ De grafoloog signaleerde voorts ‘de behoefte om verwend te worden’ (gevolg van haar opvoeding), intelligentie, en ‘een rijk innerlijk leven’, om te eindigen met: ‘Over het algemeen genomen is zij een tevreden en harmonisch ontwikkeld mens.’

Met Bernhard had Nederland het, aldus Böttcher, buitengewoon getroffen: ‘Schrijver beschikt over een superieure intelligentie […] Hij is evenwichtig en zelfstandig […] Hij is wilskrachtig –  heeft doorzettingsvermogen zonder despotisch te zijn en heeft een uitstekend tempo. Hij is eenvoudig en natuurlijk en heeft een goede smaak […] Hij is strijdvaardig en gaat de moeilijkheden niet uit de weg. Hij kan soms scherp uit de hoek komen doch meestal geestig en ad rem, niet onnodig kwetsend.”\

Uit de mode

Wat opvalt aan de grafologische analyses is dat ze vaak toegesneden lijken op het verwachtingspatroon van de opdrachtgevers. Is dat een eerste aanwijzing dat we hier te maken hebben met een pseudowetenschap? Deze vraag leidt meteen naar de volgende: worden we wat wijzer van de beoefenaars en hun inspanningen? Niet veel, hun conclusies verschillen door de bank genomen niet van wat een oplettende omstander zelf had kunnen vaststellen. In elk geval kwam onder druk van psychologen in de loop van de jaren zestig langzaam een einde aan de populariteit van de grafologie, die als zo oppervlakkig werd beschouwd dat ze niet als serieuze wetenschap kon gelden.

De handschriftduiding wordt al eeuwen beoefend. In 1622 schreef ene Camildo Baldo bijvoorbeeld een geschrift over het herkennen van de aard en kwaliteiten van de schrijver uit een brief. Toch valt op dat er geen wetenschappelijke opleiding van de grond is gekomen. Geneesheer-directeur J.A. de Wilde van de psychiatrische inrichting Dennenoord te Zuid-Laren die met zijn artikel Grafodiagnostiek en psychiatrie een overzicht publiceerde, wil nog wel enige waardering vragen voor een zekere abbé Jean Hyppolyte Michon, die in 1874 in zijn boekje Système de graphologie de term ‘grafologie’ muntte.

Met Bernhard had Nederland het, aldus Böttcher, buitengewoon getroffen

Verder is het een geschiedenis van pieken en dalen. Even was er een opleving, toen een zekere Ludwig Klages boeken met de titels Die Probleme der Graphologie (1910) en Handschrift und Charakter (1917) publiceerde. Klages betoogt daarin dat het karakter van de mens niet in de eerste plaats is af te leiden uit het schriftbeeld, ‘zoals tot dan toe geschiedde, doch veeleer uit de schrijfbeweging, waarvan de schrift slechts de registratie in een tweedimensionaal vlak is.’

Hoewel Klages met zijn publicaties, volgens De Wilde, ‘een wetenschappelijke grondslag’ voor de grafologie trachtte te leggen, is dat – gezien de huidige situatie – niet gelukt. Zelfs een gevierd grafoloog als Böttcher heeft  pijnlijk moeten ervaren hoe zijn ‘bijvak’ uit de mode raakte. Zijn pogingen, aldus historicus Fasseur, om de grafologie exact en wetenschappelijk te benaderen, ‘de hocus pocus eruit halen’, mochten niet baten. Het verzet uit de wereld van psychologen was te groot en na een aantal jaren gooide de enige (buitengewoon) hoogleraar grafologie die ons land heeft gekend het bijltje erbij neer.

Theo Gerritse is de biograaf van Hanns Albin Rauter.

 

‘Alles is krampachtig’

In haar analyse van Rauters handschrift kwam grafoloog Rose Raake tot deze bevindingen:

‘Er zijn in dit handschrift symtomen [sic] van intrigeren en huichelarij, eveneens van geslotenheid (zo nodig), van berekening en nauwkeurig acht slaan op het uiterlijk. Scribent lijdt aan innerlijke gespletenheid en verscheurdheid. Hierdoor wordt hij gekenmerkt door een nerveuze prikkelbaarheid en onrust. Hij is dikwijls heftig en onevenwichtig en heeft een opbruisende aard. Hij is hard en wreed geworden, ten koste van zijn persoonlijkheid, die zeer veranderd is.

Zijn handschrift staat op een goed niveau, de zelfcontrole, die hij vroeger had en nog heeft – te zien aan zijn min of meer recht opstaande letters – is uiteengevallen, hij kan nauwelijks de letters, of een woord meer aan elkaar schrijven.

Resten van guirlandeschrift (bij een Duits handschrift zelden) zijn nog aanwezig. Hieruit kan men concluderen tot resten van een soepele en beminnelijke geste naar de buitenwereld en tot iets zachts voor mensen, waar hij van hield. Tevens heeft hij zelf behoefte aan zacht- en goedheid om zich heen.

Deze man heeft het gevoel van het léven, de wereld te kunnen omvatten, is echter krampachtig gericht op één doel : gehoorzamen en de idee uit te voeren. Hij ondergaat intensief de sensatie van de macht, die hij kan uitoefenen, ten koste van zijn psyche, die veranderd is.

Hij is psychisch infantilistisch gebleven, vandaar de drang te moeten gehoorzamen. Hij kàn niet anders meer, hij moet heersen en eist van de wereld, dat deze aandacht schenk aan zijn ideaal, zijn wil en zijn principes, gehoorzamend aan de idee, maar ook toegevend aan het tot zwijgen brengen van de innerlijke stem in hem, die opponeert tegen zijn wreedheden.

Het opmerkelijke van scribent is zijn taaie werkkracht en zijn groot doorzettingsvermogen enerzijds – de steeds stijgende woorden, die lager eindigen – daarbij nog opgezweept door zijn fanatieke geloof, anderzijds is hij zonder ruggegraat – het uiteenvallen der letters. –

Dit handschrift (tijdens de bezetting geschreven) is niet normaal meer, de taaie werkkracht is vervallen. Scribent verkeert min of meer in een dwangneurose. Er is een onrustige activiteit ingetreden met geremdheid.

De letters zijn kloddrig en dik geworden, de tyrannie is sexe geworden, d.w.z. machtswellust, hij wordt hierdoor op ziekelijke wijze beheerst.

Zijn functie en zijn geloof aan de idee zijn bij hem religie geworden, hij gelooft werkelijk dat dat, wat hij doet, goed en rechtvaardig is.

Door dit te felle leven, door de overgrote verantwoordelijkheid en het willen overtroeven van zijn waarschuwende instincten, is hij niet vrij van degeneratie.

Hij heeft een goed intellect, doch dat heeft geleden. Alles is krampachtig. Hij is aangetast door een machteloos willen, maar niet kunnen. Hij voelde wel de ondergang, maar wilde er niet aan geloven en is daartoe ook niet in staat. Zijn wezen moet

Geloven aan een roeping. Zonder deze kan hij niet leven. Hierdoor zal hij sterven, dapper en tot het laatste moment vasthouden aan het gevoel van “mijn ideaal was het juiste en almachtig.”’

Meer weten

  • Een onbekende tijdgenoot: de laatste Befehlshaber der Sicherheitspolizei und des SD in Nederland, door A.E. Cohen, artikel in A.H. Paape, (red.), Studies over Nederland in oorlogstijd (1972)
  • Juliana en Bernhard. Het verhaal van een huwelijk de jaren 1936-1956 (2008) door Cees Fasseur
  • Grafodiagnostiek en psychiatrie: een overzicht, door J.A. de Wilde, artikel in Nederlands Tijdschrift voor Psychiatrie (1970)